Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:232
2026-01-13
Strafrecht
W200.362.191
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing wrakingsverzoek
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1413 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.935 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.362.191/01
beslissing van 13 januari 2026
op het verzoek van:
[naam]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het wrakingsincident,
hierna: verzoekster,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
de rechters van de strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, althans mr. H.J. Deuring, mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters, raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij de afdeling strafrecht van het hof zijn onder parketnummers 21-004525-23 en 21-004526-23 procedures aanhangig tegen verzoekster.
1.2
Op 12 mei 2025 om 15:30 uur heeft met betrekking tot deze zaken een zitting plaatsgevonden voor de strafkamer van dit hof, locatie Leeuwarden, bestaande uit de raadsheren mr. J.A.M. Kwakman (voorzitter), mr. F.E.J. Goffin en mr. L. Pieters. Aanwezig was verder het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door mr. A. Hermelink, advocaat-generaal. Kort voor de zitting, om 15:20 uur, heeft verzoekster per e-mail een verzoek tot wraking ingediend. De voorzitter heeft daarop tijdens de zitting medegedeeld dat dit wrakingsverzoek is binnengekomen en dat de zaak wordt aangehouden voor onbepaalde tijd, zodat de wrakingskamer hierop kan beslissen.
1.3
Op 4 juli 2025 heeft in die zaak een wrakingszitting plaatsgevonden voor de wrakingskamer van dit hof, locatie Leeuwarden, bestaande uit de raadsheren mr. C. Coster (voorzitter), mr. E. de Witt en mr. G.B.A. Brummer. Verzoekster is niet bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheren zijn ook niet verschenen. Bij uitspraak van 10 juli 2025 is het wrakingsverzoek afgewezen.
1.4
De behandeling van de zaken is daarna hervat waarbij de behandeling ter zitting op 3 december 2025 om 15:00 uur is bepaald. Verzoekster heeft in de aanloop naar die zitting herhaaldelijk verzocht om uitstel van die zitting dan wel om deel te nemen via een videoverbinding. Die verzoeken zijn afgewezen. Op 3 december 2025 om 14:49 uur is op de griffie van het hof een e-mail van verzoekster binnengekomen waarin zij een verzoek tot wraking heeft ingediend. De voorzitter heeft daarop tijdens de zitting medegedeeld dat dit wrakingsverzoek is binnengekomen en dat de zaak wordt aangehouden voor onbepaalde tijd, zodat de wrakingskamer hierop kan beslissen. De processen-verbaal van de mondelinge behandeling zijn op 10 december 2025 aan verzoekster per e-mail toegestuurd.
1.5
De gewraakte raadsheren hebben niet in de wraking berust.
1.6
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 17 december 2025 behandeld door deze wrakingskamer. Verzoekster is niet bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheren zijn ook niet verschenen.
1.7
De verzoekster heeft voor aanvang van de zitting de huidige wrakingskamer gewraakt, omdat het verzoek om aanhouding van deze zaak, dan wel tot het tot stand brengen van een videoverbinding is afgewezen door de wrakingskamer. Dit verzoek is buiten behandeling gebleven wegens evident misbruik van recht om een uitstel te kunnen bewerkstelligen. Door steeds dezelfde bezwaren te poneren en voor te sorteren op een inhoudelijke behandeling van de wraking kan het verzoek in deze zaak volgens de wrakingskamer niet anders worden verstaan dan als de aanwending van de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, waardoor het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer buiten behandeling is gebleven.
1.8
Tijdens de zitting van 17 december 2025 heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan met betrekking tot het wrakingsverzoek tegen de strafkamer van het hof, dat kennelijk is gericht tegen mrs. H.J. Deuring, A.J. Rietveld en L. Pieters. Deze beslissing is kort na de zitting per e-mail medegedeeld aan verzoekster. De schriftelijke motivering van deze beslissing wordt hierna uiteengezet.
2De beoordeling van het verzoek
De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1
Het wrakingsverzoek is gedaan voordat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. Van andere omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat het verzoek niet tijdig is ingediend, is niet gebleken. Het verzoek is dan ook tijdig ingediend.
2.2
Het wrakingsverzoek is gericht tegen mrs. J.A.M. Kwakman, L. Pieters en F.E.J. Goffin. Uit het wrakingsverzoek en uit de overige correspondentie is echter af te leiden dat verzoekster niet op de hoogte was van de namen van de raadsheren die haar zaak behandelen, waardoor de wrakingskamer het verzoek opvat als zijnde gericht tegen de behandelend raadsheren, mrs. H.J. Deuring, A.J. Rietveld en L. Pieters. Dit leidt daarom niet tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.3
Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd:
Verzoekster heeft ontelbare keren gemaild met de griffie om de zaak aan te houden, maar hierop wordt nooit inhoudelijk gereageerd;
Zij heeft het recht om verhinderdata op te geven, ook al heeft zij geen advocaat;
Er zijn door het hof dagvaardingen verstuurd naar verkeerde adressen, waardoor zij niet rechtsgeldig is opgeroepen. Deze administratieve vormfouten plegen een inbreuk op haar privacy;
De voorzitter is vooringenomen doordat de verzoeken tot aanhouding van de zitting dan wel het tot stand brengen van een videoverbinding stelselmatig niet worden gehonoreerd;
De griffiers van de strafgriffie hebben niet de namen doorgegeven van de behandelend raadsheren, wat wordt beschouwd door verzoekster als een manier van buitenproportioneel discrimineren.
Het standpunt van verweerders
2.4
De gewraakte raadsheren hebben laten weten niet te berusten in de wraking en hebben verder verwezen naar de e-mailcorrespondentie met verzoekster.
Beoordelingskader
2.5
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek tegen deze achtergrond beoordelen.
2.6
Verder geldt als algemeen uitgangspunt dat het middel van wraking gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen - de verzoeker onwelgevallige - (processuele) (tussen)beslissingen van de rechter. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
2.7
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er eveneens tegen dat de motivering van de (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Oordeel van de wrakingskamer
2.8
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek ongegrond is. De gronden die verzoekster aanvoert komen grotendeels overeen met de gronden van het hiervoor in 1.2 genoemde wrakingsverzoek tegen een eerdere strafkamer. Dit verzoek heeft geleid tot de beslissing van 10 juli 2025 van de wrakingskamer waarin het verzoek is afgewezen. Ook in de onderhavige zaak geldt dat de beslissing om de zaak niet aan te houden of om verzoekster niet door middel van een videoverbinding te laten deelnemen aan de zitting, een processuele beslissing betreft die is voorbehouden aan de raadsheren die beslissen in de strafzaak tegen verzoekster. Deze beslissingen kunnen als zodanig niet tot een geslaagd beroep op wraking leiden. Uit de motivering die de voorzitter van de strafkamer heeft gegeven, die overeenkomt met de beslissingen die eerder zijn genomen, blijkt verder – naar objectieve maatstaven gemeten – geen vooringenomenheid. Dat blijkt evenmin uit het beperken van de correspondentie of uit het versturen van de dagvaardingen naar verkeerde adressen. Tot slot kan het vermoeden van verzoekster dat de medewerkers van de strafgriffie bewust de namen van de behandelend raadsheren niet hebben willen doorgeven, voor zover dat vermoeden juist zou zijn, niet worden toegerekend aan de raadsheren tegen wie dit wrakingsverzoek is gericht.
2.9
Het voorgaande maakt dat het wrakingsverzoek van verzoekster zal worden afgewezen.
2.10
Verzoekster heeft verschillende malen op min of meer gelijkluidende gronden tevergeefs om wraking van de behandelende raadsheren verzocht. Om misbruik van de mogelijkheid tot wraking te voorkomen, zal het hof op de voet van artikel 515 lid 4 Sv bepalen dat in deze zaken een volgend verzoek tot wraking aan de zijde van verzoekster dat is ingediend op dezelfde gronden als in deze wrakingsprocedure aan de orde zijn, niet in behandeling zal worden genomen.
3
3. De beslissing
Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mrs. H.J. Deuring, mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters af.
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoekster in deze zaken dat is ingediend op dezelfde gronden als in deze wrakingsprocedure aan de orde zijn, niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H. de Hek, R.F.C. Spek en G.A. Versteeg, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).
Mrs. Spek en Versteeg zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Voorzitter Griffier
mr. H. de Hek mr. G.J. Rauw
Zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.362.191/01
beslissing van 13 januari 2026
op het verzoek van:
[naam]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het wrakingsincident,
hierna: verzoekster,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
de rechters van de strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, althans mr. H.J. Deuring, mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters, raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij de afdeling strafrecht van het hof zijn onder parketnummers 21-004525-23 en 21-004526-23 procedures aanhangig tegen verzoekster.
1.2
Op 12 mei 2025 om 15:30 uur heeft met betrekking tot deze zaken een zitting plaatsgevonden voor de strafkamer van dit hof, locatie Leeuwarden, bestaande uit de raadsheren mr. J.A.M. Kwakman (voorzitter), mr. F.E.J. Goffin en mr. L. Pieters. Aanwezig was verder het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door mr. A. Hermelink, advocaat-generaal. Kort voor de zitting, om 15:20 uur, heeft verzoekster per e-mail een verzoek tot wraking ingediend. De voorzitter heeft daarop tijdens de zitting medegedeeld dat dit wrakingsverzoek is binnengekomen en dat de zaak wordt aangehouden voor onbepaalde tijd, zodat de wrakingskamer hierop kan beslissen.
1.3
Op 4 juli 2025 heeft in die zaak een wrakingszitting plaatsgevonden voor de wrakingskamer van dit hof, locatie Leeuwarden, bestaande uit de raadsheren mr. C. Coster (voorzitter), mr. E. de Witt en mr. G.B.A. Brummer. Verzoekster is niet bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheren zijn ook niet verschenen. Bij uitspraak van 10 juli 2025 is het wrakingsverzoek afgewezen.
1.4
De behandeling van de zaken is daarna hervat waarbij de behandeling ter zitting op 3 december 2025 om 15:00 uur is bepaald. Verzoekster heeft in de aanloop naar die zitting herhaaldelijk verzocht om uitstel van die zitting dan wel om deel te nemen via een videoverbinding. Die verzoeken zijn afgewezen. Op 3 december 2025 om 14:49 uur is op de griffie van het hof een e-mail van verzoekster binnengekomen waarin zij een verzoek tot wraking heeft ingediend. De voorzitter heeft daarop tijdens de zitting medegedeeld dat dit wrakingsverzoek is binnengekomen en dat de zaak wordt aangehouden voor onbepaalde tijd, zodat de wrakingskamer hierop kan beslissen. De processen-verbaal van de mondelinge behandeling zijn op 10 december 2025 aan verzoekster per e-mail toegestuurd.
1.5
De gewraakte raadsheren hebben niet in de wraking berust.
1.6
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 17 december 2025 behandeld door deze wrakingskamer. Verzoekster is niet bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheren zijn ook niet verschenen.
1.7
De verzoekster heeft voor aanvang van de zitting de huidige wrakingskamer gewraakt, omdat het verzoek om aanhouding van deze zaak, dan wel tot het tot stand brengen van een videoverbinding is afgewezen door de wrakingskamer. Dit verzoek is buiten behandeling gebleven wegens evident misbruik van recht om een uitstel te kunnen bewerkstelligen. Door steeds dezelfde bezwaren te poneren en voor te sorteren op een inhoudelijke behandeling van de wraking kan het verzoek in deze zaak volgens de wrakingskamer niet anders worden verstaan dan als de aanwending van de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, waardoor het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer buiten behandeling is gebleven.
1.8
Tijdens de zitting van 17 december 2025 heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan met betrekking tot het wrakingsverzoek tegen de strafkamer van het hof, dat kennelijk is gericht tegen mrs. H.J. Deuring, A.J. Rietveld en L. Pieters. Deze beslissing is kort na de zitting per e-mail medegedeeld aan verzoekster. De schriftelijke motivering van deze beslissing wordt hierna uiteengezet.
2De beoordeling van het verzoek
De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1
Het wrakingsverzoek is gedaan voordat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. Van andere omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat het verzoek niet tijdig is ingediend, is niet gebleken. Het verzoek is dan ook tijdig ingediend.
2.2
Het wrakingsverzoek is gericht tegen mrs. J.A.M. Kwakman, L. Pieters en F.E.J. Goffin. Uit het wrakingsverzoek en uit de overige correspondentie is echter af te leiden dat verzoekster niet op de hoogte was van de namen van de raadsheren die haar zaak behandelen, waardoor de wrakingskamer het verzoek opvat als zijnde gericht tegen de behandelend raadsheren, mrs. H.J. Deuring, A.J. Rietveld en L. Pieters. Dit leidt daarom niet tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.3
Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd:
Verzoekster heeft ontelbare keren gemaild met de griffie om de zaak aan te houden, maar hierop wordt nooit inhoudelijk gereageerd;
Zij heeft het recht om verhinderdata op te geven, ook al heeft zij geen advocaat;
Er zijn door het hof dagvaardingen verstuurd naar verkeerde adressen, waardoor zij niet rechtsgeldig is opgeroepen. Deze administratieve vormfouten plegen een inbreuk op haar privacy;
De voorzitter is vooringenomen doordat de verzoeken tot aanhouding van de zitting dan wel het tot stand brengen van een videoverbinding stelselmatig niet worden gehonoreerd;
De griffiers van de strafgriffie hebben niet de namen doorgegeven van de behandelend raadsheren, wat wordt beschouwd door verzoekster als een manier van buitenproportioneel discrimineren.
Het standpunt van verweerders
2.4
De gewraakte raadsheren hebben laten weten niet te berusten in de wraking en hebben verder verwezen naar de e-mailcorrespondentie met verzoekster.
Beoordelingskader
2.5
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek tegen deze achtergrond beoordelen.
2.6
Verder geldt als algemeen uitgangspunt dat het middel van wraking gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen - de verzoeker onwelgevallige - (processuele) (tussen)beslissingen van de rechter. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
2.7
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er eveneens tegen dat de motivering van de (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Oordeel van de wrakingskamer
2.8
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek ongegrond is. De gronden die verzoekster aanvoert komen grotendeels overeen met de gronden van het hiervoor in 1.2 genoemde wrakingsverzoek tegen een eerdere strafkamer. Dit verzoek heeft geleid tot de beslissing van 10 juli 2025 van de wrakingskamer waarin het verzoek is afgewezen. Ook in de onderhavige zaak geldt dat de beslissing om de zaak niet aan te houden of om verzoekster niet door middel van een videoverbinding te laten deelnemen aan de zitting, een processuele beslissing betreft die is voorbehouden aan de raadsheren die beslissen in de strafzaak tegen verzoekster. Deze beslissingen kunnen als zodanig niet tot een geslaagd beroep op wraking leiden. Uit de motivering die de voorzitter van de strafkamer heeft gegeven, die overeenkomt met de beslissingen die eerder zijn genomen, blijkt verder – naar objectieve maatstaven gemeten – geen vooringenomenheid. Dat blijkt evenmin uit het beperken van de correspondentie of uit het versturen van de dagvaardingen naar verkeerde adressen. Tot slot kan het vermoeden van verzoekster dat de medewerkers van de strafgriffie bewust de namen van de behandelend raadsheren niet hebben willen doorgeven, voor zover dat vermoeden juist zou zijn, niet worden toegerekend aan de raadsheren tegen wie dit wrakingsverzoek is gericht.
2.9
Het voorgaande maakt dat het wrakingsverzoek van verzoekster zal worden afgewezen.
2.10
Verzoekster heeft verschillende malen op min of meer gelijkluidende gronden tevergeefs om wraking van de behandelende raadsheren verzocht. Om misbruik van de mogelijkheid tot wraking te voorkomen, zal het hof op de voet van artikel 515 lid 4 Sv bepalen dat in deze zaken een volgend verzoek tot wraking aan de zijde van verzoekster dat is ingediend op dezelfde gronden als in deze wrakingsprocedure aan de orde zijn, niet in behandeling zal worden genomen.
3
3. De beslissing
Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mrs. H.J. Deuring, mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters af.
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoekster in deze zaken dat is ingediend op dezelfde gronden als in deze wrakingsprocedure aan de orde zijn, niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H. de Hek, R.F.C. Spek en G.A. Versteeg, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).
Mrs. Spek en Versteeg zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Voorzitter Griffier
mr. H. de Hek mr. G.J. Rauw
Zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.