Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:230

2026-01-13 Civiel recht W200.353.217-02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-01-13
Publicatiedatum
2026-01-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
W200.353.217-02
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek in hoger beroep familierecht

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.073 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden



wrakingskamer



zaaknummer gerechtshof 200.353.217/02





beslissing van 13 januari 2026




op het verzoek van:





[naam 1]
,
wonende te [woo] ,
verzoeker in het wrakingsincident,
hierna: verzoeker,
advocaat: mr. P. Sipma te Drachten




dat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:




Mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.






1Het verloop van de procedure

1.1
Bij de afdeling familierecht van het hof is onder zaaknummer 200.353.217/01 een procedure aanhangig tussen verzoeker en zijn ex-partner over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling met betrekking tot hun zoon.



1.2
Op 28 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, waar de zaak inhoudelijk is behandeld. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is door het hof aan partijen verstrekt.


1.3
Verzoeker heeft vervolgens bij verzoekschrift van 28 oktober 2025, per brief ingekomen ter griffie van het hof op 30 oktober 2025, een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheer.



1.4
De gewraakte raadsheer heeft niet in de wraking berust. Zij heeft bij verweerschrift, per e-mail ingekomen ter griffie van het hof op 27 november 2025, op het wrakingsverzoek gereageerd.



1.5
De raadsman van de ex-partner heeft eveneens schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.





1.6
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 17 december 2025 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze behandeling verschenen en heeft het verzoek mondeling toegelicht. De gewraakte raadsheer is niet verschenen.






2De beoordeling van het verzoek



De ontvankelijkheid van het verzoek




2.1.
Op grond van artikel 37 lid 1 Rv wordt het verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.



2.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. De feiten en omstandigheden die aan het wrakingsverzoek ten grondslag liggen, hebben zich op de zitting van 28 oktober 2025 voorgedaan. Verzoeker heeft dit ter zitting van het onderhavige wrakingsverzoek bevestigd en heeft toegelicht dat hij het wrakingsverzoek tijdens de zitting had gedaan als hij geweten had dat dit mogelijk was. Kort na de zitting is door verzoeker alsnog een wrakingsverzoek ingediend waarin is aangegeven dat in die feiten en omstandigheden aanleiding tot wraking werd gezien. Dit maakt dat het verzoek tijdig is gedaan in de zin van artikel 37 lid 1 Rv.



De gronden van het wrakingsverzoek





2.3.
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd:


De raadsheer sprak en handelde uit emotie nadat verzoeker had gezegd dat zijn ex-partner geen moeder was. De intonatie van haar stem, de blik in haar ogen en de manier hoe ze tegen verzoeker sprak was vanuit emotie en als moeder/ouder zijnde in plaats van haar rechterlijke functie. Daarbij hanteerde de gewraakte raadsheer geen neutrale houding en heeft ze niet professioneel gehandeld.


De raadsheer heeft verzoeker bij bepaalde onderwerpen en pleidooien niet de gelegenheid gegeven om deze toe te lichten. Ook werden alleen de negatieve punten behandeld uit het dossier en werd er niet gekeken inhoudelijk naar de afgelopen vier jaar wat verzoeker wel in het belang van zoon heeft gedaan.


De raadsheer heeft verzoeker onterecht ervan beschuldigd dat veel problemen van de zoon bij verzoeker vandaan komen zonder dat verder toe te lichten of te onderbouwen, terwijl er wel een gegronde reden of onderbouwing nodig is voordat een raadsheer een mening mag hebben of een eventuele beschuldiging mag doen.





2.4.
Ter zitting heeft verzoeker nog toegelicht dat hij het gevoel heeft dat hij als man tegenover een volledig vrouwelijke samenstelling van het hof benadeeld wordt.



Het standpunt van de raadsheer





2.5.
De gewraakte raadsheer geeft als toelichting dat zij tijdens de zitting heeft uiteengezet hoe de zitting zou gaan verlopen, waarbij eerst de advocaten gelegenheid hadden tot spreektijd, daarna vragen door het hof zouden worden gesteld aan partijen, waarna de advocaten een tweede termijn zouden krijgen en de ouders aan het einde nog de gelegenheid hadden om nog kort wat te zeggen. Er was geen afzonderlijke tijd ingepland voor de ouders om hun punten te onderbouwen. Tijdens de zitting heeft de gewraakte raadsheer negatieve uitlatingen van de ene over de andere ouder zoveel mogelijk willen beperken om de goede orde te bewaren en om te komen tot een constructieve sfeer in het belang van hun zoon. De stelling dat ze de vader heeft beschuldigd dat veel problemen bij hem vandaan komen is onjuist. Ook vindt de raadsheer dat ze zich professioneel heeft gedragen door de zaak uitstekend voor te bereiden en kritische vragen te stellen tijdens de mondelinge behandeling. Het zou goed kunnen dat zij emotie heeft laten zien tijdens de zitting, maar dit was niet zodanig dat hierin objectief gezien een zwaarwegende aanwijzing schuilt dat zij jegens de vader vooringenomen zou zijn.



Beoordelingskader





2.6.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek tegen deze achtergrond beoordelen.



Oordeel van de wrakingskamer





2.7.

De wrakingskamer is van oordeel dat uit de gedragingen en uitlatingen van de gewraakte raadsheer tijdens de zitting – naar objectieve maatstaven gemeten – geen vooringenomenheid blijkt. Het hof stelt vast dat het in de onderliggende zaak gaat om het vaststellen van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling van de zoon van verzoeker en zijn ex-partner, waarbij de zaak al vier jaren duurt, verzoeker en zijn ex partner in een strijd over hun zoon verwikkeld zijn geraakt en niet ter discussie staat dat het niet goed gaat met de zoon van verzoeker en zijn ex-partner. Deze aard en de duur van het geschil kan met zich brengen dat door de raadsheren aan de ouders, nog meer dan gebruikelijk, kritische en indringende vragen mogen worden gesteld in het belang van het kind. Daarbij mogen ook suggesties worden gedaan dat bepaalde problemen van het kind door één of beide ouders worden veroorzaakt, versterkt of in stand gehouden. Uit het proces verbaal volgt dat het hof partijen indringend heeft bevraagd, hetgeen gelet op de aard en de duur van het geschil passend kan zijn. Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt uit het proces verbaal niet, dat uit deze indringende bevraging een partijdigheid of vooringenomenheid volgt. Het beperken van de spreektijd van de ouders met als doel om een constructieve sfeer te creëren op zitting valt ook onder deze bevoegdheid van het hof. Dat verzoeker dit als onprettig heeft ervaren en subjectief het gevoel heeft gekregen dat daarmee de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid is gewekt, wil niet zeggen dat dit objectief bezien ook het geval is. Daarbij weegt de wrakingskamer mee dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat niet alleen verzoeker, maar ook zijn ex partner kritisch is ondervraagd tijdens de zitting. Dat de raadsheer tijdens de zitting emotie heeft getoond doet aan het voorgaande niet af.
De grond dat verzoeker zich als man gediscrimineerd dan wel benadeeld voelt, is niet opgenomen in het wrakingsverzoek. Dit is ook door verzoeker erkend tijdens de wrakingszitting. Deze grond zal daarom bij de beoordeling buiten beschouwing blijven, wat daar verder ook van zij.




2.8.

Het voorgaande maakt dat het wrakingsverzoek van verzoeker zal worden afgewezen.


De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):



wijst het verzoek tot wraking van mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H. de Hek, R.F.C. Spek en G.A. Versteeg, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.




Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39 lid 5 Rv).



Mrs. Spek en Versteeg zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.



Voorzitter Griffier




mr. H. de Hek mr. G.J. Rauw