Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:2287

2026-04-16 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.358.590/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-04-16
Publicatiedatum
2026-04-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.358.590/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewind en mentorschap. Bekrachtigen beslissingen kantonrechter, opheffing mentorschap.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.869 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.358.590/01
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 11648505 en 11647793)




beschikking van 16 april 2026




in de zaak van





[verzoekster] (de betrokkene), wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. R.W.A. Offermanns te Almere.




Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:





1HBCM Laren B.V. (de bewindvoerder en de mentor),
gevestigd te Laren,




2GGD Flevoland,
gevestigd te Lelystad,




3 [belanghebbende1] (moeder van de betrokkene),
wonende te [woonplaats2] (Frankrijk).




4 [belanghebbende2] (broer van de betrokkene),
wonende te Griekenland,



5
5. [belanghebbende3] (halfzus van de betrokkene),
wonende te [woonplaats3] ,




6 [belanghebbende4] (halfzus van de betrokkene),
wonende te [woonplaats4] ,




7 [belanghebbende5] (halfzus van de betrokkene),wonende te [woonplaats1] .





1De procedure in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.





2Het geding in hoger beroep


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 13 augustus 2025;
- een brief namens de betrokkene van 5 oktober 2025 met bijlage(n);
- de zienswijze van GGD Flevoland;- een brief namens de betrokkene van 23 februari 2026 met bijlage(n).



2.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 februari 2026 plaatsgevonden. De betrokkene
is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Verder zijn verschenen een vertegenwoordiger van GGD Flevoland en twee medewerkers van HBCM Laren B.V.







3De feiten


3.1

De betrokkene is geboren [in] 1993. Zij is vanaf 2018 bekend bij GGD
Flevoland.



3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 14 april 2025 heeft GGD
Flevoland verzocht een mentorschap over de betrokkene in te stellen en een bewind in te stellen over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de betrokkene en HBCM Laren B.V. tot mentor en bewindvoerder te benoemen.




3.3

Bij de bestreden beschikking van 13 mei 2025 (zaaknummer 11648505) is met ingang
van de dag na de datum van verzending van die beschikking een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene vanwege de geestelijke of lichamelijke toestand van de betrokkene en is HBCM Laren B.V. tot mentor benoemd.




3.4

Bij de bestreden beschikking eveneens van 13 mei 2025 (zaaknummer 11647793) is
met ingang van de dag na de datum van verzending van die beschikking een bewind ingesteld over de goederen die de betrokkene (zullen) toebehoren vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand en is HBCM Laren B.V. tot bewindvoerder genoemd. Bepaald is dat het bewind wordt ingeschreven in het openbare Centrale Curatele- en bewindregister zoals bedoeld in artikel 1:391 BW.







4De omvang van het geschil


De betrokkene is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden
beschikkingen. De betrokkene verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw beschikkende de verzoeken tot het instellen van een bewind en een mentorschap alsnog af te wijzen.






5De motivering van de beslissing



bewind



5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de
kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren

a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.



mentorschap




5.2

Ingevolge artikel 1:450 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter
indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen

ten aanzien van het bewind




5.3

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen en
terecht een onderbewindstelling heeft uitgesproken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er bij de betrokkene grote financiële problemen zijn ontstaan. Zij is gestopt met het betalen van haar huur en hierdoor is een dusdanig hoge huurachterstand ontstaan, dat een vonnis tot ontruiming is gegeven. De uitvoering hiervan is afgewend door de betalingsregeling die de bewindvoerder heeft getroffen. Voor zover de betrokkene vindt dat zij zelf in staat is haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen, is het hof daarvan onvoldoende overtuigd geraakt.



5.4

De betrokkene heeft voor haar problemen de Koning aangeschreven met het verzoek
haar 2 miljard euro over te maken, en te voldoen aan haar uitgebreide eisen- en wensenlijst voor verbetering van haar leven. Blijkens deze wensenlijst heeft de betrokkene zeer onrealistische wensen voor de invulling van haar leven. Deels ziet zij in dat zij daar de middelen niet voor heeft maar tegelijk lijkt zij te leven in een droomwereld waarbij het hof het risico groot acht dat wanneer de betrokkene zelf weer over haar financiën gaat beschikken, zij onverantwoorde uitgaven gaat doen, zoals een dure reis naar Thailand maken. Ook is het hof er niet van overtuigd dat zij de getroffen betalingsregeling zal nakomen, waardoor het vonnis tot ontruiming tot uitvoering gebracht gaat worden en zij dakloos zal raken. Ter zitting van het hof gaf de betrokkene daarover namelijk aan dat ze bezwaar heeft tegen het betalen van de proceskosten die het vonnis tot ontruiming met zich heeft gebracht.




ten aanzien van het mentorschap




5.5

Het hof is, gelet ook op wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat de kantonrechter
terecht heeft geoordeeld dat de gronden voor het instellen van een mentorschap aanwezig zijn. Het mentorschap is sinds de instelling ervan echter niet van de grond gekomen. Betrokkene volgt geen behandeling bij de GGD. Zij is van mening dat zij geen hulp nodig heeft en zelf verantwoordelijkheid kan dragen voor de beslissingen in haar leven. Er komt dan ook geen samenwerking tot stand tussen de mentor en de betrokkene. Betrokkene laat zich bovendien op social media zeer grensoverschrijdend uit over de mentor. Zowel de mentor als GGD Flevoland zijn van mening dat voortzetting van het mentorschap geen zin heeft. Het hof zal, nu voortzetting van het mentorschap niet zinvol is, het mentorschap opheffen.







6De slotsom


Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.





7De beslissing


Het hof, beschikkende in hoger beroep:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 mei 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11647793;



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 mei 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11648505;



heft op per heden het mentorschap over [verzoekster] .





Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. Pieters en mr. M. Bootsma, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.