Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:2254
2026-04-03
Bestuursrecht
200.363.842
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing wrakingsverzoek
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.947 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.363.842/01
beslissing van 3 april 2026
op het verzoek van:
[naam 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het wrakingsincident,
hierna: verzoekster,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) juncto artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
mr. J.J. Beswerda,
raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij de afdeling Mulderzaken van het hof is onder zaaknummer 200.355.777/01 een procedures (hierna: Mulder-procedure) aanhangig tegen verzoekster.
1.2.
Verzoekster heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 januari 2026, een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheer.
1.3.
Mr. Beswerda heeft niet in de wraking berust. Mr. Beswerda heeft per e-mailbericht een toelichting gegeven, die op 22 januari 2026 bij het hof is binnengekomen.
1.4.
Verzoekster heeft op 19 februari 2026 een uitstelverzoek gedaan voor de mondelinge behandeling die stond gepland op 20 februari 2026. Het verzoek is bij e-mailbericht van 19 februari 2026 (eenmalig) toegewezen.
1.5.
Verzoekster heeft op 20 februari 2026 een uitstelverzoek gedaan. Dit verzoek is bij e-mailbericht van 23 februari 2026 afgewezen.
1.6.
Verzoekster heeft op 19 maart 2026 een uitstelverzoek gedaan. Dit verzoek is bij e-mailbericht van 19 maart 2026 afgewezen.
1.7.
Verzoekster heeft op 20 maart 2026, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, per e-mailbericht een nadere toelichting gegeven op de wrakingsgronden.
1.8.
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 20 maart 2026 behandeld door de wrakingskamer. Verzoekster en de gewraakte raadsheer zijn bij deze behandeling niet verschenen.
1.9.
Verzoekster heeft op 20 maart 2026 een e-mailbericht gestuurd. Het e-mailbericht is ingekomen na sluiting van de mondelinge behandeling. Het hof ziet in de inhoud van het bericht geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen.
2De beoordeling van het verzoek
Vooraf
2.1.
Verzoekster heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling (meermaals) om aanhouding verzocht vanwege de lopende klachtprocedure en haar onmogelijkheid om fysiek aanwezig te zijn. Nu de klachtbehandeling niet gaat over de partijdigheid van mr. Beswerda, is die lopende klachtprocedure geen reden om de wrakingsprocedure aan te houden. Daarnaast constateert de wrakingskamer dat aan verzoekster eenmaal eerder uitstel van de behandeling van het wrakingsverzoek is verleend. Aan verzoekster is op 19 februari 2026 medegedeeld dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek eenmaal aangehouden zou worden en dat zij, als zij nogmaals verhinderd zou zijn, voor een vertegenwoordiger zou moeten zorgen. Daarom vormt haar verhindering evenmin reden voor verdere aanhouding van de wrakingsprocedure.
De ontvankelijkheid van het verzoek
2.2.
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht verzoekster ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.3.
Verzoekster stelt dat er in haar Mulderprocedure tegenstrijdige informatie wordt gegeven, dan wel dat informatie niet of niet tijdig wordt verstrekt. Zo stelt verzoekster dat de naam van de behandelend raadsheer niet is medegedeeld, de track & trace informatie niet werd doorgezonden en de taal waarin de procedure gevoerd zou worden niet duidelijk was. Daarnaast stelt verzoekster dat de gewraakte raadsheer ten onrechte niet heeft gereageerd op procedurele fouten van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) en eveneens niet de klachtprocedure heeft willen afwachten.
De inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek
2.4.
Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
2.5.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.6.
Voor zover het wrakingsverzoek van verzoekster ziet op de communicatie vanuit het hof in de Mulderprocedure, constateert de wrakingskamer dat dit niet het handelen van de raadsheer betreft. Hieruit kan daarom niet de schijn van vooringenomenheid van hem worden afgeleid. Voor klachten over de communicatie is de klachtprocedure ingericht, die verzoekster inmiddels is gestart.
2.7.
Ten aanzien van het uitblijven van een reactie op verzoeksters kritiek op het handelen van het CVOM is de wrakingskamer van oordeel dat het debat daarover tijdens de mondelinge behandeling in de Mulderprocedure zal moeten plaatsvinden. Uit het feit dat mr. Beswerda hierover nog geen beslissing heeft genomen, kan daarom niet een schijn van voorningenomenheid worden afgeleid. Voor zover de raadsheer al beslissingen heeft genomen over handelen van het CVOM of de voortgang van de procedure, gelden deze als procesbeslissingen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een procesbeslissing geen gegronde reden voor wraking vormt, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. Daarvan is hier geen sprake. Het zelfde geldt ten aanzien van de beslissing op het verzoek om aanhouding van de Mulderprocedure in afwachting van de afronding van de klachtprocedure. Dit is een procesbeslissing, zodat die geen gegronde reden voor wraking vormt. Het wrakingsverzoek tegen de gewraakte raadsheer wordt daarom afgewezen.
3De beslissing
Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mr. Beswerda af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. R.F.C. Spek, G.A. Versteeg en C. Coster, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. van der Meer, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 17 Wahv juncto artikel 515 lid 6 Sv).
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.363.842/01
beslissing van 3 april 2026
op het verzoek van:
[naam 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het wrakingsincident,
hierna: verzoekster,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) juncto artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
mr. J.J. Beswerda,
raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij de afdeling Mulderzaken van het hof is onder zaaknummer 200.355.777/01 een procedures (hierna: Mulder-procedure) aanhangig tegen verzoekster.
1.2.
Verzoekster heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 januari 2026, een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheer.
1.3.
Mr. Beswerda heeft niet in de wraking berust. Mr. Beswerda heeft per e-mailbericht een toelichting gegeven, die op 22 januari 2026 bij het hof is binnengekomen.
1.4.
Verzoekster heeft op 19 februari 2026 een uitstelverzoek gedaan voor de mondelinge behandeling die stond gepland op 20 februari 2026. Het verzoek is bij e-mailbericht van 19 februari 2026 (eenmalig) toegewezen.
1.5.
Verzoekster heeft op 20 februari 2026 een uitstelverzoek gedaan. Dit verzoek is bij e-mailbericht van 23 februari 2026 afgewezen.
1.6.
Verzoekster heeft op 19 maart 2026 een uitstelverzoek gedaan. Dit verzoek is bij e-mailbericht van 19 maart 2026 afgewezen.
1.7.
Verzoekster heeft op 20 maart 2026, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, per e-mailbericht een nadere toelichting gegeven op de wrakingsgronden.
1.8.
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 20 maart 2026 behandeld door de wrakingskamer. Verzoekster en de gewraakte raadsheer zijn bij deze behandeling niet verschenen.
1.9.
Verzoekster heeft op 20 maart 2026 een e-mailbericht gestuurd. Het e-mailbericht is ingekomen na sluiting van de mondelinge behandeling. Het hof ziet in de inhoud van het bericht geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen.
2De beoordeling van het verzoek
Vooraf
2.1.
Verzoekster heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling (meermaals) om aanhouding verzocht vanwege de lopende klachtprocedure en haar onmogelijkheid om fysiek aanwezig te zijn. Nu de klachtbehandeling niet gaat over de partijdigheid van mr. Beswerda, is die lopende klachtprocedure geen reden om de wrakingsprocedure aan te houden. Daarnaast constateert de wrakingskamer dat aan verzoekster eenmaal eerder uitstel van de behandeling van het wrakingsverzoek is verleend. Aan verzoekster is op 19 februari 2026 medegedeeld dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek eenmaal aangehouden zou worden en dat zij, als zij nogmaals verhinderd zou zijn, voor een vertegenwoordiger zou moeten zorgen. Daarom vormt haar verhindering evenmin reden voor verdere aanhouding van de wrakingsprocedure.
De ontvankelijkheid van het verzoek
2.2.
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht verzoekster ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.3.
Verzoekster stelt dat er in haar Mulderprocedure tegenstrijdige informatie wordt gegeven, dan wel dat informatie niet of niet tijdig wordt verstrekt. Zo stelt verzoekster dat de naam van de behandelend raadsheer niet is medegedeeld, de track & trace informatie niet werd doorgezonden en de taal waarin de procedure gevoerd zou worden niet duidelijk was. Daarnaast stelt verzoekster dat de gewraakte raadsheer ten onrechte niet heeft gereageerd op procedurele fouten van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) en eveneens niet de klachtprocedure heeft willen afwachten.
De inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek
2.4.
Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
2.5.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.6.
Voor zover het wrakingsverzoek van verzoekster ziet op de communicatie vanuit het hof in de Mulderprocedure, constateert de wrakingskamer dat dit niet het handelen van de raadsheer betreft. Hieruit kan daarom niet de schijn van vooringenomenheid van hem worden afgeleid. Voor klachten over de communicatie is de klachtprocedure ingericht, die verzoekster inmiddels is gestart.
2.7.
Ten aanzien van het uitblijven van een reactie op verzoeksters kritiek op het handelen van het CVOM is de wrakingskamer van oordeel dat het debat daarover tijdens de mondelinge behandeling in de Mulderprocedure zal moeten plaatsvinden. Uit het feit dat mr. Beswerda hierover nog geen beslissing heeft genomen, kan daarom niet een schijn van voorningenomenheid worden afgeleid. Voor zover de raadsheer al beslissingen heeft genomen over handelen van het CVOM of de voortgang van de procedure, gelden deze als procesbeslissingen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een procesbeslissing geen gegronde reden voor wraking vormt, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. Daarvan is hier geen sprake. Het zelfde geldt ten aanzien van de beslissing op het verzoek om aanhouding van de Mulderprocedure in afwachting van de afronding van de klachtprocedure. Dit is een procesbeslissing, zodat die geen gegronde reden voor wraking vormt. Het wrakingsverzoek tegen de gewraakte raadsheer wordt daarom afgewezen.
3De beslissing
Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mr. Beswerda af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. R.F.C. Spek, G.A. Versteeg en C. Coster, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. van der Meer, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 17 Wahv juncto artikel 515 lid 6 Sv).