Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:2015

2026-04-02 Civiel recht; Insolventierecht 200.365.137/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-04-02
Publicatiedatum
2026-04-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.365.137/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omzetting faillissement naar Wsnp, toewijzing verzoek termijnverkorting, artikel 349a Fw en artikel 1.2 onder b Recofa-richtlijn voor schuldsaneringszaken.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.673 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht, handel



zaaknummer 200.365.137/01
(zaaknummer rechtbank [zaaknummer] )




arrest van 2 april 2026




inzake





[appellant]


die woont in [woonplaats]
saniet
hierna te noemen: [appellant]
advocaat: mr. E.P. Groot, die kantoor houdt in Groningen








1Het verloop van de procedure bij de rechtbank


1.1
Op 2 mei 2024 is op eigen aangifte het faillissement van [appellant] uitgesproken, met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en mr. A.L.S. Verhoog tot curator.



1.2

[appellant] heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De curator heeft laten weten het verzoek te ondersteunen.



1.3
In het vonnis van 12 februari 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het faillissement van [appellant] opgeheven en ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Het verzoek tot verkorting van de looptijd of een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.






2Het verloop van de procedure in hoger beroep


2.1
In een beroepschrift, ontvangen door de griffie van het hof op 17 februari 2026, heeft [appellant] verzocht dit vonnis in zoverre te vernietigen dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verkort, dan wel een eerdere ingangsdatum wordt bepaald.



2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van de curator, ontvangen door de griffie op 2 maart 2026.



2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook de curator is verschenen.






3De beoordeling


3.1

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarbij het faillissement wordt opgeheven en gelijktijdig de toepassing van de Wsnp wordt uitgesproken (artikel 15b Faillissementswet (hierna: Fw)). Tegen een dergelijk vonnis kan in beginsel op grond van artikel 15c Fw geen hoger beroep worden ingesteld. De beoordeling van het verzoek tot termijnverkorting, zoals hier tegelijkertijd is gedaan, valt echter niet onder de reikwijdte van het rechtsmiddelenverbod. Een dergelijk verzoek wordt namelijk beheerst door titel III van de Faillissementswet en daarin is geen uitsluiting van rechtsmiddelen voor een dergelijke beslissing opgenomen. Dat betekent dat [appellant] kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.



3.2
Artikel 349a Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt. Uit de tekst van artikel 349a Fw volgt dat de rechter-commissaris bevoegd is de termijn van de schuldsaneringsregeling te verkorten. De vraag is of de rechter die een faillissement ‘omzet’ in een schuldsaneringsregeling daartoe ook bevoegd is. In de tweede volzin van artikel 349a lid 1 Fw staat dat de (toelatings)rechter de termijn, in afwijking van de eerste volzin, op ten hoogste drieënhalf halfjaar kan stellen als de aard van de schulden daartoe aanleiding geeft of de schuldenaar niet aan al zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen. Het hof is van oordeel dat een redelijke en met de behoeften van de praktijk strokende uitleg van artikel 349a lid 1 Fw meebrengt dat de toelatingsrechter de termijn van de schuldsaneringsregeling niet alleen kan verlengen maar ook kan verkorten en daarvoor niet hoeft te verwijzen naar een procedure bij de rechter-commissaris.



3.3
Het hof neemt hierna artikel 1.2 onder b van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringszaken tot uitgangspunt. Daarin is vermeld dat de wettelijke termijn kan worden verkort als de schuldenaar in een faillissement voorafgaand aan de wettelijke schuldsaneringsregeling het meerdere boven het in de Wsnp geldende vrij te laten bedrag heeft afgedragen aan de boedel.



3.4
Uit de overgelegde stukken van de curator is gebleken dat [appellant] gedurende het faillissement vanaf 1 september 2025 volgens de Recofa-richtlijnen het meerdere boven het vrij te laten bedrag heeft afgedragen aan de faillissementsboedel. Gelet op deze omstandigheid ziet het hof reden om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verkorten met de periode van 1 september 2025 tot aan de omzetting, wat neerkomt op (afgerond) een verkorting van vijf maanden.



3.5
Het hof beslist als volgt.






4De beslissing


Het hof, recht doende in hoger beroep:



vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 12 februari 2026, voor zover daarin is bepaald dat het verzoek om termijnverkorting wordt afgewezen;



bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling 13 maanden bedraagt en daarmee eindigt op 12 maart 2027.



Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, C.P. Lunter en E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026.





Zie ECLI:NL:GHARL:2025:3075.