Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:1866
2026-03-27
Strafrecht
Wahv 200.363.127/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Proceskostenvergoeding. Omvang van het geding. Onjuiste wegingsfactor. Het hof stelt de hoogte van de proceskostenvergoeding opnieuw vast met inachtneming van de juiste wegingsfactor en gaat daarbij uit van het door de kantonrechter vastgestelde aantal punten en de door de kantonrechter toegepaste vermenigvuldigingsfactor, nu daarover niet is geklaagd (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:90).
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2025:253 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-01-2025
- ECLI:NL:HR:2026:90 Hoge Raad 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.323 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.363.127/01
CJIB-nummer
: 258753059
Uitspraak d.d.
: 27 maart 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 285,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 56,69.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) heeft toegepast. Dit had de wegingsfactor 0,5 moeten zijn.
2. De grond van de gemachtigde slaagt. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd wegens de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Daarmee is de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk gesteld en bestaat grond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Het uitgangspunt is dat ook in geval de matiging van het bedrag van de sanctie uitsluitend haar grondslag heeft in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, het gewicht van de zaak als licht moet worden aangemerkt (vgl. het arrest van het hof van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:253). Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zeer licht aan te merken.
3. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen voor wat betreft diens beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding en de hoogte van de proceskostenvergoeding - met inachtneming van de juiste wegingsfactor - opnieuw zal vaststellen.
4. Daarbij zal het hof uitgaan van het door de kantonrechter vastgestelde aantal punten en de waarde per punt hanteren zoals geldend ten tijde van het wijzen van dit arrest. Verder zal het hof de door de kantonrechter toegepaste vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv toepassen, nu in hoger beroep niet is aangevoerd dat die ten onterechte door de kantonrechter is toegepast (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:90). Aldus bedraagt de vergoeding voor de in de procedure bij de kantonrechter gemaakte proceskosten € 116,75 (= 1 x € 934,- x 0,5 x 0,25).
5. Naar het oordeel van het hof bestaat in het onderhavige geval tevens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de fase van het hoger beroep. De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep moeten instellen om de door hem geconstateerde fout in de toegekende proceskostenvergoeding te herstellen. Het is dan ook redelijk om voor het hoger beroep een proceskostenvergoeding toe te kennen.
6. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt voor de vaststelling van de vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 23,35 (= 1 x € 934,- x 0,25 x 0,1).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor wat betreft diens beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 140,10.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.363.127/01
CJIB-nummer
: 258753059
Uitspraak d.d.
: 27 maart 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 285,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 56,69.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) heeft toegepast. Dit had de wegingsfactor 0,5 moeten zijn.
2. De grond van de gemachtigde slaagt. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd wegens de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Daarmee is de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk gesteld en bestaat grond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Het uitgangspunt is dat ook in geval de matiging van het bedrag van de sanctie uitsluitend haar grondslag heeft in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, het gewicht van de zaak als licht moet worden aangemerkt (vgl. het arrest van het hof van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:253). Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zeer licht aan te merken.
3. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen voor wat betreft diens beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding en de hoogte van de proceskostenvergoeding - met inachtneming van de juiste wegingsfactor - opnieuw zal vaststellen.
4. Daarbij zal het hof uitgaan van het door de kantonrechter vastgestelde aantal punten en de waarde per punt hanteren zoals geldend ten tijde van het wijzen van dit arrest. Verder zal het hof de door de kantonrechter toegepaste vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv toepassen, nu in hoger beroep niet is aangevoerd dat die ten onterechte door de kantonrechter is toegepast (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:90). Aldus bedraagt de vergoeding voor de in de procedure bij de kantonrechter gemaakte proceskosten € 116,75 (= 1 x € 934,- x 0,5 x 0,25).
5. Naar het oordeel van het hof bestaat in het onderhavige geval tevens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de fase van het hoger beroep. De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep moeten instellen om de door hem geconstateerde fout in de toegekende proceskostenvergoeding te herstellen. Het is dan ook redelijk om voor het hoger beroep een proceskostenvergoeding toe te kennen.
6. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt voor de vaststelling van de vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 23,35 (= 1 x € 934,- x 0,25 x 0,1).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor wat betreft diens beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 140,10.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.