Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:1841

2026-03-26 Strafrecht 21-002427-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-03-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-002427-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vernietiging van het vonnis van de politierechter vanwege andere bewezenverklaring & OVAR. Beroep op vormverzuim vanwege onrechtmatig binnentreden wordt verworpen. Het hof is van oordeel dat de politieambtenaren de woning rechtmatig hebben betreden nu het binnentreden berust op het verlenen van hulp als bedoeld in artikel 7, tweede lid, Politiewet 2012. Het hof spreekt verdachte vervolgens bij het bewezenverklaarde verzet (weigeren toegang woning) vrij van de bestanddelen ‘geweld of bedreiging met geweld’ zoals genoemd in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Dit leidt tot OVAR.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.168 tekens)
Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002427-25
Uitspraakdatum: 26 maart 2026
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden. Gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 13 mei 2025 met parketnummer 18-388449-24 in de strafzaak tegen



[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] 1986 in [Geboorteplaats] ,
wonende te [Adres] .





Hoger beroep


Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.





Onderzoek van de zaak


Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 12 maart 2026 en wat er op de zitting bij de politierechter is besproken.



Het hof heeft verder kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter en veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.



Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J. Flach, hebben aangevoerd.





Het vonnis


De politierechter heeft bij bovengenoemd vonnis het tenlastegelegde bewezen verklaard, dit gekwalificeerd als wederspannigheid en verdachte hiervoor opgelegd een taakstraf van 20 uren, te vervangen door 10 dagen hechtenis wanneer die niet goed door verdachte wordt uitgevoerd en verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen breekijzer.



Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing ten aanzien van de bewezenverklaring dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.





Tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



hij op of omstreeks 5 december 2024 te [Plaats] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, [Verbalisant 1] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) , [Verbalisant 2] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) , [Verbalisant 3] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) en/of [Verbalisant 4] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten ter binnentreden van de woning van verdachte, door:

- de ambtenaren de toegang tot de woning te weigeren, dan wel te beletten en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een koevoet, in de richting van het gezicht/hoofd, dan wel het lichaam, van die [Verbalisant 1] te slaan en/of te zwaaien, in elk geval die [Verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of - meermalen, althans eenmaal, die [Verbalisant 1] in het gezicht en/of op het hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een been te trappen en/of te schoppen, in elk geval die [Verbalisant 1] heeft mishandeld.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.





Bewijsoverweging



Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vindt dat een bewezenverklaring van wederspannigheid kan volgen.



In dat kader is volgens de advocaat-generaal weliswaar sprake van een onherstelbaar vormverzuim, doordat de politieagenten op een onrechtmatige wijze de woning van verdachte zijn binnengetreden. Dat verzuim hoeft echter niet te leiden tot bewijsuitsluiting, maar het hof zou kunnen volstaan met de constatering daarvan.




Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte voert aan dat het binnentreden in de woning van verdachte onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Volgens de raadsvrouw is niet voldaan aan de eisen die de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi) stelt aan het handelen van de politie. De politie zou de woning van verdachte al zijn binnengetreden zonder zichzelf te legitimeren en zonder te melden dat er een machtiging tot binnentreden was. Ook is het doel van het binnentreden niet aan verdachte medegedeeld. Gelet hierop is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Door de onrechtmatige binnentreding is sprake van een schending van artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Dit brengt mee dat alle bewijsmiddelen die als gevolg van het binnentreden zijn verkregen van het bewijs moeten worden uitgesloten zodat vrijspraak moet volgen.



Daarnaast stelt de raadsvrouw van verdachte zich op het standpunt dat verdachte zich niet tegen het handelen van de politie heeft verzet. Verdachte heeft de politie enkel de toegang tot zijn woning geweigerd. Ook daarom moet verdachte worden vrijgesproken.




Oordeel van het hof





Binnentreden in de woning




Op basis van het dossier stelt het hof vast dat verdachte en zijn ex-partner in 2024 samen een dochter, [Dochter] , hebben gekregen en toen zij een aantal maanden oud was, uit elkaar zijn gegaan en apart van elkaar zijn gaan wonen. Op de avond van 5 december 2024 stonden na een melding van Veilig thuis 4 politieambtenaren en verdachte’s ex-partner voor de deur van zijn woning. De aanleiding voor dit bezoek was dat verdachte zijn dochter die middag had meegenomen naar zijn huis. De 6 maanden oude [Dochter] verbleef op dat moment bij haar oma, de moeder van verdachte. Nadat verdachte [Dochter] had meegenomen, hebben zowel de oma als haar moeder een melding gedaan bij de politie. De politie is vervolgens eerder die dag ook al naar de woning van verdachte gegaan voor bemiddeling. Verdachte wilde toen echter niet spreken met de politie. Hierna zijn nog een aantal meldingen gedaan bij de politie. De moeder van verdachte en verdachte’s ex-partner maakten zich namelijk zorgen over de veiligheid van [Dochter] en de psychische toestand van verdachte. Veilig Thuis heeft na intern overleg de politie laten weten dat in het belang van de veiligheid van [Dochter] , zij die avond nog uit de woning van verdachte gehaald moest worden. Vervolgens is er een machtiging tot binnentreden op basis van artikel 7, tweede lid Politiewet 2012 afgegeven en zijn 4 politieambtenaren naar de woning van verdachte gegaan.



In de Grondwet is het zogenoemde huisrecht vastgelegd dat voorschrijft dat het binnentreden in een woning zonder de toestemming van de bewoner alleen geoorloofd is in gevallen bij of krachtens de wet bepaald. Dit recht is ook verankerd in het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast vloeit uit artikel 2 EVRM de positieve verplichting van de overheid voort om ervoor te zorgen dat het leven van mensen niet in gevaar komt. De Politiewet 2012 bepaalt in dit kader dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het binnentreden ten behoeve van hulpverlening door de politie in een woning zonder toestemming van de bewoner gerechtvaardigd is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een individu directe hulp nodig heeft.



In dit geval berust de grondslag van het binnentreden van de politie niet op handhaving van de rechtsorde, maar op hulpverlening. Op basis van meerdere meldingen van de moeder en de oma, en de oproep van Veilig Thuis om [Dochter] uit de woning te halen, mocht de politie de woning van verdachte die avond binnengaan. Gelet op het vorenstaande was op dat moment sprake van een rechtmatige betreding van de woning op grond van artikel 7, tweede lid, Politiewet 2012 en waren de verbalisanten naar het oordeel van het hof in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.



Weliswaar heeft de politie niet (tijdig) gemeld aan verdachte daarnaast ook te beschikken over een machtiging tot binnentreden, noch hebben zij duidelijk het doel van binnentreden direct kenbaar gemaakt. Die omstandigheden doen echter niet af aan de rechtmatige betreding van de woning in het kader van de voornoemde hulpverlening. Het hof verwerpt het door de raadsvrouw gevoerde rechtmatigheidsverweer.

Wederspannigheid




Verdachte heeft op de zitting van het hof van 12 maart 2026 verklaard dat hij de politieagenten de toegang tot zijn woning heeft geweigerd en de agenten heeft belet binnen te komen door de deur van zijn woning dicht te doen. Verdachte heeft aangegeven dat hij bij het openen van de deur een kleine koevoet in handen had, maar dat hij daarmee niet in de richting van (het hoofd van) een politieagent heeft gezwaaid.



Ter zitting van het hof zijn de beelden van de bodycam van één van de agenten bekeken. Het hof kan op basis daarvan onvoldoende vaststellen dat verdachte zich met (bedreiging van) geweld heeft verzet, door te zwaaien met een koevoet richting het hoofd van een van de verbalisanten ( [Verbalisant 1] ). Ook kan het hof onvoldoende vaststellen dat verdachte die verbalisant heeft geslagen, geschopt en/of getrapt. Zichtbaar is dat er een worsteling is ontstaan tussen verdachte en 4 politieagenten. De 4 ambtenaren zijn daarbij in de hal van de woning bovenop verdachte gedoken, waarbij hij onder meer bij zijn armen is gegrepen. Verdachte is zijn woning uit getrokken en is tezamen met deze politieagenten op de grond van de galerij terecht gekomen. Het hof kan gelet hierop niet buiten redelijke twijfel vaststellen of verdachte de hem verweten handelingen vanuit een eigen wilsbeslissing heeft begaan. Gelet op de gang van zaken is bovendien met onvoldoende mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte degene is geweest die verbalisant [Verbalisant 1] heeft geschopt of dat het één van zijn collega’s is geweest die hem met de voet heeft geraakt. Het hof zal verdachte dan ook van deze onderdelen vrijspreken.



Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het tenlastegelegde verzet door de toegang tot de woning te weigeren. Hij gaf hiervan blijk door de deur van de woning te willen sluiten terwijl hij zag dat het politieagenten waren die voor de deur stonden en zij hadden gezegd met hem in zijn woning te willen praten. Het sluiten van de deur lukte niet omdat één van de agenten zijn voet tussen de deur deed.
Nadrukkelijk is echter niet gesteld of gebleken dat verdachte daarna alsnog heeft geprobeerd de deur te sluiten of heeft gezegd dat hij, bij het niet weghalen van de voet, de deur alsnog (zou proberen) te sluiten. Van verzet met geweld of bedreiging met geweld is daarom niet gebleken. Van dat deel van het ten laste gelegde zal verdachte daarom (eveneens) worden vrijgesproken.




Bewijsmiddelen



1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 12 maart 2026;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2024, opgenomen op de pagina’s 16 tot en met 19 van het procesdossier;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2025, opgenomen op de pagina’s 24 tot en met 31 van het procesdossier.



Bewezenverklaring


Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:



hij op 5 december 2024 te [Plaats] , zich heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, [Verbalisant 1] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) , [Verbalisant 2] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) , [Verbalisant 3] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) en [Verbalisant 4] (hoofdagent bij de Eenheid [Locatie] ) , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten ter binnentreden van de woning van verdachte, door:
- de ambtenaren de toegang tot de woning te weigeren, dan wel te beletten.



Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het hof stelt vast dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert.



In artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht is, voor zover relevant, bepaald dat verzet strafbaar is als wederspannigheid wanneer verdachte zich met geweld of bedreiging met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,



Het hof heeft de voor wederspannigheid vereiste bestanddelen ‘geweld’ en ‘bedreiging met geweld’ echter niet bewezen verklaard. Hierdoor is geen sprake van een strafbaar feit in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof ontslaat verdachte daarom van alle rechtsvervolging.





Beslag


Nu de verdachte afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven breekijzer, hoeft het hof hierover niet meer te beslissen.





BESLISSING


Het hof:




vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.




Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.




Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarom van alle rechtsvervolging.
















































Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, voorzitter, mr. T.H. Bosma en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. B.S. Hofstede en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 maart 2026.




Zoals voortvloeit uit artikel 7, tweede lid, van de Politiewet 2012 en artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.


Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal worden daarmee, tenzij anders aangegeven, steeds bedoeld processen-verbaal die in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren zijn opgemaakt en zijn opgenomen in het politiedossier van de politie Eenheid [Locatie] met registratienummer PL0100-2024333044-2 dat op 17 januari 2025 op ambtsbelofte is ondertekend en afgesloten door verbalisant [Verbalisant 5] , hoofdagent bij Politie Eenheid [Locatie] .