Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:1629
2026-03-17
Civiel recht; Insolventierecht
200.361.880
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 354 en artikel 358 Faillissementswet Beëindiging wsnp onder toekenning van de schone lei.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BI0455 Hoge Raad 12-06-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.502 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.880
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht [zaaknummer]
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[de man]
en
[de vrouw]
,
die beiden wonen in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
hierna: [de man] en [de vrouw]
advocaat: mr. J.M. van der Linden
1De procedure bij de rechtbank
1.1.
Bij vonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) [de man] en [de vrouw] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp). Hierbij is [naam1] benoemd tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder).
1.2.
Bij vonnis van 17 november 2025 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de toepassing van de wsnp van [de man] en [de vrouw] beëindigd zonder dat daarbij aan hen de zogenoemde schone lei is verleend.
2De procedure bij het hof
2.1.
Door middel van een op 25 november 2025 bij het hof binnengekomen beroepschrift hebben [de man] en [de vrouw] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep van [de man] en [de vrouw] is dat het hof het vonnis vernietigt en de wsnp beëindigt met verlening van de schone lei, dan wel de wsnp verlengt.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift met bijlage;
- het bericht van mr. Van der Linden van 13 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van de bewindvoerder van 20 januari 2026 met bijlagen;
- het bericht van mr. Van der Linden van 25 januari 2026 met bijlagen;
- het bericht van de bewindvoerder van 26 januari 2026;
- het bericht van de bewindvoerder van 3 februari 2026 met bijlage;
- het bericht van mr. Van der Linden van 6 februari 2026 met bijlage;
- het bericht van de bewindvoerder van 6 maart 2026 met bijlage.
2.3.
Op verzoek van [de man] en [de vrouw] en met instemming van de bewindvoerder is de mondelinge behandeling bij het hof die stond gepland voor 27 januari 2026 niet doorgegaan.
2.4.
In haar bericht van 3 februari 2026 heeft de bewindvoerder het hof verzocht alsnog een mondelinge behandeling te bepalen. In hun bericht van 6 februari 2026 hebben [de man] en [de vrouw] bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Zij hebben het hof verzocht af te zien van een mondelinge behandeling en arrest te wijzen op basis van de informatie waarover het hof op 27 januari 2026 beschikte. Op 11 februari 2026 heeft het hof partijen geïnformeerd dat alsnog een mondelinge behandeling zal worden bepaald. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het zijn beslissing of aan [de man] en [de vrouw] de schone lei kan worden verleend, moet baseren op de toestand zoals die geldt op het moment van de uitspraak. Aan de hand van de berichten van de bewindvoerder en [de man] en [de vrouw] was het hof onvoldoende geïnformeerd over de actuele stand van de boedelachterstand.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Hierbij zijn verschenen [de man] en [de vrouw] , bijgestaan door hun advocaat mr. Van der Linden. Verder zijn verschenen de bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder van Prisma Bewindvoering de heer [X] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van der Linden spreekaantekeningen overgelegd.
3De motivering van de beslissing in hoger beroep
De feiten
3.1.
[de man] en [de vrouw] zijn gehuwd en hebben zes inwonende kinderen. Met ingang van 2 oktober 2024 zijn de goederen van [de man] en [de vrouw] onder beschermingsbewind gesteld. In eerste instantie was Telos Bewind en Advies B.V. aangesteld als beschermingsbewindvoerder. Inmiddels is dat Prisma Bewindvoering (hierna: de beschermingsbewindvoerder).
3.2.
Tijdens de wsnp zijn nieuwe schulden ontstaan. Volgens de opgaven van de bewindvoerder bedroeg het saldo aan nieuwe schulden ten tijde van de eindzitting bij de rechtbank € 3.415,37 (waarin, zo blijkt uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift, € 2.004,00 ten onrechte was opgenomen) en op 20 januari 2026 nog € 556,37.
3.3.
Tijdens de wsnp is ook een boedelachterstand ontstaan. Volgens de opgaven van de bewindvoerder bedroeg deze achterstand ten tijde van de eindzitting bij de rechtbank € 902,34 en was de boedelachterstand op 20 januari 2026 nog € 552,34.
3.4.
Bij het einde van de (reguliere) looptijd van de wsnp heeft de bewindvoerder aan de rechtbank voorgesteld dat de looptijd van de wsnp wordt verlengd met twee jaar om [de man] en [de vrouw] de mogelijkheid te bieden de nieuwe schulden en de boedelachterstand in te lopen. Daarbij heeft de bewindvoerder als voorwaarde gesteld dat [de man] en [de vrouw] onder beschermingsbewind (blijven) staan.
3.5.
Op 23 januari 2026 heeft de beschermingsbewindvoerder de op dat moment door de bewindvoerder aangegeven boedelachterstand voldaan op de boedelrekening. Diezelfde dag heeft de beschermingsbewindvoerder laten weten dat [de man] en [de vrouw] voldoende saldo beschikbaar hadden om het restant bedrag aan nieuwe schulden volledig te kunnen voldoen. Daarbij heeft de beschermingsbewindvoerder geschreven dat de resterende nieuwe schulden worden betaald zodra de betaalgegevens bij hem bekend zijn. Op basis van deze informatie van de beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder op 26 januari 2026 bevestigd aan het hof dat [de man] en [de vrouw] strikt genomen hebben voldaan aan de verplichtingen in de wsnp. Daarbij heeft de bewindvoerder aangegeven dat wat haar betreft de schone lei kan worden verleend aan [de man] en [de vrouw] .
3.6.
Op 3 februari 2026 heeft de bewindvoerder het hof geïnformeerd dat zij in haar bericht van 26 januari 2026 ten onrechte heeft ingestemd met het niet doorgaan van de mondelinge behandeling en het verlenen van de schone lei aan [de man] en [de vrouw] . De bewindvoerder heeft toegelicht dat uit de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2024 van [de man] en [de vrouw] alsnog een boedelachterstand van € 2.064,58 volgde, omdat zowel [de man] als [de vrouw] een teruggave hebben ontvangen van de Belastingdienst. Van de beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder begrepen dat het bedrag van € 2.064,58 niet meteen op de boedelrekening kon worden gestort.
3.7.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de bewindvoerder bevestigd dat de boedelachterstand van € 2.064,58 alsnog op 7 maart 2026 is betaald op de boedelrekening. Daarnaast heeft bewindvoerder bevestigd dat de beschermingsbewindvoerder de hiervoor in 3.2 genoemde nieuwe schulden volledig heeft betaald.
Het oordeel van de rechtbank
3.8.
De rechtbank heeft de wsnp beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank zijn [de man] en [de vrouw] tekortgeschoten in de nakoming van de voor hen in het kader van de wsnp geldende afdrachtplicht en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van het bedrag van € 3.415,37 aan nieuwe schulden en het bedrag van € 902,34 aan boedelachterstand. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze tekortkomingen kunnen worden toegerekend aan [de man] en [de vrouw] en, kort gezegd, te ernstig zijn om buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft ervan afgezien de looptijd van de wsnp te verlengen omdat zij weinig vertrouwen had in een goede afwikkeling van een verlengde wsnp.
Het standpunt van [de man] en [de vrouw]
3.9.
[de man] en [de vrouw] kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. In aanvulling op wat zij hebben aangevoerd in hun beroepschrift en hun bericht van 25 januari 2026 hebben [de man] en [de vrouw] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat de boedelachterstand en de nieuwe schulden inmiddels zijn ingelopen. Dit betekent volgens [de man] en [de vrouw] dat de wsnp moet worden beëindigd onder toekenning van de schone lei.
Het oordeel van het hof
3.10.
Het hof zal de wsnp beëindigen en [de man] en [de vrouw] de schone lei verlenen. Het hof legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
3.11.
Op grond van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) moet bij het einde van de wsnp-termijn worden beoordeeld of de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de regeling voortvloeiende verplichtingen en, als dat zo is, of de tekortkoming aan hem kan worden toegerekend. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of de tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar heeft ontbroken aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Als er sprake is van een toerekenbare tekortkoming kan de rechter bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (artikel 354 lid 2 Fw).
3.12.
Het hof stelt vast dat de nieuwe schulden die tijdens de looptijd van de wsnp zijn ontstaan, volledig zijn voldaan. Daarnaast stelt het hof vast dat ook de boedelachterstand inmiddels volledig is ingelopen door [de man] en [de vrouw] . Dit betekent dat er voor wat betreft de nieuwe schulden en de boedelafdracht geen sprake meer is van een tekortkoming in de nakoming van een wsnp verplichting. [de man] en [de vrouw] zijn daarom niet (meer) tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen. Dat brengt mee dat aan hen de schone lei wordt verleend (artikel 358 Fw).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 17 november 2025 en beslist als volgt;
4.2.
stelt vast dat [de man] en [de vrouw] niet zijn tekort geschoten in de nakoming van de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
4.3.
verstaat dat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend wordt, waarna de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt conform artikel 358 lid 1 Fw niet langer afdwingbaar zijn en dat daarmee aan [de man] en [de vrouw] de schone lei wordt verleend.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, N.M. Brouwer en A.E. de Vos en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
Hoge Raad 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455.
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.880
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht [zaaknummer]
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[de man]
en
[de vrouw]
,
die beiden wonen in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
hierna: [de man] en [de vrouw]
advocaat: mr. J.M. van der Linden
1De procedure bij de rechtbank
1.1.
Bij vonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) [de man] en [de vrouw] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp). Hierbij is [naam1] benoemd tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder).
1.2.
Bij vonnis van 17 november 2025 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de toepassing van de wsnp van [de man] en [de vrouw] beëindigd zonder dat daarbij aan hen de zogenoemde schone lei is verleend.
2De procedure bij het hof
2.1.
Door middel van een op 25 november 2025 bij het hof binnengekomen beroepschrift hebben [de man] en [de vrouw] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep van [de man] en [de vrouw] is dat het hof het vonnis vernietigt en de wsnp beëindigt met verlening van de schone lei, dan wel de wsnp verlengt.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift met bijlage;
- het bericht van mr. Van der Linden van 13 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van de bewindvoerder van 20 januari 2026 met bijlagen;
- het bericht van mr. Van der Linden van 25 januari 2026 met bijlagen;
- het bericht van de bewindvoerder van 26 januari 2026;
- het bericht van de bewindvoerder van 3 februari 2026 met bijlage;
- het bericht van mr. Van der Linden van 6 februari 2026 met bijlage;
- het bericht van de bewindvoerder van 6 maart 2026 met bijlage.
2.3.
Op verzoek van [de man] en [de vrouw] en met instemming van de bewindvoerder is de mondelinge behandeling bij het hof die stond gepland voor 27 januari 2026 niet doorgegaan.
2.4.
In haar bericht van 3 februari 2026 heeft de bewindvoerder het hof verzocht alsnog een mondelinge behandeling te bepalen. In hun bericht van 6 februari 2026 hebben [de man] en [de vrouw] bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Zij hebben het hof verzocht af te zien van een mondelinge behandeling en arrest te wijzen op basis van de informatie waarover het hof op 27 januari 2026 beschikte. Op 11 februari 2026 heeft het hof partijen geïnformeerd dat alsnog een mondelinge behandeling zal worden bepaald. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het zijn beslissing of aan [de man] en [de vrouw] de schone lei kan worden verleend, moet baseren op de toestand zoals die geldt op het moment van de uitspraak. Aan de hand van de berichten van de bewindvoerder en [de man] en [de vrouw] was het hof onvoldoende geïnformeerd over de actuele stand van de boedelachterstand.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Hierbij zijn verschenen [de man] en [de vrouw] , bijgestaan door hun advocaat mr. Van der Linden. Verder zijn verschenen de bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder van Prisma Bewindvoering de heer [X] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van der Linden spreekaantekeningen overgelegd.
3De motivering van de beslissing in hoger beroep
De feiten
3.1.
[de man] en [de vrouw] zijn gehuwd en hebben zes inwonende kinderen. Met ingang van 2 oktober 2024 zijn de goederen van [de man] en [de vrouw] onder beschermingsbewind gesteld. In eerste instantie was Telos Bewind en Advies B.V. aangesteld als beschermingsbewindvoerder. Inmiddels is dat Prisma Bewindvoering (hierna: de beschermingsbewindvoerder).
3.2.
Tijdens de wsnp zijn nieuwe schulden ontstaan. Volgens de opgaven van de bewindvoerder bedroeg het saldo aan nieuwe schulden ten tijde van de eindzitting bij de rechtbank € 3.415,37 (waarin, zo blijkt uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift, € 2.004,00 ten onrechte was opgenomen) en op 20 januari 2026 nog € 556,37.
3.3.
Tijdens de wsnp is ook een boedelachterstand ontstaan. Volgens de opgaven van de bewindvoerder bedroeg deze achterstand ten tijde van de eindzitting bij de rechtbank € 902,34 en was de boedelachterstand op 20 januari 2026 nog € 552,34.
3.4.
Bij het einde van de (reguliere) looptijd van de wsnp heeft de bewindvoerder aan de rechtbank voorgesteld dat de looptijd van de wsnp wordt verlengd met twee jaar om [de man] en [de vrouw] de mogelijkheid te bieden de nieuwe schulden en de boedelachterstand in te lopen. Daarbij heeft de bewindvoerder als voorwaarde gesteld dat [de man] en [de vrouw] onder beschermingsbewind (blijven) staan.
3.5.
Op 23 januari 2026 heeft de beschermingsbewindvoerder de op dat moment door de bewindvoerder aangegeven boedelachterstand voldaan op de boedelrekening. Diezelfde dag heeft de beschermingsbewindvoerder laten weten dat [de man] en [de vrouw] voldoende saldo beschikbaar hadden om het restant bedrag aan nieuwe schulden volledig te kunnen voldoen. Daarbij heeft de beschermingsbewindvoerder geschreven dat de resterende nieuwe schulden worden betaald zodra de betaalgegevens bij hem bekend zijn. Op basis van deze informatie van de beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder op 26 januari 2026 bevestigd aan het hof dat [de man] en [de vrouw] strikt genomen hebben voldaan aan de verplichtingen in de wsnp. Daarbij heeft de bewindvoerder aangegeven dat wat haar betreft de schone lei kan worden verleend aan [de man] en [de vrouw] .
3.6.
Op 3 februari 2026 heeft de bewindvoerder het hof geïnformeerd dat zij in haar bericht van 26 januari 2026 ten onrechte heeft ingestemd met het niet doorgaan van de mondelinge behandeling en het verlenen van de schone lei aan [de man] en [de vrouw] . De bewindvoerder heeft toegelicht dat uit de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2024 van [de man] en [de vrouw] alsnog een boedelachterstand van € 2.064,58 volgde, omdat zowel [de man] als [de vrouw] een teruggave hebben ontvangen van de Belastingdienst. Van de beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder begrepen dat het bedrag van € 2.064,58 niet meteen op de boedelrekening kon worden gestort.
3.7.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de bewindvoerder bevestigd dat de boedelachterstand van € 2.064,58 alsnog op 7 maart 2026 is betaald op de boedelrekening. Daarnaast heeft bewindvoerder bevestigd dat de beschermingsbewindvoerder de hiervoor in 3.2 genoemde nieuwe schulden volledig heeft betaald.
Het oordeel van de rechtbank
3.8.
De rechtbank heeft de wsnp beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank zijn [de man] en [de vrouw] tekortgeschoten in de nakoming van de voor hen in het kader van de wsnp geldende afdrachtplicht en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van het bedrag van € 3.415,37 aan nieuwe schulden en het bedrag van € 902,34 aan boedelachterstand. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze tekortkomingen kunnen worden toegerekend aan [de man] en [de vrouw] en, kort gezegd, te ernstig zijn om buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft ervan afgezien de looptijd van de wsnp te verlengen omdat zij weinig vertrouwen had in een goede afwikkeling van een verlengde wsnp.
Het standpunt van [de man] en [de vrouw]
3.9.
[de man] en [de vrouw] kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. In aanvulling op wat zij hebben aangevoerd in hun beroepschrift en hun bericht van 25 januari 2026 hebben [de man] en [de vrouw] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat de boedelachterstand en de nieuwe schulden inmiddels zijn ingelopen. Dit betekent volgens [de man] en [de vrouw] dat de wsnp moet worden beëindigd onder toekenning van de schone lei.
Het oordeel van het hof
3.10.
Het hof zal de wsnp beëindigen en [de man] en [de vrouw] de schone lei verlenen. Het hof legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
3.11.
Op grond van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) moet bij het einde van de wsnp-termijn worden beoordeeld of de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de regeling voortvloeiende verplichtingen en, als dat zo is, of de tekortkoming aan hem kan worden toegerekend. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of de tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar heeft ontbroken aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Als er sprake is van een toerekenbare tekortkoming kan de rechter bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (artikel 354 lid 2 Fw).
3.12.
Het hof stelt vast dat de nieuwe schulden die tijdens de looptijd van de wsnp zijn ontstaan, volledig zijn voldaan. Daarnaast stelt het hof vast dat ook de boedelachterstand inmiddels volledig is ingelopen door [de man] en [de vrouw] . Dit betekent dat er voor wat betreft de nieuwe schulden en de boedelafdracht geen sprake meer is van een tekortkoming in de nakoming van een wsnp verplichting. [de man] en [de vrouw] zijn daarom niet (meer) tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen. Dat brengt mee dat aan hen de schone lei wordt verleend (artikel 358 Fw).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 17 november 2025 en beslist als volgt;
4.2.
stelt vast dat [de man] en [de vrouw] niet zijn tekort geschoten in de nakoming van de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
4.3.
verstaat dat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend wordt, waarna de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt conform artikel 358 lid 1 Fw niet langer afdwingbaar zijn en dat daarmee aan [de man] en [de vrouw] de schone lei wordt verleend.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, N.M. Brouwer en A.E. de Vos en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
Hoge Raad 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455.