Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:1628
2026-03-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.361.931
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
196 Rv. Voorlopige bewijsverrichting (getuigenverhoor)
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.472 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.931
beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
[de zus]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [de zus]
advocaat: mr. M. Bakhuis
en
[de begrafenisonderneming]
die is gevestigd in [vestiginsplaats]
hierna: [de begrafenisonderneming]
advocaat: mr. H.H. Jansen
met als belanghebbende
[de broer]
die woont in [woonplaats2]
hierna: [de broer]
niet verschenen
1Het verloop van de procedure
1.1.
[de zus] heeft een verzoekschrift met producties ingediend. Zij heeft het gerechtshof (hierna: het hof) verzocht een getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting te bevelen. [de begrafenisonderneming] heeft een verweerschrift ingediend. In haar verweerschrift heeft [de begrafenisonderneming] het hof ook verzocht een getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting te bevelen. [de broer] heeft geen verweerschrift ingediend.
1.2.
[de begrafenisonderneming] en [de zus] hebben beiden aangegeven dat zij zich zullen refereren aan het oordeel van het hof met betrekking tot het verzoek van de andere partij.
1.3.
[de zus] , [de begrafenisonderneming] en [de broer] hebben laten weten dat zij afzien van een mondelinge behandeling van de verzoeken door [de zus] en [de begrafenisonderneming] om voorlopige getuigenverhoren.
2De kern van de zaak
2.1.
[de begrafenisonderneming] heeft de uitvaart verzorgd van de vader van [de zus] en [de broer] . [de begrafenisonderneming] heeft hiervoor een bedrag in rekening gebracht bij de ‘erven’ van de vader van [de zus] en [de broer] . Deze factuur is (grotendeels) onbetaald gebleven. Volgens [de begrafenisonderneming] zijn [de zus] en [de broer] beiden hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van het openstaande factuurbedrag. [de zus] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen partij is geweest bij de overeenkomst waarin aan [de begrafenisonderneming] de opdracht is verstrekt om de uitvaart te verzorgen (hierna: de overeenkomst). Dit betekent volgens [de zus] dat zij de factuur van [de begrafenisonderneming] niet hoeft te betalen.
2.2.
[de begrafenisonderneming] heeft het geschil vanwege het onbetaald laten van de factuur (hierna: de hoofdzaak) voorgelegd aan de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn (hierna: de kantonrechter). In die procedure heeft [de zus] [de broer] opgeroepen in vrijwaring (hierna: de vrijwaringszaak). In zijn vonnis van 24 september 2025 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter in de hoofdzaak [de broer] en [de zus] hoofdelijk veroordeeld om het openstaande factuurbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten te voldoen aan [de begrafenisonderneming] . In de vrijwaringszaak heeft de kantonrechter [de broer] veroordeeld om aan [de zus] alles te vergoeden wat zij op grond van de beslissing in de hoofdzaak aan [de begrafenisonderneming] moet betalen te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
2.3.
[de zus] heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat zij tijdig hoger beroep zou instellen tegen het vonnis van de kantonrechter. De procedure in hoger beroep is nog niet aangebracht bij het hof.
2.4.
Met het oog op de procedure in hoger beroep hebben zowel [de zus] als [de begrafenisonderneming] het hof verzocht als voorlopige bewijsverrichting een getuigenverhoor te bevelen. Het hof zal beide verzoeken toewijzen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.
3De toelichting op de beslissing van het hof
3.1.
De rechter kan een voorlopige bewijsverrichting bevelen als het verzoek daartoe is gedaan voordat de zaak aanhangig is, of als de zaak aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven. In vervolg op zo’n verzoek kan ook de wederpartij om een voorlopige bewijsverrichting verzoeken. De rechter kan beide verzoeken gezamenlijk behandelen (artikel 196 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
3.2.
Een verzoek tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting wordt toegewezen tenzij de informatie die wordt verlangd niet voldoende bepaald is of er onvoldoende belang bestaat bij de voorlopige bewijsverrichting. Daarnaast wordt zo’n verzoek afgewezen als het in strijd is met de goede procesorde of er sprake is van misbruik van recht. Een verzoek wordt ook afgewezen als er andere gewichtige redenen bestaan die zich tegen de voorlopige bewijsverrichting verzetten (artikel 196 lid 2 Rv).
3.3.
[de zus] heeft aangevoerd dat haar bewijsaanbod in de procedure in eerste aanleg door de kantonrechter is gepasseerd. Met het oog op de procedure in hoger beroep wil [de zus] met het horen van [de broer] en zichzelf als getuigen aantonen dat uitsluitend [de broer] aansprakelijk is voor de door [de begrafenisonderneming] gefactureerde kosten.
3.4.
[de begrafenisonderneming] wil een van haar medewerkers en de oom van [de zus] en [de broer] als getuigen laten horen. Daarbij heeft [de begrafenisonderneming] aangegeven dat beide getuigen nauw betrokken zijn geweest bij het aangaan van de overeenkomst en bij het organiseren van de uitvaart en om die reden kunnen verklaren over de rol van [de zus] bij het aangaan van de opdracht en haar gedragingen tijdens de uitvoering van de opdracht.
3.5.
Het hof stelt vast dat zowel [de zus] als [de begrafenisonderneming] om een voorlopige bewijsverrichting heeft verzocht voordat de procedure in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter bij het hof is aangebracht. Dit betekent dat beide verzoeken tijdig zijn gedaan. Daarnaast is het hof van oordeel dat zowel [de zus] als [de begrafenisonderneming] voldoende concreet heeft omschreven op welk feitelijk gebeuren het door elk van hen gewenste getuigenverhoor betrekking zal hebben en waarom de te horen getuigen hierover kunnen verklaren. Ook heeft elk van hen naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat de getuigenverhoren van belang zijn voor het geschil over de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de zus] voor het openstaande factuurbedrag van [de begrafenisonderneming] dat in de procedure in hoger beroep voorligt. Dit betekent dat zowel het verzoek van [de zus] als het verzoek van [de begrafenisonderneming] voldoende bepaald is en dat beiden belang hebben bij hun verzoek. Nu bovendien niet is gebleken dat zich een van de overige afwijzingsgronden uit artikel 196 lid 2 Rv voordoet, zullen de verzoeken van [de zus] en [de begrafenisonderneming] worden toegewezen.
4De beslissing
Het hof:
in het verzoek van [de zus]
4.1.
wijst toe het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen:
de heer [de broer]
mevrouw [de zus] ;
4.2.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. R. Verkijk, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem;
4.3.
bepaalt dat partijen zelf bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn, zodat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
4.4.
bepaalt dat [de zus] de verhinderdata van partijen, van hun advocaten en van de onder 4.1 genoemde getuigen in de maanden maart tot en met juni 2026 zal opgeven uiterlijk twee weken na de uitspraak van deze beschikking bij de handelsrekestengriffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem). Daarna zullen de datum en het tijdstip van het verhoor door de raadsheer-commissaris worden vastgesteld;
4.5.
bepaalt dat [de zus] overeenkomstig artikel 170 Rv de naam en de woonplaats van de onder 4.1 genoemde getuigen ten minste één week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in het verzoek van [de begrafenisonderneming]
4.7.
wijst toe het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen:
de heer [getuige 1]
de heer [getuige 2] ;
4.8.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. R. Verkijk, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem;
4.9.
bepaalt dat partijen zelf bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn, zodat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
4.10.
bepaalt dat [de begrafenisonderneming] de verhinderdata van de onder 4.7 genoemde getuigen in de maanden maart tot en met juni 2026 zal opgeven uiterlijk twee weken na de uitspraak van deze beschikking bij de handelsrekestengriffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem). Daarna zullen de datum en het tijdstip van het verhoor door de raadsheer-commissaris worden vastgesteld;
4.11.
bepaalt dat [de begrafenisonderneming] overeenkomstig artikel 170 Rv de naam en de woonplaats van de onder 4.7 genoemde getuigen ten minste één week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
4.12.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.A. Diebels, M. Schoemaker en R. Verkijk en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.931
beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
[de zus]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [de zus]
advocaat: mr. M. Bakhuis
en
[de begrafenisonderneming]
die is gevestigd in [vestiginsplaats]
hierna: [de begrafenisonderneming]
advocaat: mr. H.H. Jansen
met als belanghebbende
[de broer]
die woont in [woonplaats2]
hierna: [de broer]
niet verschenen
1Het verloop van de procedure
1.1.
[de zus] heeft een verzoekschrift met producties ingediend. Zij heeft het gerechtshof (hierna: het hof) verzocht een getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting te bevelen. [de begrafenisonderneming] heeft een verweerschrift ingediend. In haar verweerschrift heeft [de begrafenisonderneming] het hof ook verzocht een getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting te bevelen. [de broer] heeft geen verweerschrift ingediend.
1.2.
[de begrafenisonderneming] en [de zus] hebben beiden aangegeven dat zij zich zullen refereren aan het oordeel van het hof met betrekking tot het verzoek van de andere partij.
1.3.
[de zus] , [de begrafenisonderneming] en [de broer] hebben laten weten dat zij afzien van een mondelinge behandeling van de verzoeken door [de zus] en [de begrafenisonderneming] om voorlopige getuigenverhoren.
2De kern van de zaak
2.1.
[de begrafenisonderneming] heeft de uitvaart verzorgd van de vader van [de zus] en [de broer] . [de begrafenisonderneming] heeft hiervoor een bedrag in rekening gebracht bij de ‘erven’ van de vader van [de zus] en [de broer] . Deze factuur is (grotendeels) onbetaald gebleven. Volgens [de begrafenisonderneming] zijn [de zus] en [de broer] beiden hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van het openstaande factuurbedrag. [de zus] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen partij is geweest bij de overeenkomst waarin aan [de begrafenisonderneming] de opdracht is verstrekt om de uitvaart te verzorgen (hierna: de overeenkomst). Dit betekent volgens [de zus] dat zij de factuur van [de begrafenisonderneming] niet hoeft te betalen.
2.2.
[de begrafenisonderneming] heeft het geschil vanwege het onbetaald laten van de factuur (hierna: de hoofdzaak) voorgelegd aan de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn (hierna: de kantonrechter). In die procedure heeft [de zus] [de broer] opgeroepen in vrijwaring (hierna: de vrijwaringszaak). In zijn vonnis van 24 september 2025 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter in de hoofdzaak [de broer] en [de zus] hoofdelijk veroordeeld om het openstaande factuurbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten te voldoen aan [de begrafenisonderneming] . In de vrijwaringszaak heeft de kantonrechter [de broer] veroordeeld om aan [de zus] alles te vergoeden wat zij op grond van de beslissing in de hoofdzaak aan [de begrafenisonderneming] moet betalen te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
2.3.
[de zus] heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat zij tijdig hoger beroep zou instellen tegen het vonnis van de kantonrechter. De procedure in hoger beroep is nog niet aangebracht bij het hof.
2.4.
Met het oog op de procedure in hoger beroep hebben zowel [de zus] als [de begrafenisonderneming] het hof verzocht als voorlopige bewijsverrichting een getuigenverhoor te bevelen. Het hof zal beide verzoeken toewijzen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.
3De toelichting op de beslissing van het hof
3.1.
De rechter kan een voorlopige bewijsverrichting bevelen als het verzoek daartoe is gedaan voordat de zaak aanhangig is, of als de zaak aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven. In vervolg op zo’n verzoek kan ook de wederpartij om een voorlopige bewijsverrichting verzoeken. De rechter kan beide verzoeken gezamenlijk behandelen (artikel 196 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
3.2.
Een verzoek tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting wordt toegewezen tenzij de informatie die wordt verlangd niet voldoende bepaald is of er onvoldoende belang bestaat bij de voorlopige bewijsverrichting. Daarnaast wordt zo’n verzoek afgewezen als het in strijd is met de goede procesorde of er sprake is van misbruik van recht. Een verzoek wordt ook afgewezen als er andere gewichtige redenen bestaan die zich tegen de voorlopige bewijsverrichting verzetten (artikel 196 lid 2 Rv).
3.3.
[de zus] heeft aangevoerd dat haar bewijsaanbod in de procedure in eerste aanleg door de kantonrechter is gepasseerd. Met het oog op de procedure in hoger beroep wil [de zus] met het horen van [de broer] en zichzelf als getuigen aantonen dat uitsluitend [de broer] aansprakelijk is voor de door [de begrafenisonderneming] gefactureerde kosten.
3.4.
[de begrafenisonderneming] wil een van haar medewerkers en de oom van [de zus] en [de broer] als getuigen laten horen. Daarbij heeft [de begrafenisonderneming] aangegeven dat beide getuigen nauw betrokken zijn geweest bij het aangaan van de overeenkomst en bij het organiseren van de uitvaart en om die reden kunnen verklaren over de rol van [de zus] bij het aangaan van de opdracht en haar gedragingen tijdens de uitvoering van de opdracht.
3.5.
Het hof stelt vast dat zowel [de zus] als [de begrafenisonderneming] om een voorlopige bewijsverrichting heeft verzocht voordat de procedure in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter bij het hof is aangebracht. Dit betekent dat beide verzoeken tijdig zijn gedaan. Daarnaast is het hof van oordeel dat zowel [de zus] als [de begrafenisonderneming] voldoende concreet heeft omschreven op welk feitelijk gebeuren het door elk van hen gewenste getuigenverhoor betrekking zal hebben en waarom de te horen getuigen hierover kunnen verklaren. Ook heeft elk van hen naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat de getuigenverhoren van belang zijn voor het geschil over de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de zus] voor het openstaande factuurbedrag van [de begrafenisonderneming] dat in de procedure in hoger beroep voorligt. Dit betekent dat zowel het verzoek van [de zus] als het verzoek van [de begrafenisonderneming] voldoende bepaald is en dat beiden belang hebben bij hun verzoek. Nu bovendien niet is gebleken dat zich een van de overige afwijzingsgronden uit artikel 196 lid 2 Rv voordoet, zullen de verzoeken van [de zus] en [de begrafenisonderneming] worden toegewezen.
4De beslissing
Het hof:
in het verzoek van [de zus]
4.1.
wijst toe het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen:
de heer [de broer]
mevrouw [de zus] ;
4.2.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. R. Verkijk, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem;
4.3.
bepaalt dat partijen zelf bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn, zodat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
4.4.
bepaalt dat [de zus] de verhinderdata van partijen, van hun advocaten en van de onder 4.1 genoemde getuigen in de maanden maart tot en met juni 2026 zal opgeven uiterlijk twee weken na de uitspraak van deze beschikking bij de handelsrekestengriffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem). Daarna zullen de datum en het tijdstip van het verhoor door de raadsheer-commissaris worden vastgesteld;
4.5.
bepaalt dat [de zus] overeenkomstig artikel 170 Rv de naam en de woonplaats van de onder 4.1 genoemde getuigen ten minste één week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in het verzoek van [de begrafenisonderneming]
4.7.
wijst toe het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen:
de heer [getuige 1]
de heer [getuige 2] ;
4.8.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. R. Verkijk, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem;
4.9.
bepaalt dat partijen zelf bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn, zodat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
4.10.
bepaalt dat [de begrafenisonderneming] de verhinderdata van de onder 4.7 genoemde getuigen in de maanden maart tot en met juni 2026 zal opgeven uiterlijk twee weken na de uitspraak van deze beschikking bij de handelsrekestengriffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem). Daarna zullen de datum en het tijdstip van het verhoor door de raadsheer-commissaris worden vastgesteld;
4.11.
bepaalt dat [de begrafenisonderneming] overeenkomstig artikel 170 Rv de naam en de woonplaats van de onder 4.7 genoemde getuigen ten minste één week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
4.12.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.A. Diebels, M. Schoemaker en R. Verkijk en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.