Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:124
2026-01-12
Strafrecht
21-001344-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bedreiging met een mes. Het feit wordt in verminderde mate aan verdachte toegerekend. Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:774 Hoge Raad 27-05-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.179 tekens)
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001344-25
Uitspraakdatum: 12 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2025 met parketnummer 18-259903-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [plaats] ,
wonende te [woonplaats]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 29 december 2025 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een 38v-maatregel zal worden opgelegd, in de zin van een contact- en locatieverbod, met vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding met een maximum van 6 maanden. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. B. Helmich, en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 10 juli 2024 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] meermalen, in ieder geval éénmaal dreigend een mes te tonen en/de woorden toe te voegen "de messen zijn geslepen, vanavond gaan er doden vallen", althans feitelijkheden en/of woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Op de zitting van het hof is door en namens verdachte aangevoerd dat vrijspraak moet volgen omdat het opzet op bedreigen ontbreekt. Verdachte heeft verklaard dat ze weliswaar met een mes naar buiten is gelopen en de tenlastegelegde woorden heeft geuit, maar dat dat niet tegen aangeefster [benadeelde partij] gericht is geweest. Verdachte was zichzelf niet en deed het zomaar.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Niet vereist is dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het ten uitvoer leggen van de bedreiging. Evenmin is vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk vrees voor de aantasting van de persoonlijke vrijheid is ontstaan. Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het enkele feit dat de bedreigde deze vrees heeft opgevat oftewel zich bedreigd voelt, wil nog niet zeggen dat die vrees ook redelijk is.
Uit het dossier blijkt het volgende. Aangeefster [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij eerder met verdachte, haar buurvrouw, aanvaringen heeft gehad. Op 10 juli 2024 hoorde zij verdachte naar buiten komen en zag haar heen en weer lopen tussen het trottoir voor aangeefsters woning en die van verdachte zelf. Aangeefster verklaart dat ze zag dat verdachte telkens kort bij haar naar binnen keek en een groot mes in haar rechterhand vasthield. Toen verdachte overstak in de richting van de woning van aangeefster zag ze dat verdachte boos naar haar keek en dat ze het mes omhoog stak in hun richting. Vervolgens liep verdachte door haar woning naar de achtertuin van haar woning. Aangeefster wilde daarop haar achterdeur sluiten en hoorde toen ze bij haar achterdeur stond verdachte woorden uiten als 'De messen zijn geslepen' en 'Vanavond vallen er doden'. Vervolgens ging ze op de bank zitten en zag ze verdachte voor de ramen aan de voorkant van haar woning staan, terwijl ze het mes nog in haar hand had. Vanaf het moment dat ze verdachte in haar achtertuin die bewoordingen hoorde uiten werd ze bang en raakte ze in de stress. Toen verdachte met het mes voor haar raam stond voelde ze zich zeer bedreigd en was ze erg bang.
De dochter van aangeefster, [getuige] , verklaart dat ze verdachte met luide stem hoorde praten. Ze zag via het raam verdachte haar tuin uitlopen. Verdachte stak de straat over en had een mes in haar rechterhand. Vervolgens zag ze dat verdachte terug haar woning in liep. Ze hoorde haar vervolgens schreeuwen in haar achtertuin, maar kon niet precies horen wat ze zei. Ze zag dat verdachte vervolgens weer haar woning uit liep door de voordeur, terwijl ze het mes nog in haar handen had. Ze zag dat verdachte bij hun de woning in keek, heen en weer bleef lopen voor hun woning en naar binnen bleef kijken, terwijl ze boos/dreigend keek.
Het hof is van oordeel dat de door verdachte gebezigde bewoordingen, tezamen met het mes dat zij vast hield, in het algemeen geschikt zijn om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. Verdachte keek bij aangeefster naar binnen terwijl zij voor haar woning stond met een opgeheven mes in haar hand. Daarbij was er sprake van een voorgeschiedenis van conflicten tussen aangeefster en verdachte. Het kan naar het oordeel van het hof dan ook niet anders zijn dan dat de bedreigingen gericht waren aan aangeefster, die ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreigingen. Gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden kon bij haar in redelijkheid de vrees ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Verdachte heeft naar uiterlijke verschijningsvorm op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het ontstaan van deze vrees. Het hof verwerpt het verweer en is van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op 10 juli 2024 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde partij] éénmaal dreigend een mes te tonen en de woorden toe te voegen "De messen zijn geslepen, vanavond gaan er doden vallen."
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van verdachte
Op de zitting van het hof is aangevoerd dat het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, omdat zij niet toerekeningsvatbaar is. Verdachte is na verhoor onderzocht door de crisisdienst van de GGZ en psychiater Buit spreekt over een psychotisch toestandsbeeld bij verdachte en dat sprake is van een dreigend risico op ernstig nadeel, terwijl verdachte niet wilsbekwaam is. Subsidiair is verzocht verdachte het feit in verminderde mate aan te rekenen en meer subsidiair om nader onderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid te verrichten wanneer het hof zich onvoldoende ingelicht acht.
Het hof acht zich voldoende voorgelicht omtrent de psychische gesteldheid van verdachte en stelt vast dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat om tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid te concluderen. Op basis van het dossier komt het hof tot de conclusie dat het feit wel in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Dat betekent dat het hof van oordeel is dat verdachte een strafbare dader is.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken op te leggen, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een 38v-maatregel zal worden opgelegd, in de zin van een contact- en locatieverbod, met vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding met een maximum van 6 maanden. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgelegde straf niet in verhouding staat tot de persoon van verdachte, gelet op haar psychische toestand tijdens het feit en de verminderde toerekeningsvatbaarheid, haar strafblad en het feit dat zij in staat is een taakstraf uit te voeren.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van haar buurvrouw. Door te handelen zoals zij heeft gedaan heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en bij haar gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Uit de op de zitting van het hof voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat aangeefster tot vandaag nog gevolgen ondervindt van de bedreiging.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 30 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar niet voor een soortgelijk feit.
Bij de strafoplegging heeft het hof verder rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Alles overwegend acht het hof een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. Het hof zal daaraan bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een contactverbod met [benadeelde partij] en een locatieverbod voor het perceel van de woning van [benadeelde partij] , inclusief de voor- en achtertuin.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 600,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De vertegenwoordiger van de benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met het volgende. De benadeelde partij was gestrest geraakt en naar de bovenste verdieping van haar woning gevlucht. Ze is alerter en onrustiger dan voor het incident. Ze heeft gesprekken gehad met de praktijkondersteuner van de huisarts en is sinds kort bij een psycholoog aangemeld. Daarbij is sprake van een ernstig misdrijf: met een dergelijke dreiging wordt een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en geestelijke integriteit van benadeelde. Dit misdrijf, in combinatie met de beschreven nadelige gevolgen, rechtvaardigen volgens de vertegenwoordiger van benadeelde partij de conclusie dat er sprake is van aantasting in de persoon, zodat een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegewezen.
Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering volledig zal worden toegewezen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet een reële schatting kan worden gemaakt van de omvang van de schade die aan verdachte toe te rekenen is.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat een benadeelde partij volgens de wet recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, als zij als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal genoeg concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak geen sprake is van lichamelijk of geestelijk vastgesteld letsel. Als onderbouwing van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ volstaan de door de benadeelde partij opgesomde gevolgen niet. Ook brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval niet mee dat de normschending op zichzelf als aantasting van de persoon moet worden beschouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de benadeelde partij zich tijdens de bedreiging in haar (afgesloten) woning bevond, terwijl verdachte zich buiten bevond. Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte hoeft de schade daarom niet te vergoeden. Het hof wijst de vordering af.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op het perceel nummer [nummer] (woning, voortuin en achtertuin) van de [straat] te [plaats] .
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] 1973.
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. H.J. Deuring en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 januari 2026.
Artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Hoge Raad 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774.
Parketnummer: 21-001344-25
Uitspraakdatum: 12 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2025 met parketnummer 18-259903-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [plaats] ,
wonende te [woonplaats]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 29 december 2025 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een 38v-maatregel zal worden opgelegd, in de zin van een contact- en locatieverbod, met vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding met een maximum van 6 maanden. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. B. Helmich, en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 10 juli 2024 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] meermalen, in ieder geval éénmaal dreigend een mes te tonen en/de woorden toe te voegen "de messen zijn geslepen, vanavond gaan er doden vallen", althans feitelijkheden en/of woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Op de zitting van het hof is door en namens verdachte aangevoerd dat vrijspraak moet volgen omdat het opzet op bedreigen ontbreekt. Verdachte heeft verklaard dat ze weliswaar met een mes naar buiten is gelopen en de tenlastegelegde woorden heeft geuit, maar dat dat niet tegen aangeefster [benadeelde partij] gericht is geweest. Verdachte was zichzelf niet en deed het zomaar.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Niet vereist is dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het ten uitvoer leggen van de bedreiging. Evenmin is vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk vrees voor de aantasting van de persoonlijke vrijheid is ontstaan. Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het enkele feit dat de bedreigde deze vrees heeft opgevat oftewel zich bedreigd voelt, wil nog niet zeggen dat die vrees ook redelijk is.
Uit het dossier blijkt het volgende. Aangeefster [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij eerder met verdachte, haar buurvrouw, aanvaringen heeft gehad. Op 10 juli 2024 hoorde zij verdachte naar buiten komen en zag haar heen en weer lopen tussen het trottoir voor aangeefsters woning en die van verdachte zelf. Aangeefster verklaart dat ze zag dat verdachte telkens kort bij haar naar binnen keek en een groot mes in haar rechterhand vasthield. Toen verdachte overstak in de richting van de woning van aangeefster zag ze dat verdachte boos naar haar keek en dat ze het mes omhoog stak in hun richting. Vervolgens liep verdachte door haar woning naar de achtertuin van haar woning. Aangeefster wilde daarop haar achterdeur sluiten en hoorde toen ze bij haar achterdeur stond verdachte woorden uiten als 'De messen zijn geslepen' en 'Vanavond vallen er doden'. Vervolgens ging ze op de bank zitten en zag ze verdachte voor de ramen aan de voorkant van haar woning staan, terwijl ze het mes nog in haar hand had. Vanaf het moment dat ze verdachte in haar achtertuin die bewoordingen hoorde uiten werd ze bang en raakte ze in de stress. Toen verdachte met het mes voor haar raam stond voelde ze zich zeer bedreigd en was ze erg bang.
De dochter van aangeefster, [getuige] , verklaart dat ze verdachte met luide stem hoorde praten. Ze zag via het raam verdachte haar tuin uitlopen. Verdachte stak de straat over en had een mes in haar rechterhand. Vervolgens zag ze dat verdachte terug haar woning in liep. Ze hoorde haar vervolgens schreeuwen in haar achtertuin, maar kon niet precies horen wat ze zei. Ze zag dat verdachte vervolgens weer haar woning uit liep door de voordeur, terwijl ze het mes nog in haar handen had. Ze zag dat verdachte bij hun de woning in keek, heen en weer bleef lopen voor hun woning en naar binnen bleef kijken, terwijl ze boos/dreigend keek.
Het hof is van oordeel dat de door verdachte gebezigde bewoordingen, tezamen met het mes dat zij vast hield, in het algemeen geschikt zijn om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. Verdachte keek bij aangeefster naar binnen terwijl zij voor haar woning stond met een opgeheven mes in haar hand. Daarbij was er sprake van een voorgeschiedenis van conflicten tussen aangeefster en verdachte. Het kan naar het oordeel van het hof dan ook niet anders zijn dan dat de bedreigingen gericht waren aan aangeefster, die ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreigingen. Gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden kon bij haar in redelijkheid de vrees ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Verdachte heeft naar uiterlijke verschijningsvorm op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het ontstaan van deze vrees. Het hof verwerpt het verweer en is van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op 10 juli 2024 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde partij] éénmaal dreigend een mes te tonen en de woorden toe te voegen "De messen zijn geslepen, vanavond gaan er doden vallen."
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van verdachte
Op de zitting van het hof is aangevoerd dat het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, omdat zij niet toerekeningsvatbaar is. Verdachte is na verhoor onderzocht door de crisisdienst van de GGZ en psychiater Buit spreekt over een psychotisch toestandsbeeld bij verdachte en dat sprake is van een dreigend risico op ernstig nadeel, terwijl verdachte niet wilsbekwaam is. Subsidiair is verzocht verdachte het feit in verminderde mate aan te rekenen en meer subsidiair om nader onderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid te verrichten wanneer het hof zich onvoldoende ingelicht acht.
Het hof acht zich voldoende voorgelicht omtrent de psychische gesteldheid van verdachte en stelt vast dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat om tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid te concluderen. Op basis van het dossier komt het hof tot de conclusie dat het feit wel in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Dat betekent dat het hof van oordeel is dat verdachte een strafbare dader is.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken op te leggen, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een 38v-maatregel zal worden opgelegd, in de zin van een contact- en locatieverbod, met vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding met een maximum van 6 maanden. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgelegde straf niet in verhouding staat tot de persoon van verdachte, gelet op haar psychische toestand tijdens het feit en de verminderde toerekeningsvatbaarheid, haar strafblad en het feit dat zij in staat is een taakstraf uit te voeren.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van haar buurvrouw. Door te handelen zoals zij heeft gedaan heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en bij haar gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Uit de op de zitting van het hof voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat aangeefster tot vandaag nog gevolgen ondervindt van de bedreiging.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 30 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar niet voor een soortgelijk feit.
Bij de strafoplegging heeft het hof verder rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Alles overwegend acht het hof een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. Het hof zal daaraan bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een contactverbod met [benadeelde partij] en een locatieverbod voor het perceel van de woning van [benadeelde partij] , inclusief de voor- en achtertuin.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 600,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De vertegenwoordiger van de benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met het volgende. De benadeelde partij was gestrest geraakt en naar de bovenste verdieping van haar woning gevlucht. Ze is alerter en onrustiger dan voor het incident. Ze heeft gesprekken gehad met de praktijkondersteuner van de huisarts en is sinds kort bij een psycholoog aangemeld. Daarbij is sprake van een ernstig misdrijf: met een dergelijke dreiging wordt een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en geestelijke integriteit van benadeelde. Dit misdrijf, in combinatie met de beschreven nadelige gevolgen, rechtvaardigen volgens de vertegenwoordiger van benadeelde partij de conclusie dat er sprake is van aantasting in de persoon, zodat een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegewezen.
Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering volledig zal worden toegewezen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet een reële schatting kan worden gemaakt van de omvang van de schade die aan verdachte toe te rekenen is.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat een benadeelde partij volgens de wet recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, als zij als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal genoeg concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak geen sprake is van lichamelijk of geestelijk vastgesteld letsel. Als onderbouwing van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ volstaan de door de benadeelde partij opgesomde gevolgen niet. Ook brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval niet mee dat de normschending op zichzelf als aantasting van de persoon moet worden beschouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de benadeelde partij zich tijdens de bedreiging in haar (afgesloten) woning bevond, terwijl verdachte zich buiten bevond. Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte hoeft de schade daarom niet te vergoeden. Het hof wijst de vordering af.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op het perceel nummer [nummer] (woning, voortuin en achtertuin) van de [straat] te [plaats] .
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] 1973.
Geeft opdracht aan het openbaar ministerie tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. H.J. Deuring en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 januari 2026.
Artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Hoge Raad 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774.