Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:1111

2026-02-24 Civiel recht; Insolventierecht 200.364.308
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-02-24
Publicatiedatum
2026-02-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.364.308
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering faillietverklaring. Onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.031 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem, afdeling civiel



zaaknummer gerechtshof 200.364.308
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 603545




beschikking van 24 februari 2026




in de zaak van




Jongejan Vastgoed B.V.

die is gevestigd in Delft
hierna: Jongejan Vastgoed
advocaten: mrs. P.J. Soede en M.M. Tak



tegen





[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. S.R. Voorhorst






1De procedure bij de rechtbank


1.1.
Jongejan Vastgoed heeft bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) een verzoek ingediend om [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren. De rechtbank heeft bij beschikking met daarop als datum 21 januari 2026 het verzoek van Jongejan Vastgoed tot faillietverklaring van [geïntimeerde] afgewezen.





2De procedure bij het hof


2.1.
In het op 29 januari 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft Jongejan Vastgoed hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Jongejan Vastgoed verzoekt deze beschikking te vernietigen en [geïntimeerde] alsnog in staat van faillissement te verklaren, met benoeming van een rechter-commissaris en een curator.



2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift,
- een brief van Jongejan Vastgoed van 9 februari 2026 met aanvullende producties 10 tot en met 13;
- een brief van Jongejan Vastgoed van 12 februari 2026 met aanvullende productie 14;
- een brief van Jongejan Vastgoed van 16 februari 2026 met aanvullende productie 15.



2.3.
De mondelinge behandeling (in raadkamer) heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026, waarbij namens Jongejan Vastgoed mr. Tak is verschenen. Verder is [geïntimeerde] in persoon verschenen, bijgestaan door advocaat mr. H.R. Eekhof bij afwezigheid van mr. Voorhorst. Ter zitting heeft mr. Eekhof spreekaantekeningen overgelegd.





3De motivering van de beslissing in hoger beroep



Kern van de zaak




3.1.
De rechtbank Utrecht heeft op 18 januari 2012 [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 49.386,20 (met rente) aan Lifestyle Publishers B.V. (hierna: Publishers). De rechtbank heeft in dezelfde beslissing geoordeeld dat een dochtermaatschappij van Publishers, B.M. Publishers B.V. (hierna: BM), een bedrag van € 60.449,35 moet betalen aan [geïntimeerde] en BM daartoe veroordeeld. De vorderingen vloeien voort uit een geschil tussen Publishers, BM en [geïntimeerde] over rekening-courantverhoudingen en financiële verplichtingen die voortvloeiden uit eerdere bestuurs-en aandeelhoudersrelaties. Publishers (cedent) heeft op 12 november 2025 een overeenkomst van cessie gesloten met Jongejan Vastgoed (cessionaris) met betrekking tot de vordering op [geïntimeerde] , welke cessie op 19 november 2025 aan [geïntimeerde] is betekend.



3.2.
Jongejan Vastgoed heeft gevraagd om het faillissement van [geïntimeerde] en stelt een opeisbare vordering te hebben op [geïntimeerde] van (inmiddels) € 72.622,72. Daarnaast stelt zij dat er sprake is van een steunvordering uit hoofde van leningen van de zus van [geïntimeerde] ( [zus geïntimeerde] ) aan [geïntimeerde] van in totaal € 292.536,81. [geïntimeerde] heeft zich hiertegenover op het standpunt gesteld dat de leningen van haar zus een voorschot zijn op de erfenis en dat er op dit moment geen verplichting tot terugbetaling bestaat van dit bedrag. [geïntimeerde] heeft daarnaast – naar haar zeggen - een (verreken)vordering uit hoofde van bestuurdersaanprakelijkheid op de (indirecte) bestuurders van BM (waaronder Publishers) tot een bedrag van € 103.140,66.



3.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet summierlijk is vast komen te staan dat [geïntimeerde] in een toestand verkeert waarin zij is opgehouden te betalen. Volgens de rechtbank heeft Jongejan Vastgoed, gelet op het verweer van [geïntimeerde] , het bestaan van de steunvordering onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast blijkt volgens de rechtbank ook uit andere omstandigheden niet dat [geïntimeerde] is opgehouden te betalen. De vordering van Jongejan Vastgoed vloeit voort uit een geschil waarbij de oorspronkelijke schuldeiser (Publishers) een vordering heeft op [geïntimeerde] en [geïntimeerde] op BM (de dochtermaatschappij van Publishers). Jongejan Vastgoed heeft niet toegelicht, zo begrijpt het hof het vonnis, waarom zij geen beslag kon leggen onder BM om haar vordering te innen, waarbij de stelling dat BM een lege vennootschap is, niet zomaar kan worden aangenomen omdat Publishers en Jongejan Vastgoed dezelfde eigenaar delen. Daarbij had Jongejan Vastgoed (of Publishers) invloed op de activa van BM, aldus de rechtbank. Omdat de faillissementsprocedure niet de procedure is waarbinnen dit geschil kan worden beslecht, heeft de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring afgewezen.



De beoordeling door het hof





- Ontvankelijkheid (beroepstermijn)





3.4.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep twee ontvankelijkheidsverweren opgeworpen. Volgens [geïntimeerde] heeft de rechtbank in eerste aanleg op 20 januari 2026 al mondeling uitspraak gedaan en is Jongejan Vastgoed niet binnen acht dagen in hoger beroep gekomen. Daarnaast is Jongejan Vastgoed volgens [geïntimeerde] niet-ontvankelijk omdat er geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vordering door Publishers.



3.5.
Naar het oordeel van het hof heeft Jongejan Vastgoed tijdig hoger beroep ingesteld. Uit de beschikking van de rechtbank, die als datum 21 januari 2026 vermeldt, volgt niet dat de rechtbank al op 20 januari 2026 mondeling uitspraak heeft gedaan en dat de beschikking de vastlegging betreft van deze eerder gedane mondelinge uitspraak. Daarnaast zijn de door Jongejan Vastgoed overgelegde zittingsaantekeningen van de faillissementszitting geen ambtsedig proces-verbaal (hetgeen ook onder aan de pagina van het document staat vermeld), terwijl een mondelinge uitspraak in een proces-verbaal moet worden vastgelegd. De door de rechter gebruikte bewoordingen aan het einde van de zitting (en aan het slot van de aantekeningen) bevatten ook geen voldoende duidelijke afwijzing van het verzoek van Jongejan Vastgoed. Die bewoordingen luiden: “Ik sluit de behandeling. Ik ga direct uitspraak. Ik vind niet summierlijk aannemelijk dat u niet er is. We kunnen het vandaag niet vaststellen. Er is geen sprake van een toestand opgehouden te betalen. Het is duidelijk dat hier een ander geschil speelt op de achtergrond. Dat moet u lekker uitzoeken bij de civiele rechter”. Jongejan Vastgoed heeft deze bewoordingen kennelijk en niet onbegrijpelijk ook niet als afwijzing begrepen. Volgens haar betrof het slechts een aankondiging van de rechter van de uitspraak die de volgende dag zou volgen. Uitgaande van de beschikking van de rechtbank van 21 januari 2026 is de beroepstermijn gaan lopen op 22 januari 2026 en heeft Jongejan Vastgoed op 29 januari 2026 tijdig (binnen de termijn van 8 dagen) hoger beroep ingesteld.



- Ontvankelijkheid (geldigheid cessie)





3.6.
Volgens [geïntimeerde] is de [indirect bestuurder] zowel indirect bestuurder van Publishers als van Jongejan Vastgoed en houdt hij 201 van de 400 aandelen in het kapitaal van Publishers. De cessie van de vordering van Publishers op Jongejan Vastgoed is volgens [geïntimeerde] ingegeven om Publishers gereed te maken voor ontbinding, hetgeen strijdig is met het belang van Publishers. Als (indirect) bestuurder van zowel cessionaris als de cedent, had [indirect bestuurder] een persoonlijk tegenstrijdig belang bij de cessie en had hij zich dienen te onthouden van besluitvorming, aldus [geïntimeerde] . De algemene vergadering van aandeelhouders had dit besluit dienen te nemen. Volgens [geïntimeerde] is het besluit tot cessie nietig, waardoor er een geldige titel voor de overdracht ontbreekt en de cessie aldus niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.



3.7.
Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Wat er ook zij van de geldigheid van het besluit, een gebrek daarin tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aan. Het niet naleven van het in artikel 2:239 lid 6 BW opgenomen verbod heeft daarom (in beginsel) geen gevolgen voor de binding van de vennootschap aan de transactie. Dat hier sprake is van een situatie waarin een uitzondering op dit uitgangspunt moet worden gemaakt waar ook [geïntimeerde] een beroep op zou kunnen doen, is door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd.



- De toestand van te hebben opgehouden te betalen





3.8.

Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken indien summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager alsmede van het (thans) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft, is een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand (het zogenoemde pluraliteitsvereiste). Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient te worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.




3.9.
De rechtbank heeft in de beschikking van 21 januari 2026 geoordeeld dat Jongejan Vastgoed het bestaan van een steunvordering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat ook uit andere omstandigheden niet blijkt dat [geïntimeerde] is opgehouden te betalen. De vordering van Jongejan Vastgoed voert volgens de rechtbank terug op een geschil dat partijen hebben (en waaruit vorderingen over en weer zijn ontstaan tussen Publishers, [geïntimeerde] en BM) en dat de faillissementsprocedure niet de procedure is waarbinnen dit geschil kan worden beslecht. Ook daarom heeft de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring afgewezen.



3.10.
Het hof constateert dat Jongejan Vastgoed wel grieven heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de steunvordering (op de zus van [geïntimeerde] ) onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Jongejan Vastgoed heeft echter geen grieven gericht tegen het, meer op de vordering van Jongejan Vastgoed gerichte, oordeel van de rechtbank dat ook uit de omstandigheid dat er tussen partijen een geschil gaande is dat zich niet leent voor beslechting binnen de faillissementsprocedure, volgt dat niet is gebleken dat [geïntimeerde] is opgehouden te betalen. Nu tegen dit oordeel geen grief is gericht, dient het hof hier in hoger beroep vanuit te gaan.



3.11.
Aan de (niet bestreden) overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen voegt het hof het volgende toe. Tussen (de achterliggende) partijen is sprake van een zakelijk geschil dat zich niet leent voor beslechting in een faillissementsprocedure. In het vonnis van de rechtbank Utrecht van 18 januari 2012 is een vordering van Publishers op [geïntimeerde] toegewezen en een grotere vordering van [geïntimeerde] op BM. Dit vonnis is vervolgens jarenlang niet uitgevoerd. In november/december 2025 is (direct of indirect) door [geïntimeerde] en [indirect bestuurder] een kortgedingprocedure gevoerd over een aanbiedingsplicht met betrekking tot de aandelen in Publishers ( [indirect bestuurder] houdt indirect 201 van de 400 aandelen en [geïntimeerde] indirect de overige 199). Verder houdt [geïntimeerde] Publishers als opvolgend bestuurder van BM aansprakelijk voor het verdwijnen van de activa uit BM en beroept zij zich uit dien hoofde op verrekening. Niet bestreden is dat Jongejan Vastgoed dat verweer als cessionaris tegen zich moet laten gelden. Het gaat de summiere beoordeling van de faillissementsprocedure te buiten om over dit verweer een oordeel te geven. In elk geval acht het hof na summiere beoordeling voldoende aannemelijk dat het niet betalen van de vordering van Jongejan Vastgoed zijn achtergrond vindt in dit zakelijke geschil en is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen.



3.12.
Bij die stand van zaken is het bestaan van de steunvordering onvoldoende om het faillissement uit te spreken en behoeven de grieven tegen het oordeel over de steunvordering geen behandeling.



Conclusie





3.13.
Het hoger beroep slaagt niet. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Omdat Jongejan Vastgoed in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof Jongejan Vastgoed veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.






4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 21 januari 2026;



veroordeelt Jongejan Vastgoed tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 punt x appeltarief II);



wijst af het meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Janse, G.P. Oosterhof en A.E. de Vos en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.