Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2025:8057

2025-12-16 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.358.613
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2025-12-16
Publicatiedatum
2025-12-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.358.613
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek tot herstel gezag. Als verzoek zou worden toegewezen (opnieuw) onzekerheid over verblijf van kinderen in pleeggezin; niet in belang van kinderen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.304 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.358.613
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 556460)




beschikking van 16 december 2025




in de zaak van





[verzoekster]
(de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R.N. Sahebdien



Als belanghebbenden zijn aangemerkt:





[de vader]
(de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. C.C. Sneper




de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd in Arnhem




de pleegouders van [minderjarige1] en [minderjarige2]
die wonen in [woonplaats3]







1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 september 2023 en 6 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer 556460.






2Het geding in hoger beroep


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 29 augustus 2025;


een journaalbericht namens de moeder van 4 november 2025 met bijlagen.





2.2

[minderjarige1] en [minderjarige2] zijn uitgenodigd te vertellen wat zij vinden van de ondertoezichtstelling, maar zij hebben niet gereageerd.




2.3
De zitting bij het hof was op 11 november 2025. Aanwezig waren:


de moeder met haar advocaat en een begeleider


de advocaat van de vader


twee vertegenwoordigers van de raad voor de kinderbescherming (de raad)


een vertegenwoordiger van de GI.








3De feiten


3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige1] , geboren [in] 2013, en [minderjarige2] , geboren [in] 2014. De vader heeft beide kinderen erkend.



3.2
De moeder oefende alleen het gezag uit over de kinderen.



3.3

De rechtbank Noord-Nederland heeft in een beschikking van 2 september 2020 het
gezag van de moeder over [minderjarige1] en [minderjarige2] beëindigd en bepaald dat de vader alleen met
het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] is belast.




3.4
De kinderrechter heeft [minderjarige1] en [minderjarige2] op 2 september 2020 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd. Op 21 april 2022 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] en [minderjarige2] verleend in een pleeggezin. De uithuisplaatsing is vervolgens steeds verlengd.



3.5

[minderjarige1] en [minderjarige2] verblijven in het gezin van de pleegouders.






4De omvang van het geschil


4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om haar in het gezag te herstellen en te bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] wordt belast, afgewezen.



4.2
De moeder is (met twee grieven) in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 6 juni 2025. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en te bepalen dat zij (eenhoofdig) wordt belast met het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] .



4.3
Namens de vader heeft zijn advocaat op de mondelinge behandeling in hoger beroep mondeling verweer gevoerd en gevraagd om het verzoek van de moeder af te wijzen.






5De motivering van de beslissing



Juridisch kader



5.1
In artikel 1:277 BW staat dat de rechter de ouder wiens gezag is beëindigd op zijn verzoek in het gezag kan herstellen als:
a. herstel in het gezag in het belang van het kind is en
b. de ouder in staat is duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen.



5.2
Anders dan de moeder heeft gesteld is naar het oordeel van het hof aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:277 BW niet voldaan. Het hof verwijst naar de uitvoerig gemotiveerde beschikking van de kinderrechter, sluit zich aan bij die motivering en maakt die na eigen onderzoek tot de zijne. Hieraan voegt het hof nog het volgende toe.



5.3

[minderjarige1] en [minderjarige2] wonen al ruim drie jaar in het pleeggezin en daarmee is de aanvaardbare termijn om verandering te brengen in hun opvoedsituatie verstreken. Zij zijn gebaat bij de continuïteit die het huidige pleeggezin biedt. De moeder zegt weliswaar dat zij heeft geaccepteerd dat de kinderen in het pleeggezin wonen, maar voor de kinderen moet duidelijk zijn dat zij blijven wonen en worden opgevoed in het gezin van de pleegouders, zoals dat ook de afgelopen jaren is gebeurd. Als het verzoek van de moeder zou worden toegewezen, zou dat (opnieuw) onzekerheid over het verblijf van de kinderen in het pleeggezin met zich kunnen brengen. Dat is niet in het belang van de kinderen. In het pleeggezin krijgen zij de veiligheid, de rust en de begrenzing die zij nodig hebben om te verwerken wat zij hebben meegemaakt en om zich positief te (blijven) ontwikkelen.



5.4
Dit betekent dat de beslissing van de kinderrechter in stand zal blijven (worden bekrachtigd).






6De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 juni 2025.



Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.