Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2025:300
2025-01-21
Civiel recht
200.348.630
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkheid, 335 lid 1 Rv. Hoger beroep niet mogelijk tegen een verstekvonnis.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.872 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.630
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 315858
arrest van 21 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.H.J. van Riessen
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank) op 10 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. [appellant] is door het hof in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in het hoger beroep. [appellant] heeft de voornoemde akte op 17 december 2024 genomen. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1.
Blijkens het vonnis van de rechtbank is [appellant] in de procedure bij de rechtbank niet verschenen en is verstek tegen hem verleend, wat verder niet ter discussie staat. Artikel 335 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat tegen een veroordeling bij verstek geen hoger beroep openstaat. De gedaagde kan alleen in verzet komen van het verstekvonnis (artikel 140 lid 1 Rv). Dit zou betekenen dat [appellant] niet-ontvankelijk is in dit hoger beroep. [appellant] stelt echter dat hij wel ontvankelijk is, omdat hij op 2 oktober 2024 verzet heeft aangetekend bij de rechtbank, maar dat verzet door de rechtbank niet is erkend. [appellant] is de Nederlandse taal niet machtig en was niet in Nederland toen de procedure bij de rechtbank speelde. De dagvaarding is daarom niet aan hem in persoon betekend, aldus [appellant] . Toen hij een kopie ontving van het vonnis, heeft hij verzet aangetekend. Omdat hij wel bedoeld heeft verzet aan te tekenen, zou het volgens [appellant] in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces c.q. de redelijkheid en billijkheid om hem niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep.
2.2.
Het hof volgt [appellant] hierin niet. Op grond van artikel 143 Rv moet het verzet worden gedaan bij exploot van dagvaarding. [appellant] heeft verzet willen aantekenen met zijn ‘verweer’ dat hij op 2 oktober 2024 per e-mail heeft gestuurd aan het e-mailadres: [email protected]. Vaststaat dat het verzet niet bij exploot van dagvaarding is gedaan. Dat het door [appellant] aangetekende verzet door de rechtbank kennelijk niet is erkend ( [appellant] licht die stelling helemaal niet toe), brengt niet mee dat [appellant] nu ontvankelijk is in hoger beroep van het verstekvonnis.
2.3.
De omstandigheden dat [appellant] de Nederlandse taal niet machtig is en niet in Nederland was toen de procedure bij de rechtbank speelde, leiden evenmin tot het oordeel dat [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Hij heeft in dat licht niet duidelijk gemaakt waarom bijvoorbeeld het inschakelen van (juridische) hulp voor hem niet mogelijk was. Naar het oordeel van het hof zijn er door [appellant] verder geen andere omstandigheden aangedragen die een uitzondering op artikel 335 lid 1 Rv rechtvaardigen. Het recht op een eerlijk proces en/of de redelijkheid en billijkheid vormen in deze situatie geen argumenten om [appellant] ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.
De conclusie
2.4.
Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in hoger beroep. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. De advocaatkosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op nihil.
3De beslissing
Het hof:
3.1.
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in hoger beroep;
3.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 798,- aan griffierecht.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, M. Schoemaker en G.A. Diebels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.630
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 315858
arrest van 21 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.H.J. van Riessen
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank) op 10 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. [appellant] is door het hof in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in het hoger beroep. [appellant] heeft de voornoemde akte op 17 december 2024 genomen. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1.
Blijkens het vonnis van de rechtbank is [appellant] in de procedure bij de rechtbank niet verschenen en is verstek tegen hem verleend, wat verder niet ter discussie staat. Artikel 335 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat tegen een veroordeling bij verstek geen hoger beroep openstaat. De gedaagde kan alleen in verzet komen van het verstekvonnis (artikel 140 lid 1 Rv). Dit zou betekenen dat [appellant] niet-ontvankelijk is in dit hoger beroep. [appellant] stelt echter dat hij wel ontvankelijk is, omdat hij op 2 oktober 2024 verzet heeft aangetekend bij de rechtbank, maar dat verzet door de rechtbank niet is erkend. [appellant] is de Nederlandse taal niet machtig en was niet in Nederland toen de procedure bij de rechtbank speelde. De dagvaarding is daarom niet aan hem in persoon betekend, aldus [appellant] . Toen hij een kopie ontving van het vonnis, heeft hij verzet aangetekend. Omdat hij wel bedoeld heeft verzet aan te tekenen, zou het volgens [appellant] in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces c.q. de redelijkheid en billijkheid om hem niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep.
2.2.
Het hof volgt [appellant] hierin niet. Op grond van artikel 143 Rv moet het verzet worden gedaan bij exploot van dagvaarding. [appellant] heeft verzet willen aantekenen met zijn ‘verweer’ dat hij op 2 oktober 2024 per e-mail heeft gestuurd aan het e-mailadres: [email protected]. Vaststaat dat het verzet niet bij exploot van dagvaarding is gedaan. Dat het door [appellant] aangetekende verzet door de rechtbank kennelijk niet is erkend ( [appellant] licht die stelling helemaal niet toe), brengt niet mee dat [appellant] nu ontvankelijk is in hoger beroep van het verstekvonnis.
2.3.
De omstandigheden dat [appellant] de Nederlandse taal niet machtig is en niet in Nederland was toen de procedure bij de rechtbank speelde, leiden evenmin tot het oordeel dat [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Hij heeft in dat licht niet duidelijk gemaakt waarom bijvoorbeeld het inschakelen van (juridische) hulp voor hem niet mogelijk was. Naar het oordeel van het hof zijn er door [appellant] verder geen andere omstandigheden aangedragen die een uitzondering op artikel 335 lid 1 Rv rechtvaardigen. Het recht op een eerlijk proces en/of de redelijkheid en billijkheid vormen in deze situatie geen argumenten om [appellant] ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.
De conclusie
2.4.
Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in hoger beroep. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. De advocaatkosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op nihil.
3De beslissing
Het hof:
3.1.
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in hoger beroep;
3.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 798,- aan griffierecht.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, M. Schoemaker en G.A. Diebels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.