Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2025:223
2025-01-20
Strafrecht
Wahv 200.338.680/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Niet verzekerde bromfiets. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval het sanctiebedrag met 50% moet worden gematigd. Het hof acht de door de advocaat-generaal gemaakte afweging juist en zal hem hierin volgen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7764 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.498 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.338.680/01
CJIB-nummer
: 246985311
Uitspraak d.d.
: 20 januari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 25 juli 2024 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking van 14 maart 2022 een sanctie van € 370,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 6 december 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de betrokkene de gedraging ontkent, maar geeft hiervoor geen argumenten. De gegevens in het zaakoverzicht bieden voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
3. De gemachtigde wijst verder op de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Hij staat onder bewind en heeft forse schulden. Daarbij staat de hoogte van de sanctie niet in verhouding tot de gedraging. Het gaat om een scooter die de betrokkene al niet meer in zijn bezit had, maar voor het niet verzekerd zijn waarvan wel een forse boete is opgelegd. Gezien deze omstandigheden verzoekt de gemachtigde om het bedrag van de sanctie te matigen tot een bedrag dat passend is voor de situatie van de betrokkene.
4. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval het sanctiebedrag met 50 procent dient te worden gematigd. De advocaat-generaal merkt daartoe op dat de betrokkene ten tijde van de pleegdatum drie bromfietsen op zijn naam had staan. In de periode van 6 juli 2021 tot en met 7 juli 2022 zijn aan de betrokkene zes sancties opgelegd wegens het voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden. Naast dit aantal boetes is de advocaat-generaal gebleken dat twee van de bromfietsen - na ontvangst van de initiële beschikking - op 18 maart 2022 zijn gevrijwaard. Daarbij heeft de advocaat-generaal betekenis toegekend aan de financiële situatie waarin de betrokkene verkeert.
5. Het openbaar ministerie beschikt over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en/of waarin de betrokkene verkeert dat rechtvaardigen. Het hof acht de door de advocaat-generaal gemaakte afweging juist en zal hem hierin volgen. Voor een verdergaande matiging van het sanctiebedrag ziet het hof geen aanleiding. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Indien de betrokkene een voertuig op zijn naam laat overschrijven, is hij vanaf dat moment als kentekenhouder verantwoordelijk voor alle verplichtingen die dat met zich brengt, waaronder ook de verzekeringsplicht. Wat de betrokkene aanvoert met betrekking tot het niet in bezit zijn van de scooter betreft daarom een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen.
6. Met betrekking tot de vergoeding van proceskosten overweegt het hof dat de proceskosten gemaakt in administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien de inleidende beschikking niet wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Slechts de officier van justitie kan, op de voet van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv, het bedrag van de sanctie matigen in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaats gevonden en/of de omstandigheden waarin een betrokkene verkeert.
De proceskosten gemaakt in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep komen wel voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.133,75 (= 2,5 x € 907,- x 0,5).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 185,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.133,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.338.680/01
CJIB-nummer
: 246985311
Uitspraak d.d.
: 20 januari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 25 juli 2024 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking van 14 maart 2022 een sanctie van € 370,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 6 december 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de betrokkene de gedraging ontkent, maar geeft hiervoor geen argumenten. De gegevens in het zaakoverzicht bieden voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
3. De gemachtigde wijst verder op de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Hij staat onder bewind en heeft forse schulden. Daarbij staat de hoogte van de sanctie niet in verhouding tot de gedraging. Het gaat om een scooter die de betrokkene al niet meer in zijn bezit had, maar voor het niet verzekerd zijn waarvan wel een forse boete is opgelegd. Gezien deze omstandigheden verzoekt de gemachtigde om het bedrag van de sanctie te matigen tot een bedrag dat passend is voor de situatie van de betrokkene.
4. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval het sanctiebedrag met 50 procent dient te worden gematigd. De advocaat-generaal merkt daartoe op dat de betrokkene ten tijde van de pleegdatum drie bromfietsen op zijn naam had staan. In de periode van 6 juli 2021 tot en met 7 juli 2022 zijn aan de betrokkene zes sancties opgelegd wegens het voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden. Naast dit aantal boetes is de advocaat-generaal gebleken dat twee van de bromfietsen - na ontvangst van de initiële beschikking - op 18 maart 2022 zijn gevrijwaard. Daarbij heeft de advocaat-generaal betekenis toegekend aan de financiële situatie waarin de betrokkene verkeert.
5. Het openbaar ministerie beschikt over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en/of waarin de betrokkene verkeert dat rechtvaardigen. Het hof acht de door de advocaat-generaal gemaakte afweging juist en zal hem hierin volgen. Voor een verdergaande matiging van het sanctiebedrag ziet het hof geen aanleiding. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Indien de betrokkene een voertuig op zijn naam laat overschrijven, is hij vanaf dat moment als kentekenhouder verantwoordelijk voor alle verplichtingen die dat met zich brengt, waaronder ook de verzekeringsplicht. Wat de betrokkene aanvoert met betrekking tot het niet in bezit zijn van de scooter betreft daarom een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen.
6. Met betrekking tot de vergoeding van proceskosten overweegt het hof dat de proceskosten gemaakt in administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien de inleidende beschikking niet wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Slechts de officier van justitie kan, op de voet van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv, het bedrag van de sanctie matigen in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaats gevonden en/of de omstandigheden waarin een betrokkene verkeert.
De proceskosten gemaakt in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep komen wel voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.133,75 (= 2,5 x € 907,- x 0,5).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 185,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.133,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.