Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2025:2143

2025-04-09 Strafrecht Wahv 200.346.549/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2025-04-09
Publicatiedatum
2025-04-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
Wahv 200.346.549/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vasthouden mobiel elektronisch apparaat. De verklaring van de ambtenaar dat hij bij de staandehouding het mobiel elektronisch apparaat herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden kan zonder nadere toelichting niet als juist worden aangemerkt in een situatie waarin de ambtenaar die de gedraging waarneemt een ander is dan de ambtenaar die de staandehouding verricht. De sanctiebeschikking wordt vernietigd.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.662 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden








Zaaknummer


: Wahv 200.346.549/01




CJIB-nummer


: 246083013




Uitspraak d.d.


: 9 april 2025









Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 24 juni 2024, betreffende




[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .


De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.



De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 140,64. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 418,50.




Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.





De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 december 2021 om 15.06 uur op de A67 in Eersel met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd wegens schending van de hoorplicht door de officier van justitie en overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene vasthoudend en consistent heeft betoogd geen mobiel elektronisch apparaat in zijn handen te hebben gehad. Bij staandehouding heeft de betrokkene de gedraging direct ontkend. De verklaring van de ambtenaar is verwarrend, nu hij verklaart dat hij zag dat collega [naam1] zag dat de bestuurder van het voertuig een mobiel apparaat vasthield. Vervolgens verklaart hij dat hij zag dat het een ZTE betrof die hij herkende als het apparaat dat rijdend werd vastgehouden.


4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een ZTE met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat collega [naam1] zag dat de bestuurder van het voertuig een mobiel apparaat vasthield tijdens het rijden. Bij de staandehouding zag ik dat het een ZTE betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder tijdens het rijden heeft vastgehouden. (…)Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)Verklaring betrokkene: Ik weet zeker dat ik het niet was.”

6. Zoals het hof heeft geoordeeld in zijn arrest van 4 juli 2022, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:5641, kan in een situatie als deze, waarin (kennelijk) de ambtenaar die de gedraging waarneemt een ander is dan de ambtenaar die de staandehouding verricht, de verklaring in het zaakoverzicht dat de ambtenaar bij staandehouding zag dat het een mobiel elektronisch apparaat betrof dat hij herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden, zonder nadere toelichting niet als juist worden aangemerkt en daarmee niet bijdragen aan de vaststelling van de gedraging. Herkennen veronderstelt dat de ambtenaar reeds eerder kennis heeft genomen van de bijzonderheden van het voorwerp en aan de hand van die bijzonderheden de overeenkomst kan bepalen met het mobiele elektronische apparaat die hij bij de staandehouding aantreft. Dat daarvan hier sprake is, blijkt niet uit de gegevens in het dossier.

7. De gegevens in het dossier zijn onvoldoende om de gedraging te kunnen vaststellen. Daar weegt het hof in mee dat de betrokkene bij staandehouding de gedraging heeft ontkend. Daarnaast heeft de betrokkene in het door hemzelf ingediende administratief beroepschrift geschreven dat hij een chocoladereep aan het eten was, dat hij dit meteen bij staandehouding heeft gezegd en dat hij de reep heeft getoond. Verder heeft hij geschreven dat de ambtenaar bij staandehouding heeft gezegd dat het om een soortgelijke auto ging. Er zou een spotter op een viaduct hebben gestaan. De officier van justitie had hierin, gelet op de verklaring in het zaakoverzicht, aanleiding moeten zien om een nadere toelichting op de verklaring in het zaakoverzicht te vragen. Dat is niet gedaan. Nu de advocaat-generaal in de gelegenheid is gesteld om een verweerschrift in te dienen maar dit niet heeft gedaan, ziet het hof geen aanleiding om de ambtenaren alsnog om een nadere toelichting te vragen. De inleidende beschikking zal worden vernietigd.

8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 907,- (= (2 x € 907,- x 0,5)).






De beslissing
Het gerechtshof:


vernietigt de beslissing van de kantonrechter;



verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;



verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;



vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;



bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;



veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 907,-.



Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.