Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2023:9366
2023-11-07
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Wahv 200.326.921
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Proceskostenvergoeding. De kantonrechter had in dit geval het bedrag van de sanctie niet hoeven te matigen in verband met de schending van de hoorplicht en had dus geen proceskostenvergoeding hoeven toe te kennen. De grond met betrekking tot de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding behoeft daarmee geen bespreking meer.
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHARL:2023:2770 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3248 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:9934 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2023:6930 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-08-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.789 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.326.921/01
CJIB-nummer
: 249488572
Uitspraak d.d.
: 7 november 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd alsmede het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de bestreden beschikking gewijzigd in die zin dat het bedrag van de sanctie en de administratiekosten zal worden bepaald op € 271,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 100,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Hetgeen in hoger beroep door de gemachtigde van de betrokkene wordt aangevoerd, beperkt zich tot de grond inhoudende dat de beslissing van de kantonrechter, onder verwijzing naar de arresten van het hof van 30 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2770 en 17 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3248, dient te worden vernietigd. De gemachtigde verzoekt het hof om een juiste proceskostenvergoeding vast te stellen.
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden terwijl de betrokkene met een (professioneel) gemachtigde procedeerde. De kantonrechter heeft om die reden het bedrag van de sanctie gematigd met 25 procent. De kantonrechter heeft voorts een proceskostenvergoeding toegekend tot een bedrag van € 100,-.
3. Gelet op hetgeen het hof in de arresten van 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9934 en 17 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6930 heeft overwogen, had de kantonrechter in dit geval in de schending van de hoorplicht geen aanleiding behoeven te vinden om het bedrag van de sanctie te matigen en daarmee de betrokkene in het gelijk te stellen.
4. Dit betekent dat de kantonrechter geen proceskostenvergoeding had behoeven toe te kennen. Het hof zal daarom de aangevoerde grond die de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding betreft niet bespreken.
5. Met het oog op het verbod van reformatio in peius zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.326.921/01
CJIB-nummer
: 249488572
Uitspraak d.d.
: 7 november 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd alsmede het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de bestreden beschikking gewijzigd in die zin dat het bedrag van de sanctie en de administratiekosten zal worden bepaald op € 271,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 100,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Hetgeen in hoger beroep door de gemachtigde van de betrokkene wordt aangevoerd, beperkt zich tot de grond inhoudende dat de beslissing van de kantonrechter, onder verwijzing naar de arresten van het hof van 30 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2770 en 17 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3248, dient te worden vernietigd. De gemachtigde verzoekt het hof om een juiste proceskostenvergoeding vast te stellen.
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden terwijl de betrokkene met een (professioneel) gemachtigde procedeerde. De kantonrechter heeft om die reden het bedrag van de sanctie gematigd met 25 procent. De kantonrechter heeft voorts een proceskostenvergoeding toegekend tot een bedrag van € 100,-.
3. Gelet op hetgeen het hof in de arresten van 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9934 en 17 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6930 heeft overwogen, had de kantonrechter in dit geval in de schending van de hoorplicht geen aanleiding behoeven te vinden om het bedrag van de sanctie te matigen en daarmee de betrokkene in het gelijk te stellen.
4. Dit betekent dat de kantonrechter geen proceskostenvergoeding had behoeven toe te kennen. Het hof zal daarom de aangevoerde grond die de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding betreft niet bespreken.
5. Met het oog op het verbod van reformatio in peius zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.