Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2023:7252

2023-08-29 Strafrecht Wahv 200.322.405/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2023-08-29
Publicatiedatum
2023-08-29
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
Wahv 200.322.405/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld en niet is gebleken dat dit verschoonbaar is. Nu geen sprake is van een procedure in eerste aanleg waarin een sanctiebedrag is vastgesteld, kan het hof hier niet tot matiging van het sanctiebedrag overgaan, maar zal het volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.

Citeert (2)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (8.598 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden








Zaaknummer


: Wahv 200.322.405/01




CJIB-nummer


: 215843347




Uitspraak d.d.


: 29 augustus 2023









Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2022, betreffende




[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .


De gemachtigde van de betrokkene is Strafrechtswinkel Amsterdam, kantoorhoudende te Amsterdam.



De beslissing van de kantonrechter
Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Daarna heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie (opnieuw) niet-ontvankelijk verklaard.




Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.





De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.

2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de beslissing van de officier van justitie nooit per post heeft ontvangen en van de beslissing op de hoogte is geraakt doordat er aanmaningen zijn gestuurd en omdat hij zelf meermalen heeft gebeld naar het openbaar ministerie. Eerder in de procedure bleek ook al dat correspondentie omtrent de zitting van de kantonrechter niet juist is verstuurd. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt daarom mee dat de advocaat-generaal aannemelijk maakt dat de stelling van de betrokkene dat de beslissing van de officier van justitie niet aan hem is verzonden, onjuist is.

3. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.

4. Het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb brengt mee dat de beslissing pas op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, indien de beslissing naar het juiste adres is verzonden, waarbij het door de indiener van het beroepschrift opgegeven adres leidend is.

5. De betrokkene heeft op 18 augustus 2018 via het Digitaal Loket Verkeer administratief beroep ingesteld zonder tussenkomst van de gemachtigde. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de beslissing van de officier van justitie op 6 september 2018 aan de betrokkene is toegestuurd. Uit navraag door de advocaat-generaal en het door de advocaat-generaal overgelegde uitgebreide zaakoverzicht blijkt dat de beslissing is gestuurd naar het door de betrokkene opgegeven adres, dat overeenkomt met het adres van de betrokkene dat was opgenomen in de Basisregistratie personen (BRP). Hiermee is voldaan aan de uit 3:41, eerste lid, van de Awb voortvloeiende verplichting om de beslissing toe te zenden aan de indiener van het beroepschrift. De beroepstermijn eindigde gelet hierop op 18 oktober 2018.

6. De betrokkene heeft op 18 juli 2019 via het Digitaal Loket Verkeer beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is dus niet tijdig ingesteld.

7. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.

8. De gemachtigde voert aan dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar is. De betrokkene had nog geen procesbijstand en kampte met arbeidsongeschiktheid. Hij heeft alles wat op zijn weg ligt gedaan om de lopende termijn te bewaken. Voorts voert de gemachtigde aan dat het bezwaarlijk is dat er niet eerder is gekeken naar alle ontvankelijkheidsgronden. De betrokkene mocht erop vertrouwen dat – na de gehele procedure van het hoger beroep te hebben doorlopen – over zou worden gegaan tot een inhoudelijke behandeling.

9. Wat wordt aangevoerd, maakt niet dat het te laat instellen van beroep de betrokkene niet kan worden toegerekend. De betrokkene had tijdig beroep in kunnen stellen, al dan niet op nader aan te voeren gronden of door hulp te vragen aan een derde, zoals hij later in de procedure ook gedaan heeft. De omstandigheid dat het hof de zaak van de betrokkene eerder heeft teruggewezen naar de rechtbank omdat niet kon worden vastgesteld dat niet tijdig zekerheid was gesteld, betekent niet dat de betrokkene erop mocht vertrouwen dat er een inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden en niet meer naar (overige) ontvankelijkheidseisen zou worden gekeken.

10. Nu niet is gebleken dat het te laat instellen van beroep verschoonbaar is, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

11. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep voorts aan dat de betrokkene extra belast is doordat deze procedure nu al meer dan vier jaar boven zijn hoofd hangt. Het hof begrijpt dat de gemachtigde verzoekt om matiging van het bedrag van de sanctie in verband met schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
12. De advocaat-generaal heeft in het verweerschrift onder verwijzing het arrest van het hof van 3 maart 2017 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2017:1777) het standpunt ingenomen dat in de onderhavige procedure sprake is van onredelijke vertraging in de berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, maar dat kan worden volstaan met deze vaststelling nu het bedrag van de sanctie minder dan € 1.000,- bedraagt.


13. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 29 juni 2018 aan de betrokkene toegezonden en de procedure in eerste aanleg is eerst geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 1 december 2022. Het hof heeft in zijn arrest van 28 juli 2023 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369) overwogen dat de jurisprudentie waarbij aansluiting werd gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad in strafzaken en, gelet op de hoogte van het sanctiebedrag in zaken als deze, volstaan werd met de enkele vaststelling dat bedoelde termijn is overschreden, dient te worden herzien en dat het hof als uitgangspunt hanteert dat indien de redelijke termijn van berechting is overschreden, hetzij in de procedure in eerste aanleg, hetzij in de procedure in hoger beroep, het sanctiebedrag zoals dat in die procedure is of had moeten worden vastgesteld in beginsel wordt gematigd met 25%.

14. In het onderhavige geval is, doordat de betrokkene te laat beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, geen sprake van een procedure in eerste aanleg waarin een sanctiebedrag is vastgesteld. Dat betekent dat het hof hier niet tot matiging van het sanctiebedrag kan overgaan maar zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.

15. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.




De beslissing
Het gerechtshof:


bevestigt de beslissing van de kantonrechter;



wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.



Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.