Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2023:6943
2023-08-17
Strafrecht
Wahv 200.326.146/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd op het punt van het sanctiebedrag. De betrokkene is daardoor in het gelijk gesteld. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De omstandigheid dat de kantonrechter de wijziging ambtshalve heeft toegepast, doet daar niet aan af.
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHARL:2020:3336 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2022:2330 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2020:8301 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-10-2020
- ECLI:NL:GHARL:2021:1786 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-04-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.638 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.326.146/01
CJIB-nummer
: 241127629
Uitspraak d.d.
: 17 augustus 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 23 december 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 319,- (inclusief administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met vervoer gehandicapte”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 mei 2021 om 9.10 uur op de Jan Hendrikstraat (t.h.v. huisnummer 85) in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging met ingang van 1 maart 2022 is verminderd tot € 310,- (artikel 1 van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven).
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat door middel van het hoger beroepschrift, in samenhang met het administratief beroepschrift en het beroepschrift bij de kantonrechter, gemotiveerd is gesteld dat de gedraging niet is verricht dan wel dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen.
4. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter op dit punt juist en op goede gronden beslist. Het hof stelt vast dat wat namens de betrokkene in het hoger beroepschrift naar voren is gebracht niet meer is dan een herhaling van wat eerder in de procedure aan de orde is gesteld. Nu de gemachtigde, een professioneel rechtsbijstandverlener, hiermee heeft volstaan en niet heeft aangegeven dat en waarom de kantonrechter die gronden niet juist heeft beoordeeld, gaat het hof hieraan voorbij.
5. In zoverre komt de beslissing van de kantonrechter voor bevestiging in aanmerking.
6. De gemachtigde voert verder aan dat, nu de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, de kantonrechter het verzoek om vergoeding van proceskosten ten onrechte heeft afgewezen. Daarbij verwijst de gemachtigde naar rechtspraak van het hof.
7. Deze grond slaagt. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd op het punt van het sanctiebedrag. De betrokkene is daardoor in het gelijk gesteld, zoals bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit brengt mee dat aanleiding bestond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De omstandigheid dat de kantonrechter de wijziging ambtshalve heeft toegepast, doet daar niet aan af (vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:2330, ov. 8 en 24 en ECLI:NL:GHARL:2020:8301, ov. 16). De kantonrechter heeft dus ten onrechte het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen.
8. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten alsnog een proceskostenvergoeding toekennen voor de fase van het administratief beroep en het beroep bij de kantonrechter.
9. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de (eerste) zitting van de kantonrechter en de nadere zitting na tussenuitspraak dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.703,25 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (3 x € 837,- x 0,5)).
10. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval ook aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de fase van het hoger beroep (vgl. het arrest van het hof van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Nu de betrokkene in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakt kosten € 209,25 (= 1 x € 837,- x 0,25).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.912,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.326.146/01
CJIB-nummer
: 241127629
Uitspraak d.d.
: 17 augustus 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 23 december 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 319,- (inclusief administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met vervoer gehandicapte”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 mei 2021 om 9.10 uur op de Jan Hendrikstraat (t.h.v. huisnummer 85) in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging met ingang van 1 maart 2022 is verminderd tot € 310,- (artikel 1 van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven).
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat door middel van het hoger beroepschrift, in samenhang met het administratief beroepschrift en het beroepschrift bij de kantonrechter, gemotiveerd is gesteld dat de gedraging niet is verricht dan wel dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een sanctie niet rechtvaardigen.
4. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter op dit punt juist en op goede gronden beslist. Het hof stelt vast dat wat namens de betrokkene in het hoger beroepschrift naar voren is gebracht niet meer is dan een herhaling van wat eerder in de procedure aan de orde is gesteld. Nu de gemachtigde, een professioneel rechtsbijstandverlener, hiermee heeft volstaan en niet heeft aangegeven dat en waarom de kantonrechter die gronden niet juist heeft beoordeeld, gaat het hof hieraan voorbij.
5. In zoverre komt de beslissing van de kantonrechter voor bevestiging in aanmerking.
6. De gemachtigde voert verder aan dat, nu de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, de kantonrechter het verzoek om vergoeding van proceskosten ten onrechte heeft afgewezen. Daarbij verwijst de gemachtigde naar rechtspraak van het hof.
7. Deze grond slaagt. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd op het punt van het sanctiebedrag. De betrokkene is daardoor in het gelijk gesteld, zoals bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit brengt mee dat aanleiding bestond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De omstandigheid dat de kantonrechter de wijziging ambtshalve heeft toegepast, doet daar niet aan af (vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:2330, ov. 8 en 24 en ECLI:NL:GHARL:2020:8301, ov. 16). De kantonrechter heeft dus ten onrechte het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen.
8. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten alsnog een proceskostenvergoeding toekennen voor de fase van het administratief beroep en het beroep bij de kantonrechter.
9. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de (eerste) zitting van de kantonrechter en de nadere zitting na tussenuitspraak dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.703,25 (= (1,5 x € 597,- x 0,5) + (3 x € 837,- x 0,5)).
10. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval ook aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de fase van het hoger beroep (vgl. het arrest van het hof van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Nu de betrokkene in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakt kosten € 209,25 (= 1 x € 837,- x 0,25).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.912,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.