Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2023:6887
2023-08-15
Civiel recht
200.329.313
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verwijzing naar ander hof in herroepingszaak? Art. 384 lid 1 Rv. Art. 62b Wet RO, art. 46b Wet RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.081 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.329.313 (herroeping van 200.280.533)
(zaaknummer rechtbank 159198)
arrest van 15 augustus 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
P.C.D. Products B.V.,
gevestigd te Borne,
2. [eiser2],
wonende te [woonplaats1] ,
3. [eiser3],
wonende te [woonplaats2] ,
eisers in de procedure tot herroeping,
hierna gezamenlijk PCD c.s.,
advocaat: mr. M.M. de Jong,
tegen:
de naamloze vennootschap
ABN AMRO Bank N.V.,
statutair gevestigd te Amsterdam,
gedaagden in de procedure tot herroeping,
hierna: de bank,
advocaat: mr. M. Huizenga.
1Het verloop van de procedure in de herroepingszaak
Het hof heeft op 29 november 2022 eindarrest gewezen in de zaak tussen PCD c.s. en de bank. PCD c.s vordert in de dagvaarding van 26 april 2023 (met gronden) herroeping van dit arrest. Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte overlegging producties (1 tot en met 4) van PCD c.s.,
- de conclusie van antwoord in het incident.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).
2De beoordeling
2.1
PCD c.s. heeft verzocht om de behandeling van deze zaak naar een ander hof te verwijzen in verband met een door hem ingediende klacht bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad over onder meer de eerdere behandeling bij dit hof. De bank heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot verwijzing.
2.2
Op grond van artikel 384 lid 1 Rv wordt een vordering tot herroeping gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Dat is in dit geval dit hof.
2.3
Hoewel PCD c.s. zelf niet met zoveel woorden een beroep heeft gedaan op artikel 62b Wet RO, heeft de bank het verzoek tot verwijzing wel zo opgevat en zal het hof het ook zo behandelen. Verwijzing naar een ander gerecht op grond van artikel 62b Wet RO (en artikel 46b Wet RO) is mogelijk indien naar het oordeel van het verwijzend gerecht door betrokkenheid van het gerecht behandeling van de zaak door een ander gerecht gewenst is. Deze formulering omvat gevallen waarin een gerechtsmedewerker partij of betrokkene is bij de zaak, en maakt verwijzing ook mogelijk als bijvoorbeeld het gerecht zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft.
2.4
De gronden voor het verzoek tot verwijzing naar een ander hof komen erop neer dat PCD c.s. vindt dat het hof op de mondelinge behandeling PCD c.s. onvoldoende in staat heeft gesteld zijn verhaal te doen; PCD c.s. heeft ook op 20 april 2023 een klacht tegen (onder meer) het hof bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad ingediend.
Dit maakt echter niet dat daardoor sprake is van betrokkenheid van dit hof bij de zaak. Het hof ziet daarom geen aanleiding om deze zaak te verwijzen naar een ander hof.
3De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
3.1
wijst het verzoek tot verwijzing naar een ander hof af;
3.2
verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door de bank in de herroepingszaak,
3.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2023.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.329.313 (herroeping van 200.280.533)
(zaaknummer rechtbank 159198)
arrest van 15 augustus 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
P.C.D. Products B.V.,
gevestigd te Borne,
2. [eiser2],
wonende te [woonplaats1] ,
3. [eiser3],
wonende te [woonplaats2] ,
eisers in de procedure tot herroeping,
hierna gezamenlijk PCD c.s.,
advocaat: mr. M.M. de Jong,
tegen:
de naamloze vennootschap
ABN AMRO Bank N.V.,
statutair gevestigd te Amsterdam,
gedaagden in de procedure tot herroeping,
hierna: de bank,
advocaat: mr. M. Huizenga.
1Het verloop van de procedure in de herroepingszaak
Het hof heeft op 29 november 2022 eindarrest gewezen in de zaak tussen PCD c.s. en de bank. PCD c.s vordert in de dagvaarding van 26 april 2023 (met gronden) herroeping van dit arrest. Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte overlegging producties (1 tot en met 4) van PCD c.s.,
- de conclusie van antwoord in het incident.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).
2De beoordeling
2.1
PCD c.s. heeft verzocht om de behandeling van deze zaak naar een ander hof te verwijzen in verband met een door hem ingediende klacht bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad over onder meer de eerdere behandeling bij dit hof. De bank heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot verwijzing.
2.2
Op grond van artikel 384 lid 1 Rv wordt een vordering tot herroeping gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Dat is in dit geval dit hof.
2.3
Hoewel PCD c.s. zelf niet met zoveel woorden een beroep heeft gedaan op artikel 62b Wet RO, heeft de bank het verzoek tot verwijzing wel zo opgevat en zal het hof het ook zo behandelen. Verwijzing naar een ander gerecht op grond van artikel 62b Wet RO (en artikel 46b Wet RO) is mogelijk indien naar het oordeel van het verwijzend gerecht door betrokkenheid van het gerecht behandeling van de zaak door een ander gerecht gewenst is. Deze formulering omvat gevallen waarin een gerechtsmedewerker partij of betrokkene is bij de zaak, en maakt verwijzing ook mogelijk als bijvoorbeeld het gerecht zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft.
2.4
De gronden voor het verzoek tot verwijzing naar een ander hof komen erop neer dat PCD c.s. vindt dat het hof op de mondelinge behandeling PCD c.s. onvoldoende in staat heeft gesteld zijn verhaal te doen; PCD c.s. heeft ook op 20 april 2023 een klacht tegen (onder meer) het hof bij de Procureur-Generaal van de Hoge Raad ingediend.
Dit maakt echter niet dat daardoor sprake is van betrokkenheid van dit hof bij de zaak. Het hof ziet daarom geen aanleiding om deze zaak te verwijzen naar een ander hof.
3De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
3.1
wijst het verzoek tot verwijzing naar een ander hof af;
3.2
verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door de bank in de herroepingszaak,
3.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2023.