Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2022:6887
2022-08-04
Strafrecht
Wahv 200.299.294/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Appelverbod. De gemachtigde stelt dat het appelverbod buiten toepassing moet blijven nu hij noch de betrokkene zijn opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Het hof constateert dat de gemachtigde op de zitting van de kantonrechter is verschenen en het woord heeft gevoerd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2020:3336 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2021:1786 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-04-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.646 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.299.294/01
CJIB-nummer
: 222636372
Uitspraak d.d.
: 4 augustus 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 11 maart 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De officier van justitie heeft op 10 mei 2019 de inleidende beschikking vernietigd en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat is ingesteld.
3. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat hij noch de betrokkene is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter en is van mening dat het hof het beroep daarom ontvankelijk kan achten. Het hof beschouwt dit verweer als strekkende tot buiten toepassing laten van het appelverbod.
4. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de gemachtigde op de zitting van de kantonrechter van 25 februari 2021 is verschenen namens de betrokkene en hier het woord heeft gevoerd. Er is dan ook geen sprake geweest van schending van het recht op toegang tot de rechter.
5. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hof zal het hoger beroep - dat zich richt tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding - niet-ontvankelijk verklaren.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.299.294/01
CJIB-nummer
: 222636372
Uitspraak d.d.
: 4 augustus 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 11 maart 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De officier van justitie heeft op 10 mei 2019 de inleidende beschikking vernietigd en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat is ingesteld.
3. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat hij noch de betrokkene is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter en is van mening dat het hof het beroep daarom ontvankelijk kan achten. Het hof beschouwt dit verweer als strekkende tot buiten toepassing laten van het appelverbod.
4. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de gemachtigde op de zitting van de kantonrechter van 25 februari 2021 is verschenen namens de betrokkene en hier het woord heeft gevoerd. Er is dan ook geen sprake geweest van schending van het recht op toegang tot de rechter.
5. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hof zal het hoger beroep - dat zich richt tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding - niet-ontvankelijk verklaren.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.