Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2021:5923
2021-06-16
Strafrecht
Wahv 200.264.670/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Appelverbod, dwangsom. Het hof kan de bezwaren ten aanzien van de dwangsom niet beoordelen, omdat de sanctie onder de appelgrens ligt.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2020:3336 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2021:1786 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-04-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.313 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.264.670/01
CJIB-nummer
: 219009580
Uitspraak d.d.
: 16 juni 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2019, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 17 juli 2020 en 12 oktober 2020 zijn nog een brief van de gemachtigde binnengekomen. Deze zijn in afschrift naar de advocaat-generaal verzonden.
De beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 62,- en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het beroep niet zijn ingediend.
3. Het hof zal het hoger beroep, dat zich richt tegen het niet inwilligen van het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het beroep door de officier van justitie, welk geschil connex is aan het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, daarom niet-ontvankelijk verklaren.
4. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.264.670/01
CJIB-nummer
: 219009580
Uitspraak d.d.
: 16 juni 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2019, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 17 juli 2020 en 12 oktober 2020 zijn nog een brief van de gemachtigde binnengekomen. Deze zijn in afschrift naar de advocaat-generaal verzonden.
De beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 62,- en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het beroep niet zijn ingediend.
3. Het hof zal het hoger beroep, dat zich richt tegen het niet inwilligen van het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het beroep door de officier van justitie, welk geschil connex is aan het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, daarom niet-ontvankelijk verklaren.
4. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.