Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2020:1488
2020-01-29
Strafrecht
21-006643-18
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman. De verdachte is niet ter zitting verschenen. Het hof stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend. De raadsman heeft ter zitting verklaard niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg behoeft dan ook geen bespreking. Het hof geeft toepassing aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2002:AD8860 Hoge Raad 23-04-2002
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.055 tekens)
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006643-18
Uitspraak d.d.: 12 februari 2020
VERSTEK
Arrest van de enkelvoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Groningen van 25 oktober 2018 met parketnummer 96-110188-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [adres]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 januari 2020.Ter terechtzitting heeft mr. A.C. de Kruijff, advocaat te Delfzijl, verweer gevoerd, strekkende tot nietigverklaring van de dagvaarding in eerste aanleg. Het hof heeft voorts kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal.
Geldigheid dagvaarding in eerste aanleg
De verdachte is niet ter zitting verschenen. Ter zitting is wel verschenen mr. A.C. de Kruijf, die verklaart dat hij al enige tijd geen contact meer heeft gehad met de verdachte en niet uitdrukkelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging. Hij stelt zich op het standpunt dat hij desondanks verweer mag voeren ten aanzien van de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg.
Het hof stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend. Nu de raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd is, is hij slechts bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte of het verzoeken om aanhouding van de zaak zodat de verdachte alsnog zijn aanwezigheidsrecht kan uitoefenen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2002, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2002:AD8860). Dat is niet gedaan. Niet is gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin anders moet worden geoordeeld. Het verweer ten aanzien van de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg behoeft dan ook geen bespreking.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, lid van de enkelvoudige kamer,
in tegenwoordigheid van mr. J. Wijmenga, griffier,
en op 12 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Parketnummer: 21-006643-18
Uitspraak d.d.: 12 februari 2020
VERSTEK
Arrest van de enkelvoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Groningen van 25 oktober 2018 met parketnummer 96-110188-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [adres]
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 januari 2020.Ter terechtzitting heeft mr. A.C. de Kruijff, advocaat te Delfzijl, verweer gevoerd, strekkende tot nietigverklaring van de dagvaarding in eerste aanleg. Het hof heeft voorts kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal.
Geldigheid dagvaarding in eerste aanleg
De verdachte is niet ter zitting verschenen. Ter zitting is wel verschenen mr. A.C. de Kruijf, die verklaart dat hij al enige tijd geen contact meer heeft gehad met de verdachte en niet uitdrukkelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging. Hij stelt zich op het standpunt dat hij desondanks verweer mag voeren ten aanzien van de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg.
Het hof stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend. Nu de raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd is, is hij slechts bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte of het verzoeken om aanhouding van de zaak zodat de verdachte alsnog zijn aanwezigheidsrecht kan uitoefenen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2002, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2002:AD8860). Dat is niet gedaan. Niet is gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin anders moet worden geoordeeld. Het verweer ten aanzien van de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg behoeft dan ook geen bespreking.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, lid van de enkelvoudige kamer,
in tegenwoordigheid van mr. J. Wijmenga, griffier,
en op 12 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.