Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2019:11137
2019-12-24
Bestuursrecht
Wahv 200.263.195/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In hoger beroep zijn geen gronden ingediend. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden. Artikel 6:6 Awb verplicht slechts om een termijn te geven voor het herstellen van een verzuim, wanneer het hof gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Die situatie doet zich in dit geval niet voor. De betrokkene heeft voldoende gelegenheid gehad om gronden in te dienen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2016:10365 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-12-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.802 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.263.195/01
CJIB-nummer
: 214503983
Uitspraak d.d.
: 24 december 2019
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 11 juni 2019, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 december 2019. De betrokkene is niet verschenen.De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .
Beoordeling
1. In het hoger beroepschrift van 19 juli 2019 legt de betrokkene niet uit waarom hij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Het beroepschrift bevat geen beroepsgronden en dat is wel verplicht op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Indien een beroepschrift - in strijd met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb - geen gronden bevat, dient de indiener daarvan de gelegenheid te worden geboden om deze op een later moment in te dienen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens daartoe. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan (vgl. het arrest van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:10365).
3. Het hof heeft de zaak behandeld op de zitting van 10 december 2019. De betrokkene is – zonder bericht - niet op deze zitting verschenen.
4. Het hoger beroepschrift bevat geen gronden. Door de betrokkene is niet verzocht om een termijn voor het indienen van gronden. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden geven voor het indienen van gronden. Artikel 6:6 van de Awb verplicht slechts om een termijn te geven voor het herstellen van een verzuim, wanneer het hof gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Die situatie doet zich in dit geval niet voor.
5. De betrokkene heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door het hof nadere gronden in te dienen, maar heeft dit nagelaten. Bovendien is de betrokkene ook niet ter zitting van het hof verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de betrokkene voldoende gelegenheid had tot het indienen van gronden, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.263.195/01
CJIB-nummer
: 214503983
Uitspraak d.d.
: 24 december 2019
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 11 juni 2019, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 december 2019. De betrokkene is niet verschenen.De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .
Beoordeling
1. In het hoger beroepschrift van 19 juli 2019 legt de betrokkene niet uit waarom hij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Het beroepschrift bevat geen beroepsgronden en dat is wel verplicht op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Indien een beroepschrift - in strijd met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb - geen gronden bevat, dient de indiener daarvan de gelegenheid te worden geboden om deze op een later moment in te dienen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens daartoe. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan (vgl. het arrest van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:10365).
3. Het hof heeft de zaak behandeld op de zitting van 10 december 2019. De betrokkene is – zonder bericht - niet op deze zitting verschenen.
4. Het hoger beroepschrift bevat geen gronden. Door de betrokkene is niet verzocht om een termijn voor het indienen van gronden. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden geven voor het indienen van gronden. Artikel 6:6 van de Awb verplicht slechts om een termijn te geven voor het herstellen van een verzuim, wanneer het hof gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Die situatie doet zich in dit geval niet voor.
5. De betrokkene heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door het hof nadere gronden in te dienen, maar heeft dit nagelaten. Bovendien is de betrokkene ook niet ter zitting van het hof verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de betrokkene voldoende gelegenheid had tot het indienen van gronden, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.