Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:569

2026-03-17 Civiel recht; Ondernemingsrecht 200.355.255/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-03-17
Publicatiedatum
2026-03-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
200.355.255/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; ARO 2026/21

Inhoudsindicatie

OK ; geschillenregeling ; afwijzing verzoek art. 31 Rv

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.215 tekens)
beschikking
___________________________________________________________________




GERECHTSHOF AMSTERDAM


ONDERNEMINGSKAMER




zaaknummer: 200.355.255/01 OK




beschikking van de Ondernemingskamer van 17 februari 2026



inzake





VANESTATE B.V.,
gevestigd te Nijmegen,

VERZOEKSTER,
advocaat: mr. J. Schröder, kantoorhoudende te Nijmegen,




t e g e n





PETRIAS BEHEER VUGHT B.V.,
gevestigd te Vught,

VERWEERSTER,
advocaat: mr. J. Oerlemans, kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,




e n t e g e n





1 [vader] ,
wonende te [plaats] ,
2. MIJKOIN B.V.,
gevestigd te Vught,
3. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR MIJKOIN,
gevestigd te Vught,
4. TRICOMSTATE HOLDING B.V.,
gevestigd te Vught,
5. BOBEAS B.V.,
gevestigd te Vught,
6. [zoon],

wonende te [plaats] ,

BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. Oerlemans voormeld,




e n t e g e n





7DOLBECO B.V.,

gevestigd te Vijfhuizen,

BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. M.J. Clement, kantoorhoudende te Amsterdam,



e n t e g e n





8i3 HOLDING B.V.,

gevestigd te Vught,

BELANGHEBBENDE,
advocaat: mrs. R. Le Grand en T.F.B. Jansen, kantoorhoudende te Rotterdam.




Hierna zullen de volgende partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:








verzoekster als:


Vanestate, tezamen met belanghebbende 7 ook als Vanestate c.s.




verweerster als:


Petrias, tezamen met belanghebbende 1 ook als Petrias ( [vader] )




belanghebbende 1 als:



[vader]





belanghebbende 2 als:


Mijkoin




belanghebbende 4 als:


Tricomstate




Belanghebbende 5 als:


Bobeas, tezamen met belanghebbende 6 ook als Bobeas ( [zoon] )




belanghebbende 7 als:


Dolbeco




belanghebbende 8 als:


i3 Holding





1 Het verloop van het geding


1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar het proces-verbaal van haar mondelinge uitspraak van 16 september 2025 en haar beschikkingen in deze zaak van 9 en 18 december 2025. In haar mondelinge uitspraak heeft de Ondernemingskamer, kort gezegd en voor zover van belang, onder meer bepaalde tegen Petrias, [vader] , [zoon] , Bobeas, STAK, Mijkoin en Tricomstate ingestelde samenhangende vorderingen afgesplitst en verstaan dat de procedure daarover voor de rechtbank Oost-Brabant zal worden voortgezet. In haar eerste beschikking heeft de Ondernemingskamer, samengevat en voor zover relevant, Petrias bevolen de door Vanestate en Dolbeco gehouden aandelen in i3 Holding over te nemen tegen een bepaalde prijs en Petrias ( [vader] ) veroordeeld in de kosten van de procedure. In haar tweede beschikking heeft de Ondernemingskamer twee kennelijke fouten in het petitum van de eerste beschikking hersteld.



1.2
Bij per e-mail van 19 januari toegestuurde brief heeft mr. Oerlemans de Ondernemingskamer op grond van artikel 31 Rv verzocht een (in de visie van zijn cliënt [vader] ) ‘andere kennelijke fout’ te herstellen.



1.3
Partijen zijn door de secretaris van de Ondernemingskamer in de gelegenheid gesteld te reageren. Vanestate en Dolbeco hebben op respectievelijk 30 januari en 6 februari 2026 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.





2De gronden van de beslissing


2.1

[vader] heeft verzocht de eerste beschikking zodanig te wijzigen (‘herstellen’) dat de proceskostenveroordeling niet (meer) ten laste van [vader] wordt uitgesproken. Hieraan heeft [vader] ten grondslag gelegd dat deze veroordeling een ‘andere kennelijke fout’ betreft zoals bedoeld in artikel 31 Rv. [vader] heeft dit als volgt toegelicht. Het verzoek tot uittreding was enkel gericht tegen Petrias. Als gevolg van de afsplitsing van de samenhangende vorderingen die mede waren ingesteld tegen [vader] , Bobeas ( [zoon] ), Tricomstate en Mijkoin zijn deze partijen op Petrias na geen partij meer bij (het vervolg van) de procedure. Voor het mede veroordelen van [vader] in de proceskosten bestond daarom geen wettelijke basis. Hij was geen partij meer en voor zover hij dat wel zou zijn, kan hij niet worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv, omdat er geen vordering tegen hem is toegewezen. Het uitspreken van een proceskostenveroordeling tegen Petrias ( [vader] ) moet dan ook een vergissing zijn geweest.


2.2
Vanestate en Dolbeco hebben bezwaar gemaakt tegen herstel van de beschikking. Deze bezwaren komen erop neer dat [vader] sinds de hierboven genoemde afsplitsing belanghebbende in de procedure is en het veroordelen van Petrias ( [vader] ) in de proceskosten, gelet op de aan het oordeel van de Ondernemingskamer ten grondslag liggende overwegingen, geen kennelijke fout betreft.



2.3
De Ondernemingskamer wijst het verzoek van [vader] af. Artikel 31 lid 1 Rv schrijft voor dat de Ondernemingskamer te allen tijde op verzoek van partijen of ambtshalve een eventuele kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent zal verbeteren. Er is sprake van een kennelijke fout indien voor partijen en derden direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing; te denken valt aan een toewijzing in het dictum die niet aansluit op de rechtsoverwegingen in het lichaam van de beslissing. Van een dergelijke, kennelijke, fout is in het onderhavige geval geen sprake. Het verzoek wordt daarom afgewezen.






3De beslissing


De Ondernemingskamer:



wijst het verzoek van [vader] af.




Deze beschikking is gegeven door mr. C.C. Meijer, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en prof. dr. mr. S. ten Have, raden, in tegenwoordigheid van mr. mr. F.C.W. Wijffels, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.C. Meijer op 17 februari februari 2026.