Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2816

2026-10-01 Strafrecht 23-000369-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-10-01
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23-000369-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Oplichting

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.662 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000369-26
datum uitspraak: 1 oktober 2026


TEGENSPRAAK


Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-091257-14 tegen




[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1986,
adres: [adres 1] .


Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.



De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.





Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep


De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd onder feit 1 tweede gedachtestreepje. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.





Tenlastelegging


Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:


1. primairhij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2011 tot en met 21 januari 2013 te Breezand, gemeente Anna Paulowna/gemeente Hollands Kroon, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een medewerker[s] van) " [bedrijf 1] N.V." heeft bewogen tot de afgifte van een geld(bedrag) (totaal euro 36.584,= of euro 15.750,=), in elk geval van enig geld(bedrag), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (via tussenpersoon " [bedrijf 2] ")
- een schade aangifteformulier en/of een melding wegens schade/verlies voor firma [bedrijf 3] (ten gevolge van een inbraak/diefstal in een bedrijfspand aan [adres 2] , op of omstreeks 24-8-2011, met een totale claim van euro 43.669,93) en/of (daarbij/vervolgens)
- een opdrachtbevestiging/offerte d.d. 29-9-2011 (ten name van [bedrijf 3] ) betreffende een Torbocar AC 52 en/of een factuur d.d. 29-9-2011 (ten name van [bedrijf 3] ) betreffende aankoop van een Torbocar AC 52 bij die (medewerker[s] van) " [bedrijf 1] ." ingediend/doen indienen en/of (die melding) gedaan, waardoor die (medewerker[s] van) " [bedrijf 1] N.V." werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.hij op of omstreeks 07 maart 2013 in de gemeente Den Helder [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"..als je niet betaalt, schiet ik je voor jouw flikker" en/of "ik sloop je echt" en/of "ik maak je af" en/of "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.hij op of omstreeks 07 maart 2013 in de gemeente Den Helder opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), (met kracht) tegen het lichaam heeft geduwd (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op tegen een wegdek is gevallen), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.hij op of omstreeks 15 mei 2013 te Julianadorp, gemeente Den Helder (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een replica/nabootsing van een pistool (Sigarms 1911 Tactical) en/of een replica/nabotsing van een geweer (Heckler&Koch MP5 Sd.22), zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.





Vonnis waarvan beroep


Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.





Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging wegens (absolute) verjaring




Artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt wanneer het recht tot strafvordering vervalt door verjaring. De verjaringstermijn voor misdrijven als de onder 2 ten laste gelegde bedreiging met enige misdrijf tegen het leven gericht, de onder 3 ten laste gelegde mishandeling en het onder 4 ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie bedraagt zes jaar. Deze (relatieve) verjaringstermijn kan gestuit worden. Op grond van artikel 72, tweede lid, Sr vervalt het recht tot strafvordering in absolute zin ten aanzien van misdrijven na een periode die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. In het onderhavige geval is derhalve sprake van een absolute verjaringstermijn van twaalf jaren.



Het hof wijst op 1 oktober 2026 arrest. Gelet op de verjaringstermijn is het recht tot strafvordering thans vervallen en is het openbaar ministerie in beginsel niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder feiten 2, 3 en 4. Het hof zal de officier van justitie voor deze feiten niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.





Bewijsoverweging


De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen onjuiste schadeclaim heeft ingediend. De oorspronkelijke Torbocar is daadwerkelijk gestolen. De voorgenomen aankoop van een vervangende machine is niet doorgegaan. Er is een andere Torbocar gekocht zonder factuur om te kunnen doorwerken. Dit neemt niet weg dat de oorspronkelijke Torbocar is gestolen. De verklaring van de verdachte omtrent het terugkopen van gestolen goederen in zijn verhoor bij de verbalisanten ziet op een andere zaak.



Het hof overweegt als volgt.

De verdachte was samen met [slachtoffer] vennoot van [bedrijf 3] VOF. Op 25 augustus 2011 heeft [slachtoffer] bij de politie aangifte gedaan van diefstal van onder meer een aanhangwagen (Torbocar) die nacht daarvoor. Op 31 augustus 2011 heeft [bedrijf 3] via haar tussenpersoon de diefstalschade geclaimd bij haar verzekeraar [bedrijf 1] N.V.. De claim zag onder meer op de Torbocar AC 37 met serienummer [nummer 1] , die [bedrijf 3] op 14 april 2011 had aangeschaft voor een bedrag van € 16.000 exclusief BTW. Op 26 oktober 2011 heeft [bedrijf 1] als schadeloosstelling voor de gestolen Torbocar via de tussenpersoon aan [bedrijf 3] een uitkering gedaan van € 15.750.



Na een tip te hebben ontvangen van de tussenpersoon, heeft [persoon] , als forensisch deskundige namens [bedrijf 1] , op 21 januari 2013 een bezoek gebracht aan het bedrijfsterrein van [bedrijf 3] . Hierbij werd hem door de verdachte en [slachtoffer] een Torbocar getoond met hetzelfde serienummer als de Torbocar die eerder als gestolen was opgegeven en waarvoor [bedrijf 3] van [bedrijf 1] de vergoeding van € 15.750 had ontvangen. Op 1 mei 2013 heeft [slachtoffer] tegenover de politie verklaard dat de inbraak gewoon in scene is gezet door de verdachte, om de verzekering op te lichten. Aanvankelijk, op 15 mei 2013, heeft de verdachte bij de politie bekend dat [slachtoffer] en hij [bedrijf 1] bewust hadden voorgelogen en ook dat de als gestolen opgegeven Torbocar weer gebruikt werd in het bedrijf. In zijn schriftelijke verklaring van 2 juni 2026 is de verdachte hierop in uiterst algemene bewoordingen teruggekomen; hij verklaarde dat er zeer zeker geen plannen waren gemaakt om iets of iemand op te lichten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een verdere toelichting gegeven. Hij benadrukt nu dat zijn verklaring bij de politie destijds verkeerd op papier is gekomen. De op 21 januari 2013 aangetroffen Torbocar had hij zonder factuur gekocht op [website] en deze had een ander serienummer dan de Torbocar waarvoor bij [bedrijf 1] de schade was geclaimd, aldus de verdachte. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig.



Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich – kort gezegd – heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [bedrijf 1] . De constatering van [persoon] dat de als gestolen opgegeven Torbocar weer op het terrein stond en de bekentenis van [slachtoffer] dat de inbraak in scene was gezet om de verzekering op te lichten leiden tot deze conclusie, terwijl de laatste versie van de verklaring van de verdachte hieraan niets kan afdoen.





Bewezenverklaring


Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1. primairhij in de periode van 25 augustus 2011 tot en met 21 januari 2013 te Breezand, gemeente Anna Paulowna/gemeente Hollands Kroon, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen [bedrijf 1] N.V. heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van euro 15.750,=, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en in strijd met de waarheid via tussenpersoon " [bedrijf 2] "
- een schade aangifteformulier en een melding wegens schade voor firma [bedrijf 3] ten gevolge van een inbraak/diefstal in een bedrijfspand aan [adres 2] , op of omstreeks 24-8-2011, met een totale claim van euro 43.669,93 en
- een opdrachtbevestiging/offerte d.d. 29-9-2011 ten name van [bedrijf 3] betreffende een Torbocar AC 52
bij [bedrijf 1] N.V. ingediend en die melding gedaan, waardoor [bedrijf 1] N.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.


Hetgeen onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.





Bewijsmiddelen


Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.


1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL10DH 2013033390-1 van 3 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 09 tot en met 26].


Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [persoon]:



Bij [bedrijf 1] is (onder andere) onder polisnummer [nummer 2] verzekerd " [bedrijf 3] ". Dit bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer 3] en de eigenaren:
- [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1991 te [geboorteplaats 2] en wonende [adres 3] en
- [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1986 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) en wonende [adres 4] .



De door " [bedrijf 3] " afgesloten verzekeringen bij [bedrijf 1] N.V.
betreffen o.a. een verzekering tegen diefstalschade van goederen/gereedschappen en werkmaterieel. Deze verzekering is door " [bedrijf 3] " afgesloten bij [bedrijf 1] via [bedrijf 2] , gevestigd [adres 5] .



Via [bedrijf 2] werd door [bedrijf 1] een op 31 augustus 2011 gedateerd zogenaamd "Schade-aangifte-formulier" ontvangen, waarmee een beroep werd gedaan op genoemde verzekeringspolissen bij [bedrijf 1] (wordt als bijlage "B" bijgevoegd). Bij dit schade-aangifte-formulier was gevoegd een bij u gedane aangifte ter zake inbraak en diefstal onder nummer PLIOSW 2011099383-1. Ook werd daarbij een overzicht gevoegd van de gereedschappen/(werk) materialen die bij deze inbraak gestolen zouden zijn met een totale schadeclaim van € 43.669,93.



In de maanden na 31 augustus 2011 zijn door de heren [slachtoffer] en/of [verdachte] voornoemd, via [bedrijf 2] , nota's ingediend die betrekking zouden hebben op de heraanschaf van de geclaimde gestolen gereedschappen en (werk)materialen. Op basis van die ingediende nota’s is door [bedrijf 1] een voorschot aan " [bedrijf 3] " betaald van € 36.000,--. Dit betrof een vergoeding voor gereedschappen/steigerdelen en dergelijke van € 20.000,-- en een vergoeding voor werkmaterieel ad € 16.000,--.



Via " [bedrijf 2] " kwam bij [bedrijf 1] medio oktober 2012 de melding
binnen, dat de door de heren [verdachte] en [slachtoffer] bij [bedrijf 1] geclaimde
goederen nog in hun bezit zouden zijn.



Uit mijn gesprekken voornoemd en uit mijn bevindingen tijdens een bezoek aan " [bedrijf 3]
" op het adres [adres 6] op 21 januari 2013 is mij het volgende
gebleken:
(…)
Bij mijn bezoek aan de heren [slachtoffer] en [verdachte] op 21 januari 2013 op het adres

[adres 6] , werd mij o.a. een Torbocar getoond welke na de diefstal
"heraangeschaft" zou zijn. Deze is onder andere voorzien van het serienummer [nummer 1]
welke overeenkomt met het serienummer op de afleverbon van de op 14 april 2011
aangeschafte Torbocar AS 37 welke geclaimd werd en welke bij de onderhavige inbraak
gestolen zou zijn. (Deze afleverbon wordt als bijlage "C" bijgevoegd)


2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL10DH 2013033390-6 van 1 mei 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 66 tot en met 73].


Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte [slachtoffer]:



V: Wat denk je dan dat er gebeurd is met de spullen en de inbraak?
A: Het is gewoon in scene gezet, om de verzekering op te lichten.



V: Door wie?
A: Door [verdachte] .



V: Wie heeft op dit moment de Torbocar tot zijn beschikking?
A: Ik heb alle spullen nog van het bedrijf. Ik heb dus ook de Torbocar.



V: De Torbocar had het serienummer [nummer 1] en stond toen jullie hem aankochten op
een aanhanger voorzien van het kenteken [kenteken 1] en na de aangifte stond deze zelfde Torbocar op een aanhanger voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Hoe verklaar je dat?
A: Er is volgens mij een andere kentekenplaat overgezet op de aanhanger.



V: Hoe kom je aan die kentekenplaat?
A: Ik had een platte aanhanger gekocht voor het bedrijf. [verdachte] heeft alles omgezet. Dus de kentekenplaat.


3. Een geschrift, te weten een brief van [bedrijf 1] van 12 oktober 2011, aanvullend procesdossier.


Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:











Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.



Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

oplichting.






Strafbaarheid van de verdachte


De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit.





Oplegging van straf


De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feiten 1 tot en met 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek.



De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.



De raadsvrouw heeft het hof verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en geen straf of maatregel op te leggen. Er dient immers rekening te worden gehouden met de ouderdom van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, de beperking van de zaak gezien de verjaarde feiten en de werkelijke betrokkenheid van de verdachte en de ontstane schade in deze zaak.



Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



De verdachte heeft – kort gezegd – een schademelding gedaan bij [bedrijf 1] ter vergoeding van een Torbocar die – naar hij wist – in werkelijkheid niet gestolen was. Ten gevolge hiervan is [bedrijf 1] ten onrechte overgegaan tot uitkering van een geldbedrag aan de vennootschap onder firma van de verdachte en zijn medevennoot. Door deze handelwijze heeft de verdachte op ernstige wijze het vertrouwen geschaad dat tussen een verzekeraar en een verzekeringnemer dient te bestaan en hebben hij en zijn medevennoot zichzelf ten koste van de verzekeraar en haar verzekerden bevoordeeld. Het hof neemt verdachte dit zeer kwalijk.



Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf van zeven weken passend en geboden.



Het hof stelt echter vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in eerste aanleg behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen. Op 15 mei 2013, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 2 februari 2016 vonnis gewezen. Hieruit volgt dat in eerste aanleg sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim acht maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Daarom wordt de verdachte een gevangenisstraf van zes weken opgelegd.





Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.







BESLISSING


Het hof:



Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in het tweede gedachtestreepje onder 1 tenlastegelegde (te weten: een of meer nota's en/of facturen van (na de genoemde inbraak/diefstal) (her)aangeschafte goederen/gereedschappen en/of werkmaterieel (waaronder steigerdelen en/of een impregneerpomp en/of een hogedrukreiniger).



Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:



Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde.



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.



Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. L.F. Roseval en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 oktober 2026.



Mr. A.J. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================


[…]