Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2625

2026-09-15 Civiel recht 200.363.069/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.363.069/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beëindiging gezamenlijk gezag. Afwijzing verzoek tot benoeming bijzondere curator. Afwijzing verzoek om een ouderschapsonderzoek te gelasten en een deskundige te benoemen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.830 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)


zaaknummer: 200.363.069/01
zaaknummer rechtbank: C/15/365426 / FA RK 25-2520



beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak van





[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. H. van Pelt-de Jong te Alphen aan den Rijn,



en





[de vader] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A.E. Muller te Haarlem.



Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .



In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.






1De zaak in het kort


De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (8 jaar oud). De rechtbank heeft het inleidend verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders afgewezen. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat haar inleidend verzoek alsnog wordt toegewezen. De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader een bijzondere curator te benoemen, dan wel subsidiair een ouderschapsonderzoek te gelasten.






2De procedure in hoger beroep


2.1
De moeder is op 23 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).


2.2
De vader heeft op 22 april 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.



2.3
De moeder heeft op 4 juni 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.



2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 januari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 5 februari 2026 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vader van 22 juli 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 5 augustus 2026 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vader van 5 augustus 2026 met bijlage.



2.5
Het hof heeft [minderjarige] bij brief de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Tijdens de zitting hebben de ouders verklaard dat zij allebei deze brief voor [minderjarige] niet hebben ontvangen, en hebben zij gezegd dat het niet nodig was om [minderjarige] nogmaals in de gelegenheid te stellen om door het hof te worden gehoord, aangezien [minderjarige] in de afgelopen periode al met veel hulpverleners heeft gesproken.



2.6
De zitting heeft op 6 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad was, met bericht van afwezigheid, niet aanwezig ter zitting.
De advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.




2.7
Ter zitting heeft de advocaat van de moeder een bericht van 23 juli 2026 met bijlagen overgelegd, te weten nadere producties en aanvullende verzoeken namens de moeder. Deze verzoeken betreffen twee voorwaardelijke verzoeken om, in het geval het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen, haar vervangende toestemming te verlenen – welke de toestemming van vader vervangt – om [minderjarige] aan te melden bij Praktijk [X] in [plaats B] en om [minderjarige] in te schrijven bij een huisartsenpraktijk en tandartspraktijk in [plaats A] .


Ter zitting is gebleken dat mr. van Pelt-de Jong twee weken voorafgaand aan de zitting een bericht met bijlage heeft ingediend. De vader heeft deze stukken, anders dan het hof, wel voorafgaand aan de zitting ontvangen.



Het hof heeft de zitting vervolgens geschorst om zelf ook kennis te nemen van de stukken.



Na hervatting van de zitting heeft Mr. Muller bezwaar gemaakt tegen overlegging van het bericht met bijlagen aan het hof, aangezien het bericht aanvullende verzoeken bevat die voor het eerst zijn gedaan in hoger beroep. De aanvullende verzoeken zijn bovendien niet op juiste wijze aan het hof voorgelegd nu enkel een brief tot overlegging van producties is ingediend en geen V-formulier. De vader wordt hierdoor in zijn processuele belangen geschaad en dit maakt dat toelating van deze aanvullende verzoeken in strijd is met de goede procesorde, aldus mr. Muller.



Het hof heeft daarop, gehoord partijen, beslist dat de door de moeder overgelegde producties en de daarbij gegeven toelichting worden betrokken bij de beoordeling van de zaak in hoger beroep. De toelichting op de producties betreft geen nieuwe procesronde, maar slechts een nadere toelichting op de overgelegde producties zodat van strijd met de tweeconclusieregel geen sprake is.



Met betrekking tot de aanvullende verzoeken gaat het hof voorbij aan de stelling van de man dat dit een nieuw verzoek in hoger beroep betreft hetgeen niet is toegestaan. Het hof overweegt hiertoe dat de vrouw in eerste aanleg verzoeken heeft gedaan, welke zij in hoger beroep mag aanvullen en vermeerderen. De voorwaardelijke verzoeken van 23 juli 2026 houden voldoende verband met het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, zodat sprake is van connexiteit. Bovendien heeft mr. Muller het bericht met bijlagen twee weken voorafgaand aan de zitting ontvangen. Hierdoor heeft mr. Muller in redelijkheid voldoende kunnen kennisnemen van die bijlagen, de aanvullende verzoeken met de vader kunnen bespreken en zich voor kunnen bereiden op een verweer. Hieraan doet niet af dat in de aanhef van het stuk niet stond dat het tevens aanvullende (voorwaardelijke) verzoeken bevatte, dit bleek namelijk klip en klaar uit de inhoud van het stuk en het petitum. Dat mr. Muller zich met de vader heeft kunnen voorbereiden op deze verzoeken, blijkt ook uit het ter zitting gevoerde verweer. Naar het oordeel van het hof is dan ook geen sprake van strijd met de goede procesorde. Het hof zal het bericht met bijlagen, waaronder de daarin opgenomen aanvullende verzoeken van de moeder, daarom bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.







3De feiten


3.1
De vader en de moeder hebben van 2013 tot december 2019 een affectieve relatie met elkaar gehad.



3.2
Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2018 te [plaats C] .



3.3
De vader heeft [minderjarige] erkend. Sinds 5 februari 2018 oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .



3.4
Bij beschikking van de rechtbank van 13 december 2022 (bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 3 oktober 2023) is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vastgesteld en is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld die erop neerkomt dat de zorg voor [minderjarige] ongeveer bij helfte door de ouders wordt gedeeld.



3.5
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 juli 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd en duurde tot 20 juli 2025.



3.6
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juli 2025 is op verzoek van GI nadere invulling gegeven aan de verdeling van de vakanties.



3.7
Ten tijde van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft de GI op 11 april 2024 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vader om toestemming te verlenen voor de aanmelding van [minderjarige] bij de Vriendenclub. Ook heeft de GI op 8 april 2025 een aankondiging schriftelijke aanwijzing gegeven. Die aankondiging zag op:
- het verlenen van toestemming voor de zomervakantie 2025 zonder voorwaarden;
- het stoppen met ongevraagd verspreiden van oude informatie over het gezin;
- het aanmelden en aangaan van persoonlijke hulpverlening om de huidige situatie een plek te geven en door te kunnen gaan in de huidige gezinssituatie.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het inleidend (primaire) verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] afgewezen. Ook heeft de rechtbank het (zelfstandig) verzoek van de vader om een ouderschapsonderzoek te gelasten afgewezen.



In principaal hoger beroep





4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en – zo begrijpt het hof – haar inleidend (primaire) verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] alsnog toe te wijzen en te bepalen dat de moeder het gezag voortaan alleen uitoefent. In hoger beroep heeft de moeder haar inleidend verzoek aangevuld in die zin dat zij verzoekt dat, indien haar (primaire) verzoek wordt afgewezen, het hof haar vervangende toestemming verleent om [minderjarige] aan te melden bij Praktijk [X] in [plaats B] , bij huisartsenpraktijk [Y] in [plaats A] en tandartspraktijk [Z] in [plaats A] .



4.3
De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover de rechtbank het inleidend verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] heeft afgewezen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar (aanvullende) verzoeken in hoger beroep, althans haar verzoek in hoger beroep af te wijzen.



In incidenteel hoger beroep





4.4
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep primair om mevrouw [naam] te benoemen als bijzondere curator. Subsidiair verzoekt de vader een ouderschapsonderzoek te gelasten welk onderzoek wordt uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige, bij voorkeur een GZ-psycholoog of orthopedagoog, met als doel de problematiek van [minderjarige] te onderzoeken en het hof te adviseren hoe nu verder.



4.5
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in incidenteel hoger beroep, althans zijn verzoeken in incidenteel hoger beroep af te wijzen.






5De motivering van de beslissing


5.1
Het hof zal allereerst beslissen op het verzoek van de vader om primair een bijzondere curator te benoemen, dan wel subsidiair een ouderschapsonderzoek te gelasten en – zo begrijpt het hof – een deskundige te benoemen in de zin van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).



Bijzondere curator





5.2
De vader vindt het in het belang van [minderjarige] dat een bijzondere curator wordt benoemd. Hij voert hiertoe aan dat een bijzondere curator de stem en belangen van [minderjarige] in deze procedure tot recht kan laten komen. Bovendien heeft een bijzondere curator de taak om de belangen van [minderjarige] zelfstandig te behartigen en met kind en ouders in gesprek te gaan.



5.3
De moeder trekt de toegevoegde waarde van een bijzondere curator in twijfel. Zij stelt dat al voldoende informatie beschikbaar is om in deze zaak te kunnen beslissen. Ook is zij van mening dat [minderjarige] , gelet op haar nog jonge leeftijd, niet in staat is een gesprek te voeren over het al dan niet beëindigen van het gezamenlijk gezag.



5.4

Het hof overweegt als volgt.
Uit artikel 1:250, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen in strijd zijn met die van die minderjarige, de rechter, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende een bijzondere curator kan benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.



Niet kan worden vastgesteld dat de belangen van [minderjarige] in strijd zijn met de belangen van (een van) de ouders als bedoeld in artikel 1:250, eerste lid, BW. Dat de ouders met elkaar van mening verschillen wil nog niet zeggen dat sprake is van zo’n situatie. Hetgeen de vader daarvoor heeft aangevoerd is onvoldoende. Bovendien acht het hof – nog los van de vraag of sprake is van tegenstrijdige belangen – de benoeming van een bijzondere curator op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft al eerder met meerdere hulpverleners gesproken als ook met een medewerker van de raad. De benoeming van een bijzondere curator en het daarop volgende onderzoek zal tot vertraging van de procedure leiden en hoogstwaarschijnlijk tot het verder voortslepen van conflicten tussen de ouders. Het is van groot belang dat eindelijk rust zal ontstaan voor [minderjarige] . Bij dit alles komt dat het hof zich voldoende voorgelicht acht voor het nemen van een beslissing. Gelet op het voorgaande zal dit verzoek van de vader worden afgewezen.




Ouderschapsonderzoek





5.5
Nu het primaire verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator zal worden afgewezen, dient het hof te beslissen op het subsidiaire verzoek om een ouderschapsonderzoek te gelasten en een deskundige te benoemen.



5.6
De vader heeft verzocht een ouderschapsonderzoek te gelasten welk onderzoek wordt uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige bij voorkeur een GZ-psycholoog of orthopedagoog, dit om de problematiek van [minderjarige] te onderzoeken en het hof te adviseren hoe verder.



5.7
Het hof stelt vast dat in eerste aanleg de raad het door de vader verzochte ouderschapsonderzoek niet nodig heeft geacht, omdat in het dossier al voldoende informatie beschikbaar was en het nu aan partijen is om hun verstandhouding te verbeteren en rust te creëren. In hetgeen de vader heeft aangevoerd ziet het hof geen aanknopingspunten om thans, in hoger beroep, geen gewicht meer te kunnen toekennen aan dit advies van de raad.


Zoals overwogen onder 5.4. acht het hof zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen op het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten. Bovendien is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich (ook) tegen een ouderschapsonderzoek verzet. Voor een goede ontwikkeling van [minderjarige] is het van belang dat haar nu zoveel mogelijk rust wordt verschaft. Er zijn diverse hulpverleners betrokken (geweest) rond het gezin en de betrokkenheid van nog een deskundige die onderzoek zal verrichten naar de (on)mogelijkheden van gezamenlijk gezag van de ouders zal hiermee niet bijdragen aan de voor [minderjarige] zo wenselijke rust. Bovendien is [minderjarige] in het kader van de hulpverleningstrajecten al uitgebreid gehoord. Het hof acht het door de vader verzochte onderzoek dan ook te belastend voor [minderjarige] . Gelet op het voorgaande wordt ook dit verzoek van de vader afgewezen.




Gezag





5.8
Het hof dient vervolgens te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals verzocht door de moeder. Het hof vindt het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen met het gezag over haar wordt belast. Hiervoor heeft het hof de volgende redenen.



5.9
Uit artikel 1:253n BW volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.



5.10
Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n BW.



5.11
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. De afgelopen jaren is gebleken dat de ouders daar onvoldoende toe in staat zijn. Het hof overweegt dat tussen de ouders nauwelijks sprake is geweest van een feitelijke gezamenlijke uitoefening van het ouderschap omdat de ouders kort na de geboorte van [minderjarige] uit elkaar zijn gegaan. Sinds het uiteengaan van de ouders is sprake van een situatie waarin de ouders niet of nauwelijks met elkaar communiceren. De vader heeft de afgelopen jaren veelvuldig zorgen geuit over de psychische gesteldheid van de moeder en de invloed hiervan op de ontwikkeling van [minderjarige] . Hoewel de GI ten tijde van de ondertoezichtstelling heeft geconcludeerd geen zorgen te hebben over de opvoedvaardigheden van de ouders, blijft de vader vasthouden aan zijn overtuigingen over de psychische gesteldheid van de moeder. Zo blijft de vader volhouden dat moet worden aangesloten bij de richtlijn KOPP (Kinderen van Ouders met Psychische Problemen) met het doel om passende hulpverlening te bieden aan [minderjarige] . Door deze overtuiging heeft de vader consequent een andere visie op de hulpverlening die [minderjarige] nodig heeft. Hierdoor is de hulpverlening die tot op heden is ingeschakeld onvoldoende van de grond gekomen, de vader trekt zich terug als hij het niet eens is met de aanpak van de hulpverleners. Ten tijde van de ondertoezichtstelling heeft de GI hierdoor een schriftelijke aanwijzing moeten geven aan de vader om de gewenste hulpverlening voor [minderjarige] te kunnen opstarten. Op het moment dat een hulpverleningstraject wel van de grond komt, ligt de nadruk vaak op de zorgen en overtuigingen van de vader richting de moeder in plaats van de ontwikkeling van [minderjarige] .



5.12

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de vader erop gewezen dat, waar ten tijde van de bestreden beschikking geen grond was voor eenhoofdig gezag, de rechtbank het risico voorzag dat als de vader zich blijft vasthouden aan zijn genoemde overtuigingen en zorgen over de invloed van de psychische gesteld van de moeder op de ontwikkeling van [minderjarige] , dit in de toekomst wel degelijk een belemmering kan vormen in de te nemen belangrijke beslissingen over [minderjarige] , zoals voor de inzet van geadviseerde hulpverlening. Volgens de rechtbank kon dit eveneens een belemmering opleveren tijdens de hulpverleningstrajecten, wanneer de aandacht vooral dreigt uit te gaan naar de zorgen en overtuigingen van vader in plaats van naar [minderjarige] , waardoor zij alsnog in haar ontwikkeling wordt geschaad. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij daarom van de vader verwacht van de vader dat hij de visies van de GI, de raad en de andere betrokken hulpverleners ter harte neemt en dat hij de ondersteuning zoekt die hij nodig heeft om zijn overtuigingen in het belang van [minderjarige] te kunnen loslaten.
Het hof stelt op basis van de stukken en de behandeling ter zitting vast dat het de vader nog steeds niet is gelukt zijn overtuigingen en zorgen over de invloed van de psychische gesteldheid van de moeder op de ontwikkeling van [minderjarige] , los te laten. Met de rechtbank bestaat bij het hof de verwachting dat dit (in de toekomst) een belemmering zal vormen in de te nemen belangrijke beslissingen over [minderjarige] , waaronder de inzet van geadviseerde hulpverlening. De ouders zullen onder deze omstandigheden niet in staat zijn om zo nodig snel en zonder vertraging gezagsbeslissingen te nemen. Het zal moeizaam zijn voor de ouders om invulling te geven aan het gezamenlijk gezag en daarmee bestaat het risico dat [minderjarige] bij behoud van het gezamenlijk gezag klem en verloren zal raken tussen de ouders. Daarbij is niet te verwachten dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen, nu de vader ook na de beschikking van de rechtbank blijft vasthouden aan zijn overtuigingen en zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en de invloed hiervan op de ontwikkeling van [minderjarige] en de interventies van hulpverleners tot op heden geen effect hebben gehad. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat beëindiging van het gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal vernietigen en het inleidend verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders (alsnog) zal toewijzen. Nu het (primaire) verzoek van de moeder in hoger beroep zal worden toegewezen, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de voorwaardelijke verzoeken van de moeder.




5.13
Dit leidt tot de volgende beslissing.






6De beslissing


Het hof:



vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;



en in zoverre opnieuw rechtdoende:



beëindigt met ingang van heden het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2018 te [plaats C] , en bepaalt dat de moeder voortaan het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent;



verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling privaatrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. R.M. Troost en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste rechter.