Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2622
Inhoudsindicatie
Geïntimeerde sub 1 is een verhuurder van woningen en geïntimeerde sub 2 een deurwaarderskantoor. Volgens appellant hebben zij bij de gedwongen ontruiming van zijn woning onvoldoende rekening gehouden met zijn gerechtvaardigde belangen. Al zijn spullen zijn afgevoerd en vernietigd, terwijl deze volgens appellant niet kennelijk waardeloos waren en hij er ook geen afstand van had gedaan. Appellant vordert schadevergoeding. De rechtbank heeft zijn vordering afgewezen. Het hof oordeelt dat geïntimeerden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van appellant, en schat de schade bij wege van niet bindende eindbeslissing op € 5.000,00. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte (uitsluitend) nog over de aldus begrote schade van € 5.000,00 uit te laten.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2022:585 Hoge Raad 22-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7256 Gerechtshof Amsterdam 23-11-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (44.903 tekens)
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.344/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/744934 / HA ZA 24-47
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 september 2026
in de zaak van
[appellant]
,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. W.M. van Agt te Bussum,
tegen
1. STICHTING BOUWINVEST DUTCH INSTITUTIONAL RESIDENTIAL FUNDrechtsopvolger van Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T. de Nijs te Rotterdam,
2. [geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend.
Partijen worden hierna [appellant] , Bouwinvest en [geïntimeerde] genoemd.
1De zaak in het kort
Bouwinvest is een verhuurder van woningen en [geïntimeerde] is een deurwaarderskantoor. Volgens [appellant] hebben Bouwinvest en [geïntimeerde] bij de gedwongen ontruiming van zijn woning onvoldoende rekening gehouden met zijn gerechtvaardigde belangen. Al zijn spullen zijn afgevoerd en vernietigd, terwijl deze volgens [appellant] niet kennelijk waardeloos waren en hij er ook geen afstand van had gedaan. [appellant] vordert schadevergoeding. De rechtbank heeft zijn vordering afgewezen. Het hof oordeelt dat Bouwinvest en [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [appellant] , en schat de schade bij wege van niet bindende eindbeslissing op € 5.000,00. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte (uitsluitend) nog over de aldus begrote schade van € 5.000,00 uit te laten.
2Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 8 november 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 14 augustus 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Bouwinvest en [geïntimeerde] als gedaagden (hierna ook: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 18 februari 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze zitting heeft niet plaatsgevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven [appellant] ,
- memorie van antwoord Bouwinvest, met producties,
- memorie van antwoord [geïntimeerde] .
Oorspronkelijk gedaagde was Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund N.V. Bouwinvest heeft onder meer in haar memorie van antwoord gemeld dat deze vennootschap per 31 december 2024 is omgezet in een stichting naar Nederlands recht, Stichting Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund, handelend voor rekening en risico van het fonds voor gemene rekening Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund, en dat in het vervolg van de procedure Stichting Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund als geïntimeerde moet worden aangehouden.
Op 20 januari 2026 stond een meervoudige mondelinge behandeling gepland. Deze kon door een ziekenhuisopname van [appellant] niet doorgaan. Het hof heeft in plaats daarvan nadere memories toegestaan.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- conclusie van repliek van [appellant] ,
- conclusie van dupliek van Bouwinvest,
- conclusie (memorie) dupliek van [geïntimeerde] .
[geïntimeerde] meent dat de conclusie van repliek van [appellant] te lang is met het oog op het procesreglement, maar heeft hier geen gevolgtrekking aan verbonden. Het hof ziet geen reden de conclusie van repliek (al dan niet deels) ambtshalve buiten beschouwing te laten. [geïntimeerde] heeft er genoegzaam op kunnen reageren bij dupliek.
[appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het wijzigen van Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund N.V. als geïntimeerde sub 1 in Stichting Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund als geïntimeerde sub 1. Het hof heeft de wijziging overgenomen omdat niet is gebleken dat [appellant] daardoor onredelijk in zijn belangen wordt geschaad.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis (waarbij 2.2 tweemaal voorkomt) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] bestrijdt deze vaststelling. Met inachtneming van zijn bezwaren, stelt het hof als volgt de feiten vast die voor zijn beslissing in deze zaak relevant zijn.
3.1.
[appellant] heeft met ingang van 20 november 2006 van (een of meer rechtsvoorgangsters van) Bouwinvest de woning aan de [A-straat] te [plaats 2] (hierna: de woning) gehuurd. De woning wordt namens Bouwinvest beheerd door Actys Wonen B.V. (hierna ook: de beheerder).
3.2.
Artikel 2.8 van de op de huurovereenkomst toepasselijke Algemene Bepalingen huurovereenkomst woonruimte luidt, voor zover hier van belang:
‘Huurder verliest het bezit van zaken waarvan hij wordt geacht afstand te hebben gedaan door deze in het gehuurde achter te laten bij het daadwerkelijk verlaten van het gehuurde. Deze zaken kunnen door verhuurder, naar verhuurders inzicht, zonder enige aansprakelijkheid zijnerzijds, op kosten van huurder worden verwijderd zonder dat op verhuurder een bewaarplicht rust. Verhuurder is vrij om over deze zaken te beschikken. Hij heeft het recht om zich deze zaken toe te eigenen, dan wel voor risico van huurder op straat te laten zetten, geheel naar eigen goeddunken. Ook kan verhuurder ervoor kiezen de betreffende zaken te laten afvoeren om ze onmiddellijk te laten vernietigen of om ze tijdelijk op te laten slaan. (…)’
3.3.
Naar aanleiding van een melding over lekkage is de beheerder op 23 november 2017 in aanwezigheid van de politie en bij afwezigheid van [appellant] in de woning getreden. Daarbij bleek de woning nagenoeg ontoegankelijk te zijn vanwege de aanwezigheid van een enorme hoeveelheid spullen die tot schouderhoogte in de woning waren opgestapeld. Omdat de beheerder hierdoor de oorzaak van de lekkage niet heeft kunnen achterhalen, heeft deze de watertoevoer afgesloten. Ook zijn foto’s genomen en de sloten vervangen. Door het afsluiten van de waterafvoer was bewoning van de woning door [appellant] niet meer mogelijk.
3.4.
Een door [naam 1] en/of [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van Actys opgesteld verslag van een op 21 december 2017 door hen met [appellant] gevoerd gesprek luidt, voor zover hier van belang:
‘Vooraf: naar aanleiding van het binnentreden van de woning (…) op 23-11-2017 hebben wij voor het eerst iets vernomen van meneer [appellant] op 21-12-2017. Meneer [appellant] belde met Actys en gaf aan zijn sleutels te willen ophalen. Jr. Accountmanager [naam 2] en Technisch manager [naam 1] zijn met meneer [appellant] in gesprek gegaan.
Gesprek: meneer [appellant] geeft aan op de dag van toetreding in het ziekenhuis te hebben gelegen, dit wegens ziekte. Diezelfde avond op 23-11-2017 kwam hij aan bij de [A-straat] en zag hij het briefje van Actys (…), zijn sleutel paste niet meer in het slot want deze was na toetreding met de politie vervangen. Meneer [appellant] was van slag en wist niet wat hij moest doen. Hij geeft aan in een hotel te hebben geslapen tot op de dag van schrijven. De toon van de door ons geschreven brief viel ook in het verkeerde keelgat bij dhr. [appellant] .
Dhr. [appellant] geeft aan dat de spullen in zijn woning niet bestaat uit rommel, het zijn veelal boeken afkomstig uit een erfenis, hijzelf vindt de situatie niet brandgevaarlijk. Omdat meneer [appellant] een nieuwe woning in [plaats 3] heeft gekocht, naar zijn zeggen, is hij sowieso van plan om de huur halverwege 2018 op te zeggen. Binnen 6 maanden kan meneer [appellant] terecht in zijn nieuwe woning.
Meneer [appellant] treed in samenwerking met verhuurder en GGD, hij zal in de eerste week van januari zijn woning gedeeltelijk ruimen om toegang te verschaffen voor de loodgieter en eventueel brandweer om de brandveiligheid te toetsen.
Conclusie (…): Het is een zeer verwarde meneer met psychische trekjes. (…)’
3.5.
Tijdens voornoemd gesprek hebben [appellant] en [naam 2] ook een handgeschreven overeenkomst ondertekend die, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
‘Verhuurder
(…)
Huurder
(…)
Komen hierbij overeen dat
De watertoevoer afgesloten blijft tot herstelwerkzaamheden zijn verricht
Meneer [appellant] i.s.m. verhuurder treed om de woning leefbaar* te maken
Meneer [appellant] contact opneemt met de GGD
Meneer [appellant] zijn contact gegevens verstrekt
Tel: [ingevuld, hof]
email: [ingevuld, hof]
adres: enkel [adres van de woning, hof], verbleef in hotels.
Meneer [appellant] ontvangt de sleutels van de verhuurder.
* leefbaar = betreedbaar en overzichtelijk zodat herstelwerkzaamheden uitgevoerd kunnen worden.’
3.6.
Bij brief van 23 januari 2018, die door [appellant] is ontvangen, heeft de toenmalige advocaat van Bouwinvest, voor zover hier van belang, aan [appellant] geschreven:
‘Na dit gesprek op 21 december 2017 is, in weerwil van de gemaakte afspraken, (…) niets meer van u vernomen. De beheerder van cliënte heeft nadien herhaaldelijk contact met u proberen te leggen, maar dat is niet gelukt. Ook de GGD heeft geen contact met u kunnen leggen.
Namens BDI Residential [Bouwinvest, hof] wijs ik u daarom op het volgende. U bent als huurder op grond van de wet, de huurovereenkomst en de daarbij behorende Algemene Bepalingen verplicht om u als goed huurder te gedragen. Dit betekent onder meer dat u goed voor het gehuurde dient te zorgen en dit schoon en veilig dient te houden. Het vervuilen van uw woning tot een onveilige en onleefbare ruimte, is volstrekt ontoelaatbaar. BDI Residential dient in te staan voor het huurgenot en de veiligheid van uw omwonenden. Dit wordt ernstig verstoord door u en uw gedrag, waarmee u in strijd handelt met uw verplichtingen als goed huurder.
Daarnaast bent u contractueel verplicht om het gehuurde daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken en daar uw hoofdverblijf te houden.
Deze brief is bedoeld om u er op te wijzen dat u ernstig tekortgeschoten bent in uw verplichtingen en dat BDI Residential daarom een procedure tegen u kan opstarten om tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van uw woning te komen.
Allerlaatste sommatie
BDI Residential wil u echter een laatste gelegenheid geven uw gedrag te verbeteren. U dient deze brief te beschouwen als een allerlaatste waarschuwing. U dient uw woning per direct grondig op te ruimen en te reinigen. U kunt niet volstaan met het verplaatsen van wat zaken; u zult het overgrote deel van de rommel, zo niet alle rommel, weg moeten gooien en naar de stort moeten brengen, waarna de gehele woning schoongemaakt en gereinigd dient te worden. Daarnaast dient u onvoorwaardelijk alle medewerking te verlenen aan het verhelpen van de lekkage. BDI Residential geeft u daarvoor uiterlijk 2 weken de tijd. Uiterlijk dinsdag 6 februari 2018 moet uw woning leeg (op meubilair en gebruikelijke inventaris na) en schoon zijn, zulks ter beoordeling aan BDI Residential.
Indien uw woning op 6 februari a.s. niet leeg en schoon is, zal BDI Residential bij de rechter ontbinding van uw huurovereenkomst vorderen. Ik ga er van uit dat u dit begrijpt en gevolg zult geven aan deze sommatie.
Om er zeker van te zijn dat deze brief u bereikt, zend ik hem zowel per aangetekende als per gewone post.’
3.7.
Bij dagvaarding van 26 maart 2018 heeft Bouwinvest een geding tegen [appellant] aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te [plaats 2] . De deurwaarder heeft op de voet van artikel 47 Rv een afschrift van de dagvaarding in een gesloten envelop achtergelaten in (de brievenbus van) de woning. De dagvaarding luidt, voor zover hier van belang:
‘Inleiding
1. Deze procedure betreft een geschil tussen eiseres (…) en gedaagde (…) inzake de tussen deze partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte gelegen te [plaats 2] aan het adres [A-straat] (hierna te noemen: “het gehuurde”).
2. [appellant] vertoont een extreme vorm van ‘verzamelwoede’, die binnen het gehuurde tot uiting is
gekomen. Zo gaat het om tot schouderhoogte opgestapeld zijn van tassen, dozen, stapels rommel die allang verwijderd had moeten worden en zelfs afval en voedselresten. Het is daardoor onmogelijk om de meeste, dan wel alle kamers van het gehuurde te betreden, laat staan schoon te maken.
3. Bouwinvest Dutch Residential vordert thans ontbinding van de huurovereenkomst en
ontruiming van het gehuurde, omdat [appellant] niet bereid en/of niet in staat is om zich ten aanzien van het gehuurde als een goed huurder te gedragen en door zich op deze manier te gedragen schade toebrengt aan het gehuurde en omliggende woningen.
(…)
6. Daarnaast is [appellant] op basis van artikel 10.7 van de huurovereenkomst en 1.1. van de algemene bepalingen verplicht om het gehuurde daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken en aldaar zijn hoofdverblijf te houden.’
3.8.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 23 mei 2018 heeft de kantonrechter te Haarlem de huurovereenkomst ontbonden en [appellant] (onder meer) veroordeeld om de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.
3.9.
Bij e-mailbericht van 31 mei 2018 heeft Bouwinvest, voor zover hier van belang, aan deurwaarderskantoor [naam 3] en [naam 3] c.s. geschreven:
‘Bijgaand treffen jullie de betekende dagvaarding en vonnis aan van de heer [appellant] (…).
Willen jullie de woning z.s.m. laten ontruimen, de heer [appellant] is een hoarder, de puinhoop is enorm.’
3.10.
Deurwaarderskantoor [naam 3] en [naam 3] c.s. heeft met goedvinden van Bouwinvest op haar beurt [geïntimeerde] ingeschakeld. Bij e-mailbericht van dezelfde dag heeft [geïntimeerde] de ontruiming aangekondigd bij de gemeente.
3.11.
Bij exploot van 4 juni 2018 heeft [geïntimeerde] namens Bouwinvest het verstekvonnis aan [appellant] betekend. [geïntimeerde] heeft een afschrift van het exploot en het verstekvonnis in een gesloten envelop achtergelaten in de (brievenbus van de) woning. Het exploot luidt, voor zover hier van belang:
‘MET BEVEL:
Om BINNEN VEERTIEN DAGEN NA VANDAAG te voldoen aan de inhoud van de titel en daaruit volgend:
a) het gehuurde (…) te hebben ontruimd en verlaten, en door het afgeven van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eisende partij te stellen;
(…)
Vermeerderd met alle nog te maken kosten, als niet aan het bevel wordt voldaan.
MET MEDELING:
Dat als u (…) het gehuurde niet op tijd ontruimt en verlaat, de eisende partij executiemaatregelen kan treffen. Dit betekent dat wij, samen met een ontruimploeg en als het nodig is met de hulp van de politie, zelf het gehuurde zullen ontruimen.
DE DAADWERKELIJKE ONTRUIMING IS GEPLAND OP 21 JUNI 2018.’
3.12.
Bij brief van 7 juni 2018 heeft Actys, voor zover hier van belang, aan [appellant] geschreven:
‘Voor het inplannen van een voor- en eindinspectie van de woning (…) hebben wij uw medewerking nodig. Graag willen wij u vriendelijk, doch dringend verzoeken om binnen 5 werkdagen contact met ons op te nemen om deze afspraak in te plannen.’
3.13.
De ontruiming van de woning heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Het door [geïntimeerde] daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:
‘Op verzoek van:
de naamloze vennootschap Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund N.V. (…)
Heb ik (…);
Uit krachte van een executoriale titel, op 23 mei 2018 gewezen door de rechtbank Noord-Holland, kamer voor kantonzaken (…) gewezen in de zaak tussen eisende partij tegen u (…) als schuldenaar;
mij om 8:30 uur samen met (…), (hoofd-)inspecteur en Hulpofficier van Justitie bij de Nationale Politie, begeven naar het adres [A-straat] te [plaats 2] , waar ik niemand aantrof, waarna in het bijzijn van de hiervoor genoemde Hulpofficier om 9:10 uur de opening van de deur(en) heeft plaatsgevonden.
Hierna ben ik overgegaan tot de ontruiming van het hierboven genoemde adres, waarbij de in de woning aangetroffen roerende zaken zijn verwijderd door plaatsing van deze zaken op de openbare weg. Deze zaken zijn vervolgens door Comenius Verhuizingen afgevoerd naar het afvalverwerkingsbedrijf Sortiva.’
3.14.
Bij de ontruiming was ook Actys aanwezig. Van de situatie in de woning ten tijde van de ontruiming is een filmopname gemaakt; deze behoort tot de processtukken.
3.15.
Bij vonnis van 23 januari 2019 van de kantonrechter te [plaats 2] is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen het verstekvonnis van 23 mei 2018 en zijn door [appellant] ingestelde vorderingen in reconventie grotendeels afgewezen. Tot de afgewezen vorderingen behoort onder meer een vordering strekkende tot schadevergoeding wegens, kort gezegd, de door [appellant] gestelde onrechtmatigheid van de ontruiming.
3.16.
Bij arrest van 16 juni 2020 van het gerechtshof te Amsterdam is dat vonnis bekrachtigd.
3.17.
Bij arrest van 22 april 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:585) is het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2020 vernietigd voor zover daarin de afwijzing van de vorderingen in reconventie van [appellant] is bekrachtigd, is het vonnis van de kantonrechter van 23 januari 2019 vernietigd voor zover daarin de vorderingen in reconventie zijn afgewezen, en is [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen in reconventie.
4Procedure bij de rechtbank
4.1.
[appellant] vorderde in eerste aanleg, in de woorden van de rechtbank:
‘dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht verklaart dat gedaagde(n) onrechtmatig en/of onzorgvuldig heeft/hebben gehandeld jegens [appellant] en dientengevolge schadeplichtig zijn;
II. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de ter zake door [appellant] geleden en nog te lijden schade te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. gedaagden (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, tevens uitvoerbaar bij voorraad.’
4.2.
[appellant] heeft aan deze vorderingen, in de kern, ten grondslag gelegd dat Bouwinvest en [geïntimeerde] de woning hebben ontruimd terwijl [appellant] daarvan – naar zij wisten, althans behoorden te weten – niet op de hoogte was en ook niet kon zijn. Bouwinvest en [geïntimeerde] hebben alle in de woning aanwezige zaken laten afvoeren naar een afvalverwerkingsbedrijf. Daaronder bevonden zich vele evident voor [appellant] waardevolle zaken, financieel en/of emotioneel. Door alle in de woning van [appellant] aanwezige eigendommen te (laten) vernietigen, is onvoldoende rekening gehouden met zijn gerechtvaardigde belangen. Dat levert misbruik van bevoegdheid op. Hoe dan ook is het handelen van zowel Bouwinvest als [geïntimeerde] onzorgvuldig geweest, aldus [appellant] .
4.3.
De rechtbank heeft het door [appellant] gevorderde afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding, tot het vonnis zowel aan de zijde van Bouwinvest als aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op EUR 2.082,00, en in de nakosten.
5Vordering in hoger beroep
5.1.
[appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van Bouwinvest en [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.2.
Volgens Bouwinvest en [geïntimeerde] moet het hof het bestreden vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
5.3.
[appellant] heeft, naast een algemene inleiding en een algemeen slot, negen grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, wordt hierna nader ingegaan.
6Beoordeling
Kern van de zaak
6.1.
Het gaat [appellant] niet erom dat is ontruimd; hij zou toch op afzienbare termijn verhuizen naar een koopwoning en is niet dakloos geweest. Waar het [appellant] om gaat, is dat hij meent dat Bouwinvest en [geïntimeerde] zijn eigendommen na de ontruiming (tijdelijk) hadden moeten laten opslaan in plaats van deze dezelfde dag nog te laten vernietigen.
6.2.
De ontruiming vond plaats op 21 juni 2018. Dat was vóór de toevoeging op 1 april 2021 van het derde lid aan artikel 556 Rv, waarna die bepaling, voor zover hier van belang, regelt dat het college van burgemeester en wethouders ten laste van de executant zorgdraagt voor het meevoeren en opslaan van de roerende zaken die zich in de tot bewoning bestemde ontruimde onroerende zaak bevonden. Omdat voormelde bepaling nog niet van kracht was, moet hier worden getoetst aan de algemeen geldende regels.
Aansprakelijkheid verhuurder
6.3.
In dit verband stelt het hof het volgende voorop. Schade die het gevolg is van een op zichzelf rechtmatige ontruiming komt in beginsel voor rekening van de huurder. Echter, ook in het geval van een rechtmatige ontruiming – zoals hier het geval is – brengen de redelijkheid en billijkheid, die (ook) de rechtsverhouding beheerst tussen een verhuurder en huurder inzake een ontbonden huurovereenkomst, mee dat op de verhuurder de plicht rust om bij de ontruiming van een woning rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurder. Schending van deze plicht brengt mee dat de verhuurder aansprakelijk is voor de door de onzorgvuldige ontruiming ontstane schade bij de huurder. Dit is nader uitgewerkt in Gerechtshof Amsterdam, 23 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7256, waarin, in aansluiting op het voorgaande, is overwogen:
‘3.12 (…) Als uitgangspunt bij ontruiming van een woning heeft verder te gelden dat goederen (…) in beginsel niet mogen worden weggegooid, tenzij deze kennelijk waardeloos zijn of de huurder er afstand van heeft gedaan.’
6.4.
Het begrip ‘kennelijk waardeloos’, zoals in de uitspraak van 2010 bedoeld, is iets anders dan ‘geen waardevolle spullen,’ of dat de zaken geen waarde vertegenwoordigen naar inschatting van anderen dan de rechthebbende. Bij kennelijk waardeloze spullen gaat het om zaken waarvan redelijkerwijs aangenomen mag worden dat de rechthebbende daar geen belang bij heeft. Deze invulling van het begrip ‘kennelijk waardeloos’ stemt overeen met de sinds 1 juli 2025 na de eerste volzin van artikel 556 lid 3 Rv ingevoegde nieuwe volzin: “Zaken waarvan redelijkerwijs aangenomen mag worden dat de rechthebbende daar geen belang bij heeft, kunnen terstond worden afgevoerd en vernietigd.” Bij deze uitzondering gaat het om spullen waarvan duidelijk is dat de rechthebbende daar geen belang (meer) bij heeft zodat die beter meteen vernietigd kunnen worden om kosten van opslag te voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan vuilniszakken met afval (vgl. Kamerstukken II, 2024–2025, 36 638, nr. 7, p. 12). Alleen in zoverre wordt het begrip ‘kennelijk waardeloos’ dus mede bepaald door de kosten van het traceren, afzonderen en opslaan van de spullen van een verhuurder die wordt ontruimd.
6.5.
Deze zaak kenmerkt zich verder door het volgende.
6.6.
Bouwinvest gaat naar eigen zeggen ervan uit dat [appellant] tevoren niet specifiek ervoor is gewaarschuwd dat directe vernietiging van zijn spullen zou volgen bij een ontruiming.
6.7.
De ontruiming vond plaats op 21 juni 2018 op basis van een verstekvonnis van 23 mei 2018 en betekening in gesloten enveloppe daarvan op 4 juni 2018. Vaststaat dat na de betekening geen contact is gezocht met [appellant] over de ontruiming, die plaatsvond op 21 juni 2018, ook niet op de dag van de ontruiming zelf, hoewel Bouwinvest beschikte over de meest recente bel- en mailgegevens van [appellant] . Er is dus een verstekvonnis ten uitvoer gelegd, waarbij de woning van [appellant] niet alleen is ontruimd, maar ook de gehele inboedel is afgevoerd, zonder dat er rond de ontruiming contact is geweest met [appellant] en noch het verstekvonnis, noch de aanzegging van de ontruiming in persoon is betekend.
6.8.
Vaststaat verder dat Bouwinvest meende dat [appellant] een hoarder was, hetgeen onder meer volgt uit de tekst van de opdracht aan de deurwaarder (zie onder 3.9 hiervoor). Dat [appellant] (mogelijk) aan verzamelwoede leed, was Bouwinvest bekend sinds in elk geval het binnentreden van de woning op 23 november 2017. In dat verband is er contact geweest tussen de beheerder van Bouwinvest en [appellant] . [appellant] heeft toen meteen duidelijk gemaakt dat zijn spullen niet kennelijk waardeloos waren. De beheerder heeft over dat gesprek op 21 december 2017 immers aan Bouwinvest teruggekoppeld: ‘Dhr. [appellant] geeft aan dat de spullen in zijn woning niet bestaat uit rommel.’
6.9.
Vaststaat voorts dat [appellant] in de periode dat hij de woning huurde (vanaf 20 november 2006) nooit een huurachterstand heeft laten ontstaan. Dat sprake was van een incassorisico voor onverhaalbare opslagkosten, kan ook overigens niet worden aangenomen. Dat geldt temeer omdat het betoog van [appellant] erop neerkomt dat opslag van al zijn spullen veel goedkoper zou zijn geweest dan de wijze waarop nu is ontruimd. Dit nu de deurwaarder 396 ontruimdozen heeft opgevoerd als kosten en [appellant] aan Bouwinvest (mede daardoor) meer dan € 7.000 aan ontruimingskosten heeft moeten voldoen, waarvan € 2.930,56 inclusief btw de kosten waren voor de vernietiging van zijn spullen. [appellant] heeft ook erop gewezen dat hij de huur voor de hele maand al had betaald, zodat zijn spullen (tijdelijk) in de woning opgeslagen hadden kunnen worden. Bouwinvest heeft het voorgaande niet voldoende weersproken.
6.10.
Gelet op de voormelde kenmerken van deze zaak, is het hof van oordeel dat Bouwinvest als verhuurder de ontruiming met een zekere behoedzaamheid ter hand diende te (laten) nemen en de met de ontruiming belaste deurwaarder dienovereenkomstig diende te instrueren. Dat geldt temeer omdat er juist bij een persoon als [appellant] , die (mogelijk) aan verzamelwoede lijdt, rekening mee moet worden gehouden dat in de woning aanwezige zaken voor hem relevante waarde kunnen hebben.
6.11.
Uit de gang van zaken volgt dat een deugdelijke instructie van Bouwinvest aan [geïntimeerde] achterwege is gebleven. De gehele inhoud van de woning is afgevoerd en vernietigd, er is niets naar de opslag gebracht. Dat deze inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant] in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was, kan niet worden aangenomen. Er was inboedel in de woning aanwezig, naast rommel/afval. Dit volgt uit de foto’s en filmopname die van de ontruiming zijn gemaakt. In de brief van 23 januari 2018 van de voormalige advocaat van [geïntimeerde] wordt verder verwezen naar ‘meubilair en gebruikelijke inventaris’, die kennelijk, naast rommel, in de woning was aangetroffen bij het binnentreden van de woning op 23 november 2017 (zie onder 3.6 in samenhang met 3.3 hiervoor). Van meubilair en gebruikelijke inventaris kan niet worden gezegd dat het om zaken gaat die kennelijk waardeloos waren, in de zin zoals hiervoor toegelicht. Het getuigt dan ook van een onzorgvuldige ontruiming dat alleen het her en der in de woning aangetroffen contante geld van in totaal € 525,95 (dat Bouwinvest vervolgens als betaling op het lopende dossier heeft geboekt) is gesepareerd. Deze gang van zaken bevestigt overigens, zoals het hof ook uit de foto’s en filmopname opmaakt, dat een selectieproces tot de mogelijkheden behoorde en ook heeft plaatsgevonden. Niet valt in te zien dat dit voor andere spullen niet mogelijk was.
6.12.
Voor het oordeel dat [appellant] afstand van zijn spullen had gedaan, bestaat evenmin grond. Van onvoldoende gewicht is dat [appellant] ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij rond de jaarwisseling 2017/2018 in een andere woning is getrokken. Het feit dat de woning vervuild was en (kennelijk) niet meer bewoond, maakt dit niet anders. [appellant] heeft immers gesteld, en Bouwinvest heeft onvoldoende bestreden, dat de beheerder de watertoevoer had afgesloten waardoor [appellant] er niet meer kon wonen. [appellant] had bovendien kort tevoren nog aan de beheerder duidelijk gemaakt dat de spullen in zijn woning niet bestaan uit rommel. Uit zijn handelingen kan in het licht van het voorgaande niet worden afgeleid dat hij de wil heeft gehad zijn bezit van de spullen in het verhuurde te doen eindigen, als bedoeld in artikel 3:117 BW. Om dezelfde redenen als hiervoor toegelicht, bestaat er ook geen grond voor het oordeel dat [appellant] het gehuurde ‘daadwerkelijk had verlaten’ in de zin van artikel 2.8 van de op de huurovereenkomst toepasselijke Algemene Bepalingen huurovereenkomst woonruimte. Bovendien heeft [appellant] tot het einde toe de huur doorbetaald en de huurovereenkomst nooit opgezegd.
6.13.
Omdat goederen van een huurder in beginsel niet mogen worden weggegooid, dit wel is gebeurd, en niet van alle goederen kan worden gezegd dat deze kennelijk waardeloos waren of dat [appellant] er afstand van had gedaan, heeft Bouwinvest niet op een zorgvuldige wijze de woning van [appellant] laten ontruimen. Zij is aansprakelijk voor dit (eigen) onrechtmatig handelen. De ten gevolge daarvan bij [appellant] ontstane schade dient zij te vergoeden.
Aansprakelijkheid deurwaarder
6.14.
Ook [geïntimeerde] is aansprakelijk voor de schade van [appellant] . Weliswaar benadrukt [geïntimeerde] dat de gedwongen ontruiming ingevolge artikel 556 lid 1 Rv geschiedt door een deurwaarder en dat deze ambtelijke taak eindigt als de zaken door de deurwaarder op straat zijn gezet, maar dat baat [geïntimeerde] niet. In deze zaak heeft de deurwaarder zich niet tot deze ambtelijke taak beperkt. Nadat de in de woning aangetroffen roerende zaken waren verwijderd door plaatsing van deze spullen op de openbare weg, heeft de deurwaarder zich over de spullen ontfermd. Deze spullen zijn vervolgens na overleg tussen de deurwaarder en de beheerder afgevoerd naar het afvalverwerkingsbedrijf Sortiva waarbij de deurwaarder de vuilniswagen (Comenius Verhuizingen) heeft geregeld. Het voorgaande wordt bevestigd door de verklaring van de deurwaarder ter zitting in eerste aanleg dat hij op de dag van de ontruiming met de beheerder van Bouwinvest heeft overlegd of de spullen moesten worden opgeslagen en dat de conclusie was dat dit niet nodig was. Uit het feit dat de deurwaarder in overleg met de beheerder is getreden, volgt dat niet aanstonds duidelijk was dat de spullen kennelijk waardeloos waren of dat [appellant] er afstand van had gedaan. Mede doordat de deurwaarder in contact stond met de beheerder en dus had kunnen doorvragen waar dat nodig was, mocht hij in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid aannemen dat alle zaken mochten worden vernietigd. Ook overigens mocht hij dat niet, gezien hetgeen het hof eerder in dit arrest heeft overwogen. Omdat de deurwaarder desondanks alle dozen heeft laten afvoeren naar het afvalverwerkingsbedrijf, is [geïntimeerde] hoofdelijk met Bouwinvest aansprakelijk voor de schade van [appellant] .
Condicio sine qua non-verband
6.15.
Het hof volgt niet het betoog dat causaal verband ontbreekt, in de zin dat zorgvuldig handelen van Bouwinvest en [geïntimeerde] de schade niet had kunnen voorkomen, zoals Bouwinvest en [geïntimeerde] aanvoeren. [appellant] heeft actie ondernomen nadat hij op de hoogte was geraakt van het verstekvonnis en heeft toen (ook) in rechte schadevergoeding gevorderd wegens onzorgvuldige ontruiming. Daaruit, en uit de onderhavige procedure, volgt genoegzaam dat hij zich tegen de gang van zaken op 21 juni 2018 zou hebben verzet. Voldoende aannemelijk is dat hij zou hebben aangedrongen op opslag van ál zijn spullen als er op de dag van de ontruiming telefonisch contact met hem was geweest, althans dat hij zijn spullen later zou hebben opgehaald als hij die dag niet kon worden bereikt en zijn spullen in afwachting van zijn reactie in opslag waren genomen.
Verklaring voor recht
6.16.
Gelet op het voorgaande is de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar, in de zin dat Bouwinvest en [geïntimeerde] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] en dientengevolge schadeplichtig zijn.
Schadebegroting
6.17.
Omdat [appellant] vergoeding vordert van schade die hij als gevolg van de vernietiging van zijn zaken stelt te hebben geleden, rust op grond van artikel 150 Rv op hem de stelplicht en bewijslast ter zake van de schade. Voor vergoeding van schade wegens een onzorgvuldige ontruiming bestaat alleen grond als de benadeelde aantoont dat de vernietigde zaken financiële waarde hadden. Dat is meer dan dat de benadeelde aantoont dat hij nog belang had bij de spullen. Het gaat er bij de schadevordering om of de zaak in economische zin waarde had.
6.18.
Bouwinvest en [geïntimeerde] hebben de omvang van de door [appellant] gestelde schade gemotiveerd betwist. Zij hebben onder meer erop gewezen dat veel van de spullen waarvan [appellant] vergoeding wenst, niet zijn aangetroffen bij de ontruiming. Uit de door [appellant] zelf opgestelde lijst blijkt volgens Bouwinvest geenszins dat deze zaken zich daadwerkelijk in het gehuurde bevonden tijdens de ontruiming of dat deze zaken ooit door [appellant] zijn aangeschaft. Bouwinvest wijst er voorts op dat [appellant] geen nota’s of aankoopbonnen heeft overgelegd en dat uit deze lijst ook niet blijkt of de genoemde prijs de nieuwprijs of dagwaarde betrof.
6.19.
Het hof zal zich eerst richten op de vraag welke spullen verloren zijn gegaan. Daarbij kan in het licht van de betwisting van Bouwinvest en [geïntimeerde] niet van de lijst van [appellant] worden uitgegaan die hij primair aan zijn schadevordering ten grondslag legt. Hetgeen een verzekeraar tot uitgangspunt zou nemen, biedt ook niet voldoende aanknopingspunten voor de schadebegroting in deze zaak, anders dan [appellant] subsidiair meent. Dat geldt in het bijzonder omdat [appellant] naar eigen zeggen rond de jaarwisseling 2017/2018 in een andere woning is getrokken, zoals onder 6.12 hiervoor al aan de orde kwam. Niet uit te sluiten valt dat een deel van zijn inboedel naar die (andere) woning is overgebracht en dat dit verklaart waarom Bouwinvest en [geïntimeerde] bepaalde spullen niet hebben aangetroffen bij de ontruiming, zoals zij hebben aangevoerd. Meer subsidiair wijst [appellant] op de foto’s en filmopname die van de ontruiming zijn gemaakt. Ook Bouwinvest en [geïntimeerde] betogen dat van die beelden moet worden uitgegaan als aan schadebegroting wordt toegekomen. Het hof zal dat volgen. Het hof heeft deze beelden aanschouwd en daarop diverse zaken met (enige) financiële waarde gezien.
6.20.
De rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, begroot, voor zover hem dit mogelijk is, de schade in zijn uitspraak (artikel 612 Rv). In deze zaak zal de schade op de voet van artikel 6:97 BW moeten worden geschat, omdat de omvang van de schade van [appellant] niet meer nauwkeurig kan worden vastgesteld. Het hof acht zich voldoende in staat tot het schatten van de schade aan de hand van de foto’s en filmopname, de staat waarin de spullen van [appellant] op die beelden verkeerden en hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht. Het hof schat de financiële waarde van de spullen van [appellant] die verloren zijn gegaan, en daarmee de schade van [appellant] , op € 5.000,00. Voor dit bedrag zijn Bouwinvest en [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk. Bij deze schatting heeft het hof er in het voordeel van [appellant] rekening mee gehouden dat hij in zijn bewijs wordt bemoeilijkt omdat zijn zaken zijn vernietigd. Daarom is het hof bij de schatting van de schade ervan uitgegaan dat er ook zaken met financiële waarde in het verhuurde aanwezig waren die niet (duidelijk) op de foto’s en filmopname te zien zijn.
6.21.
Partijen dienden rekening te houden met de mogelijkheid dat het hof de schade zou begroten. In het feit dat de mondelinge behandeling bij het hof niet door kon gaan, ziet het hof niettemin aanleiding de in rechtsoverweging 6.20 begrote schade van € 5.000,00 als niet bindende eindbeslissing aan te merken en partijen in de gelegenheid te stellen zich (uitsluitend) hierover nog bij akte uit te laten. Met dat doel krijgt eerst [appellant] een termijn van zes weken. Als [appellant] zijn akte heeft genomen, wordt vervolgens aan (ieder van) Bouwinvest en [geïntimeerde] een termijn van zes weken gegeven voor antwoordakte.
6.22.
Een vergoeding van de kosten van de vernietiging van de spullen – van € 2.930,56 inclusief btw – kan, anders dan [appellant] mogelijk meent, niet worden toegewezen. [appellant] heeft er in eerste aanleg over geklaagd dat de kosten van de gedwongen ontruiming – en daarmee de kosten van de vernietiging van zijn eigendommen – voor zijn rekening zijn gebracht. De rechtbank heeft deze klacht ongegrond bevonden met de overweging: “Dit is, hoe treurig ook, (…) niet meer dan toepassing van executierecht.” [appellant] heeft tegen dit oordeel geen (kenbare) grief gericht.
Geen eigen schuld
6.23.
Anders dan de rechtbank, ziet het hof in het betoog van Bouwinvest en [geïntimeerde] geen grond om van de voor vergoeding vatbare schade als bedoeld onder 6.20 hiervoor, een deel toe te rekenen aan [appellant] zelf, op grond van artikel 6:101 BW en de schadebeperkingsplicht. Dit oordeel wordt niet anders als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [appellant] van de aangekondigde ontruiming op de hoogte had kunnen zijn. Weliswaar hebben Bouwinvest en [geïntimeerde] naar voren gebracht dat [appellant] een juridische achtergrond had, zijn post niet goed in de gaten heeft gehouden, zijn afwezigheid niet heeft gemeld en telefonisch en per e-mail niet bereikbaar was, ook niet voor de GGD, maar dat maakt niet dat het betoog van Bouwinvest en [geïntimeerde] slaagt. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de kennis van [appellant] van de ontruimingstitel (de mogelijkheid dat een ontruiming zou plaatsvinden) en anderzijds zijn kennis van de wijze waarop met zijn inboedel zou worden omgegaan. De schade is ontstaan door het direct laten vernietigen van de eigendommen van [appellant] . Er is onvoldoende gesteld voor het oordeel dat die schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [appellant] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW, laat staan dat zich de situatie voordoet dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Bouwinvest en [geïntimeerde] geheel vervalt.
Afronding
6.24.
Het hoger beroep is succesvol.
6.25.
De door [appellant] gevorderde verklaring voor recht ligt voor toewijzing gereed en er is schadevergoeding toewijsbaar. De schade kan door het hof worden begroot, er bestaat daardoor geen grond voor een schadevergoeding op te maken bij staat. Aan (tegen)bewijslevering wordt niet toegekomen, zoals uit de overwegingen in dit arrest volgt. Er wordt nog wel een aktewisseling toegestaan als onder 6.21 hiervoor bedoeld.
6.26.
Het bestreden vonnis wordt bij het eindarrest vernietigd. [appellant] wordt grotendeels in het gelijk gesteld, reeds omdat de door hem gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is. Zijn beroep op misbruik van bevoegdheid kan niet tot méér of andere schadevergoeding leiden dan het bedrag dat wegens de onzorgvuldige ontruiming toewijsbaar is en hoeft daarom bij gebrek aan belang niet te worden besproken. Er bestaat bij deze uitkomst evenmin nog belang bij een afzonderlijke bespreking van de grieven van [appellant] .
Proceskosten
6.27.
Bouwinvest en [geïntimeerde] worden grotendeels in het ongelijk gesteld. Zij worden daarom bij het eindarrest hoofdelijk veroordeeld in de advocaatkosten van de eerste aanleg (twee punten) en het hoger beroep (tot op heden bestaande uit twee punten, exclusief de aktewisseling die nog zal plaatsvinden). Het salaris advocaat zal worden berekend op basis van het liquidatietarief dat past bij de hoogte van de schadevergoeding die bij het eindarrest toewijsbaar wordt geoordeeld. Daarnaast worden Bouwinvest en [geïntimeerde] bij het eindarrest hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de explootkosten en het griffierecht van [appellant] , gemaakt in eerste aanleg (€ 131,85 en € 320,00) en in hoger beroep (€ 138,82 en € 362,00), en in de nakosten.
6.28.
[appellant] vordert terugbetaling door [geïntimeerde] van de proceskosten van € 2.082,00, die hij na het bestreden vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling (4 september 2024). Deze vordering is bij het eindarrest toewijsbaar omdat door de vernietiging van het bestreden vonnis de rechtsgrond komt te ontvallen aan hetgeen ter uitvoering van dat vonnis is verricht.
Verdere voortgang
6.29.
In afwachting van de aktewisseling bedoeld onder 6.21 hiervoor wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
6.30.
Uiteraard staat het partijen vrij deze zaak nu aan de hand van dit arrest, waarin alle beslispunten die aan het hof zijn voorgelegd de revue hebben gepasseerd, in onderling overleg te regelen en af te zien van verder procederen. Indien een schikking is bereikt, kunnen zij het hof op onderstaande roldatum (eenstemmig) vragen om doorhaling van de zaak.
7Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 27 oktober 2026 voor een akte aan de zijde van [appellant] met het in 6.21 hiervoor omschreven doel,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M. Korsten-Krijnen, mr. J.F. Aalders en mr. M. Mieras en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.