Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2583
2026-08-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/1693
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ 2023 niet-woning. Hoogte dwangsom. Hoogte kostenvergoeding bezwaar en beroep. Artikel 30a WOZ.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.224 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1693
25 augustus 2026
uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes)
tegen de uitspraak van 27 mei 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/5756 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 172 H te [plaats] (hierna ook: de niet-woning) voor het kalenderjaar 2023 naar waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 469.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 gebruiker bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 6 augustus 2024 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Bij besluit van 6 augustus 2024 (het dwangsombesluit) heeft de heffingsambtenaar het verzoek om een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen op het bezwaar afgewezen.
1.4.
De rechtbank heeft als volgt op het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- vernietigt het dwangsombesluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het dwangsombesluit van 6 augustus 2024;
- stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 23;-;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 229,50 aan proceskosten aan eiser.”
1.5.
Belanghebbende heeft op 11 juli 2025 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld en dit nader gemotiveerd bij brief van 3 september 2025.
1.6.
Bij uitspraak van 17 september 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar (opnieuw) niet-ontvankelijk verklaard.
1.7.
Op 11 december 2025 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.8.
Op 16 maart 2026 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend.
1.9.
Op 7 augustus 2026 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.10.
Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het Hof heeft het onderzoek gesloten. Bij brief van 11 augustus 2026 heeft het Hof partijen geïnformeerd dat binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.
2Feiten
Op 18 juli 2024 heeft belanghebbende een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar verzonden. Deze is op 20 juli 2024 afgeleverd in de postbus van de heffingsambtenaar en deze heeft de heffingsambtenaar op 22 juli 2024 afgehaald.
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is de hoogte van de dwangsom in geschil. Daarnaast is de hoogte van de kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase in geschil.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist (de door de rechtbank opgenomen voetnoten zijn door het Hof weggelaten):
“Ontvankelijkheid van het bezwaar
5.1.
Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar niet bevoegd was om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet indienen van bezwaargronden, omdat de heffingsambtenaar eerst duidelijk had moeten aangeven dat, indien de gronden niet binnen een gestelde termijn zouden zijn ingediend, eiser niet-ontvankelijk kon worden verklaard. De heffingsambtenaar heeft een dergelijke mededeling niet gedaan.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Naar vaste jurisprudentie brengt de door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid in een bezwaarschriftprocedure met zich mee dat de indiener van een bezwaarschrift, die een nadere termijn krijgt voor het indienen van gronden, hierbij uitdrukkelijk wordt gewezen op de gevolgen van overschrijding van deze termijn, als verweerder de termijn als fatale termijn heeft bedoeld. De heffingsambtenaar dient er dan op te wijzen dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
5.3.
De heffingsambtenaar heeft eiser met brieven van 4 mei 2023 en 26 juni 2023 gevraagd binnen zes weken na datum van die brieven het bezwaar te motiveren. Daarbij heeft de heffingsambtenaar niet vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden als geen (of niet op tijd) gronden worden ingediend. Eiser heeft daarom terecht aangevoerd dat de heffingsambtenaar het bezwaar niet niet-ontvankelijk mocht verklaren. Het beroep is gegrond. De uitspraak op bezwaar moet vernietigd worden.
Toekennen dwangsom
6.1.
Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend, omdat te laat is beslist op het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft pas op 6 augustus 2024, derhalve niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, op het bezwaar beslist.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 18 juli 2024 per aangetekende post een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar gestuurd. Uit traceerinformatie van [bedrijf] blijkt dat het poststuk op 22 juli 2024 is afgehaald.
6.4.
De heffingsambtenaar heeft op 6 augustus 2024, dus op de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling, op het bezwaar beslist en verbeurt daarom een dwangsom van € 23,-. Het dwangsombesluit moet daarom worden vernietigd.
Verzoek verweerschrift niet toe te laten
7.1.
De heffingsambtenaar heeft een dag voor de zitting een verweerschrift en stukken ingediend. Eiser heeft verzocht stukken die tardief ingediend worden niet toe te laten in het geding of de procedure aan te houden en hem in de gelegenheid te stellen de stellingen en stukken te bestuderen en daarop schriftelijk te reageren.
7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak kunnen stukken worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de rechtbank wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank was van dit laatste geen sprake. Het verweerschrift was niet complex of omvangrijk en de onderbouwende bijlagen betroffen brieven die in de bezwaarfase aan eiser en zijn gemachtigde waren toegestuurd. Eiser was daarom niet belemmerd om (voor of) op de zitting hierop te reageren. De rechtbank wijst het verzoek af.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat de uitspraak op bezwaar in strijd is met artikel 6:6 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De rechtbank draagt de heffingsambtenaar op om opnieuw op het bezwaar te beslissen, omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
8.1.
Het beroep tegen het dwangsombesluit is gegrond. De rechtbank vernietigt het dwangsombesluit en ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 23,- verschuldigd is aan eiser.
9. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,-. Omdat de zaak een zeer licht gewicht heeft, is op de waarde de factor 0,25 toegepast. De hoogte van de vergoeding wordt vermenigvuldigd met 0,25. En bedraagt dan € 226,75. Ook wordt een vergoeding toegekend voor kosten voor het uittreksel Kamer van Koophandel van € 2,75. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 229,50.”
5Beoordeling van het geschil
5.1.1.
In zijn hogerberoepschrift voert belanghebbende vier grieven aan:
de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste aanvangsdatum voor het verbeuren van dwangsommen. Daarom komt de rechtbank tot de onjuiste conclusie dat slechts een dwangsom van € 23 (voor één dag) verschuldigd is. Dit had een dwangsom van € 69 (voor drie dagen) moeten zijn. Ook is wettelijke rente over de dwangsom verschuldigd, te rekenen vanaf het verzuimmoment.
de rechtbank heeft het verweerschrift en de bijlagen daarbij ten onrechte niet tardief verklaard.
de rechtbank heeft ten onrechte een wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. Dit had een wegingsfactor van 1,0 moeten zijn (subsidiair neemt belanghebbende het standpunt in dat de wegingsfactor 0,5 had moeten zijn).
belanghebbende meent dat de rechtbank ten onrechte geen kostenvergoeding aan hem heeft toegekend voor de proceshandelingen van het maken van bezwaar tegen het dwangsombesluit.
5.1.2.
In zijn nader stuk van 11 december 2025 verzoekt belanghebbende het Hof de uitspraak op bezwaar van 17 september 2025 (zie 1.6) op basis van artikel 6:19, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te vernietigen. De uitspraak is gedaan hangende het hoger beroep van belanghebbende en was derhalve prematuur.
5.1.3.
In zijn verweerschrift in hoger beroep schrijft de heffingsambtenaar:
“ 1. De gemeente kan zich vinden in het argument van gemachtigde dat had moeten worden uitgegaan van de ontvangst van de ingebrekestelling in plaats van het afhaalmoment. De gemeente kan zich ook vinden in het standpunt dat wettelijke rente is verschuldigd over de dwangsom.
2. De gemeente is van mening dat het aan de rechtbank is om al dan niet stukken te accepteren. De gemeente is ook niet verplicht om een verweerschrift in te dienen.
3. Aangezien zowel de uitspraak op bezwaar als het dwangsombesluit ter discussie stond bij de rechtbank kan de gemeente zich vinden in de hantering van een wegingsfactor van 1 voor bezwaar, beroep en hoger beroep.
4. Er is (opnieuw) uitspraak op bezwaar gedaan hangende deze hoger beroepszaak. Ik ben het eens met gemachtigde dat een hoger beroep opschortende werking heeft en dat dit prematuur is gebeurd.”
5.2.
Het Hof stelt vast dat partijen ten aanzien van de eerste (hoogte dwangsom en wettelijke rente) en de derde grief (hantering van een gewichtsfactor van 1) van belanghebbende hetzelfde standpunt zijn toegedaan en zal dienovereenkomstig beslissen.
5.2.1.
Het Hof zal de verbeurde dwangsom overeenkomstig artikel 4:17 van de Awb vaststellen op € 69 (zijnde drie dagen x € 23, vanaf 4 augustus 2024 tot en met 6 augustus 2024).
5.2.2.
Ingevolge artikel 4:87, lid 1, van de Awb zal de heffingsambtenaar over de verbeurde dwangsom een wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf 17 september 2024 (zijnde zes weken na de bekendmaking van het dwangsombesluit op 6 augustus 2024) tot aan de dag van algehele voldoening van de dwangsom.
5.2.3.
Voor wat betreft het toelaten van het verweerschrift en de bijlagen daarbij (tweede grief van belanghebbende) heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 7.1 tot en met 7.3 juist beslist. Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt ze tot de zijne.
5.2.4.
Voor het beroep zal het Hof onder 6 opnieuw de kostenvergoeding vaststellen. Het Hof overweegt daarbij als volgt. Belanghebbende stelt dat hij op 17 september 2024 zowel bezwaar als beroep heeft ingesteld tegen de dwangsombeschikking van 6 augustus 2024 en dat de rechtbank dat beroep heeft doorgezonden aan de heffingsambtenaar om als bezwaar te worden behandeld. Voor het daarbij toekennen van een kostenvergoeding voor een bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking ziet het Hof geen aanleiding. De klachten van belanghebbende over de dwangsombeschikking worden geacht deel uit te maken van het beroep voor de rechtbank en de rechtbank heeft deze dan ook aldus behandeld. Van een aanvullende in deze procedure voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling (bestaande uit het indienen van een bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking) is geen sprake.
5.2.5.
Ingevolge artikel 6:19, lid 6, van de Awb zal het Hof overeenkomstig het verzoek van belanghebbende de uitspraak op bezwaar van 17 september 2025 (zie 1.6) vernietigen.
5.3.
Een en ander leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.
6Kosten
6.1.
De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij de behandeling van het beroep. Die kosten worden vastgesteld op € 934 (1 punt voor het beroepschrift met een puntwaarde van € 934 en wegingsfactor 1).
6.2.
Voor de te vergoeden kosten voor het geding in hoger beroep gaat het Hof uit van één procespunt (hogerberoepschrift) met een puntwaarde van € 934. Voor het toekennen in deze uitspraak van een additioneel (half) procespunt voor het indienen van het nadere stuk van 11 december 2025 (zie 1.7, 5.1.1, 5.1.2 en 5.2.4) biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht geen grondslag en ook overigens ziet het Hof daartoe geen aanleiding. Gelet op de aard van het geschil in hoger beroep, dat is beperkt tot vragen van formeelrechtelijke aard, zal het Hof daarbij een wegingsfactor van 0,5 toepassing. Dit leidt in beginsel tot een bedrag van € 467. Daarnaast stelt het Hof vast dat artikel 30a van de Wet WOZ op deze procedure toepassing vindt. Het Hof overweegt dat belanghebbende niet heeft gesteld dat het een “bijzonder geval” betreft als bedoeld in r.o. 3.5.2 van het arrest Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het bestreden besluit (dat wil zeggen: de WOZ beschikking genomen krachtens de Wet WOZ) is niet vernietigd of gewijzigd. Het bedrag van € 467 dient daarom op grond van artikel 30a, lid 2, onder b, van de Wet WOZ met een factor 0,10 vermenigvuldigd te worden. Dit leidt tot een kostenvergoeding in hoger beroep van € 46,70.
6.3.
Tevens heeft belanghebbende recht op vergoeding van kosten voor het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van € 2,75. Tezamen met de in 6.1 en 6.2 berekende kosten leidt dit tot een totale kostenvergoeding van € 983,45. Daarnaast heeft belanghebbende recht op terugbetaling van griffierecht in hoger beroep van € 143.
7Beslissing
Het Hof:
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch enkel voor zover het de beslissing over de verbeurde dwangsom en de proceskostenvergoeding betreft en voor zover niets is bepaald over vergoeding van wettelijke rente over de dwangsom;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
stelt de door de heffingsambtenaar aan belanghebbende verbeurde dwangsom vast op € 69;
bepaalt dat de heffingsambtenaar over de verbeurde dwangsom een wettelijke rente is verschuldigd vanaf 17 september 2024 tot het moment van uitbetaling;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 17 september 2025;
gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep (€ 143) heeft betaald, en
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep en hoger beroep, vastgesteld op € 983,45.
De uitspraak is gedaan door mr. J-P.R. van den Berg, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerk 25/1693
25 augustus 2026
uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes)
tegen de uitspraak van 27 mei 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/5756 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 172 H te [plaats] (hierna ook: de niet-woning) voor het kalenderjaar 2023 naar waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 469.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 gebruiker bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 6 augustus 2024 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Bij besluit van 6 augustus 2024 (het dwangsombesluit) heeft de heffingsambtenaar het verzoek om een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen op het bezwaar afgewezen.
1.4.
De rechtbank heeft als volgt op het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- vernietigt het dwangsombesluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het dwangsombesluit van 6 augustus 2024;
- stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 23;-;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 229,50 aan proceskosten aan eiser.”
1.5.
Belanghebbende heeft op 11 juli 2025 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld en dit nader gemotiveerd bij brief van 3 september 2025.
1.6.
Bij uitspraak van 17 september 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar (opnieuw) niet-ontvankelijk verklaard.
1.7.
Op 11 december 2025 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.8.
Op 16 maart 2026 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend.
1.9.
Op 7 augustus 2026 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.10.
Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het Hof heeft het onderzoek gesloten. Bij brief van 11 augustus 2026 heeft het Hof partijen geïnformeerd dat binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.
2Feiten
Op 18 juli 2024 heeft belanghebbende een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar verzonden. Deze is op 20 juli 2024 afgeleverd in de postbus van de heffingsambtenaar en deze heeft de heffingsambtenaar op 22 juli 2024 afgehaald.
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is de hoogte van de dwangsom in geschil. Daarnaast is de hoogte van de kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase in geschil.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist (de door de rechtbank opgenomen voetnoten zijn door het Hof weggelaten):
“Ontvankelijkheid van het bezwaar
5.1.
Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar niet bevoegd was om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet indienen van bezwaargronden, omdat de heffingsambtenaar eerst duidelijk had moeten aangeven dat, indien de gronden niet binnen een gestelde termijn zouden zijn ingediend, eiser niet-ontvankelijk kon worden verklaard. De heffingsambtenaar heeft een dergelijke mededeling niet gedaan.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Naar vaste jurisprudentie brengt de door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid in een bezwaarschriftprocedure met zich mee dat de indiener van een bezwaarschrift, die een nadere termijn krijgt voor het indienen van gronden, hierbij uitdrukkelijk wordt gewezen op de gevolgen van overschrijding van deze termijn, als verweerder de termijn als fatale termijn heeft bedoeld. De heffingsambtenaar dient er dan op te wijzen dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
5.3.
De heffingsambtenaar heeft eiser met brieven van 4 mei 2023 en 26 juni 2023 gevraagd binnen zes weken na datum van die brieven het bezwaar te motiveren. Daarbij heeft de heffingsambtenaar niet vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden als geen (of niet op tijd) gronden worden ingediend. Eiser heeft daarom terecht aangevoerd dat de heffingsambtenaar het bezwaar niet niet-ontvankelijk mocht verklaren. Het beroep is gegrond. De uitspraak op bezwaar moet vernietigd worden.
Toekennen dwangsom
6.1.
Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend, omdat te laat is beslist op het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft pas op 6 augustus 2024, derhalve niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, op het bezwaar beslist.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 18 juli 2024 per aangetekende post een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar gestuurd. Uit traceerinformatie van [bedrijf] blijkt dat het poststuk op 22 juli 2024 is afgehaald.
6.4.
De heffingsambtenaar heeft op 6 augustus 2024, dus op de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling, op het bezwaar beslist en verbeurt daarom een dwangsom van € 23,-. Het dwangsombesluit moet daarom worden vernietigd.
Verzoek verweerschrift niet toe te laten
7.1.
De heffingsambtenaar heeft een dag voor de zitting een verweerschrift en stukken ingediend. Eiser heeft verzocht stukken die tardief ingediend worden niet toe te laten in het geding of de procedure aan te houden en hem in de gelegenheid te stellen de stellingen en stukken te bestuderen en daarop schriftelijk te reageren.
7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak kunnen stukken worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de rechtbank wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank was van dit laatste geen sprake. Het verweerschrift was niet complex of omvangrijk en de onderbouwende bijlagen betroffen brieven die in de bezwaarfase aan eiser en zijn gemachtigde waren toegestuurd. Eiser was daarom niet belemmerd om (voor of) op de zitting hierop te reageren. De rechtbank wijst het verzoek af.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat de uitspraak op bezwaar in strijd is met artikel 6:6 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De rechtbank draagt de heffingsambtenaar op om opnieuw op het bezwaar te beslissen, omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
8.1.
Het beroep tegen het dwangsombesluit is gegrond. De rechtbank vernietigt het dwangsombesluit en ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 23,- verschuldigd is aan eiser.
9. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,-. Omdat de zaak een zeer licht gewicht heeft, is op de waarde de factor 0,25 toegepast. De hoogte van de vergoeding wordt vermenigvuldigd met 0,25. En bedraagt dan € 226,75. Ook wordt een vergoeding toegekend voor kosten voor het uittreksel Kamer van Koophandel van € 2,75. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 229,50.”
5Beoordeling van het geschil
5.1.1.
In zijn hogerberoepschrift voert belanghebbende vier grieven aan:
de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste aanvangsdatum voor het verbeuren van dwangsommen. Daarom komt de rechtbank tot de onjuiste conclusie dat slechts een dwangsom van € 23 (voor één dag) verschuldigd is. Dit had een dwangsom van € 69 (voor drie dagen) moeten zijn. Ook is wettelijke rente over de dwangsom verschuldigd, te rekenen vanaf het verzuimmoment.
de rechtbank heeft het verweerschrift en de bijlagen daarbij ten onrechte niet tardief verklaard.
de rechtbank heeft ten onrechte een wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. Dit had een wegingsfactor van 1,0 moeten zijn (subsidiair neemt belanghebbende het standpunt in dat de wegingsfactor 0,5 had moeten zijn).
belanghebbende meent dat de rechtbank ten onrechte geen kostenvergoeding aan hem heeft toegekend voor de proceshandelingen van het maken van bezwaar tegen het dwangsombesluit.
5.1.2.
In zijn nader stuk van 11 december 2025 verzoekt belanghebbende het Hof de uitspraak op bezwaar van 17 september 2025 (zie 1.6) op basis van artikel 6:19, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te vernietigen. De uitspraak is gedaan hangende het hoger beroep van belanghebbende en was derhalve prematuur.
5.1.3.
In zijn verweerschrift in hoger beroep schrijft de heffingsambtenaar:
“ 1. De gemeente kan zich vinden in het argument van gemachtigde dat had moeten worden uitgegaan van de ontvangst van de ingebrekestelling in plaats van het afhaalmoment. De gemeente kan zich ook vinden in het standpunt dat wettelijke rente is verschuldigd over de dwangsom.
2. De gemeente is van mening dat het aan de rechtbank is om al dan niet stukken te accepteren. De gemeente is ook niet verplicht om een verweerschrift in te dienen.
3. Aangezien zowel de uitspraak op bezwaar als het dwangsombesluit ter discussie stond bij de rechtbank kan de gemeente zich vinden in de hantering van een wegingsfactor van 1 voor bezwaar, beroep en hoger beroep.
4. Er is (opnieuw) uitspraak op bezwaar gedaan hangende deze hoger beroepszaak. Ik ben het eens met gemachtigde dat een hoger beroep opschortende werking heeft en dat dit prematuur is gebeurd.”
5.2.
Het Hof stelt vast dat partijen ten aanzien van de eerste (hoogte dwangsom en wettelijke rente) en de derde grief (hantering van een gewichtsfactor van 1) van belanghebbende hetzelfde standpunt zijn toegedaan en zal dienovereenkomstig beslissen.
5.2.1.
Het Hof zal de verbeurde dwangsom overeenkomstig artikel 4:17 van de Awb vaststellen op € 69 (zijnde drie dagen x € 23, vanaf 4 augustus 2024 tot en met 6 augustus 2024).
5.2.2.
Ingevolge artikel 4:87, lid 1, van de Awb zal de heffingsambtenaar over de verbeurde dwangsom een wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf 17 september 2024 (zijnde zes weken na de bekendmaking van het dwangsombesluit op 6 augustus 2024) tot aan de dag van algehele voldoening van de dwangsom.
5.2.3.
Voor wat betreft het toelaten van het verweerschrift en de bijlagen daarbij (tweede grief van belanghebbende) heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 7.1 tot en met 7.3 juist beslist. Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt ze tot de zijne.
5.2.4.
Voor het beroep zal het Hof onder 6 opnieuw de kostenvergoeding vaststellen. Het Hof overweegt daarbij als volgt. Belanghebbende stelt dat hij op 17 september 2024 zowel bezwaar als beroep heeft ingesteld tegen de dwangsombeschikking van 6 augustus 2024 en dat de rechtbank dat beroep heeft doorgezonden aan de heffingsambtenaar om als bezwaar te worden behandeld. Voor het daarbij toekennen van een kostenvergoeding voor een bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking ziet het Hof geen aanleiding. De klachten van belanghebbende over de dwangsombeschikking worden geacht deel uit te maken van het beroep voor de rechtbank en de rechtbank heeft deze dan ook aldus behandeld. Van een aanvullende in deze procedure voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling (bestaande uit het indienen van een bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking) is geen sprake.
5.2.5.
Ingevolge artikel 6:19, lid 6, van de Awb zal het Hof overeenkomstig het verzoek van belanghebbende de uitspraak op bezwaar van 17 september 2025 (zie 1.6) vernietigen.
5.3.
Een en ander leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.
6Kosten
6.1.
De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij de behandeling van het beroep. Die kosten worden vastgesteld op € 934 (1 punt voor het beroepschrift met een puntwaarde van € 934 en wegingsfactor 1).
6.2.
Voor de te vergoeden kosten voor het geding in hoger beroep gaat het Hof uit van één procespunt (hogerberoepschrift) met een puntwaarde van € 934. Voor het toekennen in deze uitspraak van een additioneel (half) procespunt voor het indienen van het nadere stuk van 11 december 2025 (zie 1.7, 5.1.1, 5.1.2 en 5.2.4) biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht geen grondslag en ook overigens ziet het Hof daartoe geen aanleiding. Gelet op de aard van het geschil in hoger beroep, dat is beperkt tot vragen van formeelrechtelijke aard, zal het Hof daarbij een wegingsfactor van 0,5 toepassing. Dit leidt in beginsel tot een bedrag van € 467. Daarnaast stelt het Hof vast dat artikel 30a van de Wet WOZ op deze procedure toepassing vindt. Het Hof overweegt dat belanghebbende niet heeft gesteld dat het een “bijzonder geval” betreft als bedoeld in r.o. 3.5.2 van het arrest Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het bestreden besluit (dat wil zeggen: de WOZ beschikking genomen krachtens de Wet WOZ) is niet vernietigd of gewijzigd. Het bedrag van € 467 dient daarom op grond van artikel 30a, lid 2, onder b, van de Wet WOZ met een factor 0,10 vermenigvuldigd te worden. Dit leidt tot een kostenvergoeding in hoger beroep van € 46,70.
6.3.
Tevens heeft belanghebbende recht op vergoeding van kosten voor het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van € 2,75. Tezamen met de in 6.1 en 6.2 berekende kosten leidt dit tot een totale kostenvergoeding van € 983,45. Daarnaast heeft belanghebbende recht op terugbetaling van griffierecht in hoger beroep van € 143.
7Beslissing
Het Hof:
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch enkel voor zover het de beslissing over de verbeurde dwangsom en de proceskostenvergoeding betreft en voor zover niets is bepaald over vergoeding van wettelijke rente over de dwangsom;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
stelt de door de heffingsambtenaar aan belanghebbende verbeurde dwangsom vast op € 69;
bepaalt dat de heffingsambtenaar over de verbeurde dwangsom een wettelijke rente is verschuldigd vanaf 17 september 2024 tot het moment van uitbetaling;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 17 september 2025;
gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep (€ 143) heeft betaald, en
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep en hoger beroep, vastgesteld op € 983,45.
De uitspraak is gedaan door mr. J-P.R. van den Berg, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: