Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2579
2026-08-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/775 en 25/776
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ 2023 woningen. In hoger beroep is alleen de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase in geschil. Meer specifiek of factor 0,25 in zin van artikel 30a, lid 2, onder a, Wet WOZ terecht is toegepast.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1382 Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2026:127 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1642 Gerechtshof Amsterdam 18-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.852 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 25/775 en 25/776
18 augustus 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: WOZ Consultants B.V., vertegenwoordigd door A. Oosters)
tegen de uitspraak van 14 februari 2025 in de zaak met kenmerken AMS 24/4052 en AMS 24/4424 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden van de onroerende zaken aan de adressen [straat] 40-1 en [straat] 40-2 te [Z] (hierna ook: de woningen) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op respectievelijk € 540.000 en € 503.000.
1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de [straat] 40-1 gegrond verklaard en verlaagd naar € 522.000. Het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de [straat] 40-2 is ongegrond verklaard.
1.3.
Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de WOZ-waarde van de woning [straat] 40-1 voor het belastingjaar 2023 vast op € 481.000,-;
- stelt de WOZ-waarde van de woning [straat] 40-2 voor het belastingjaar [2023] vast op € 441.000,-;
- bepaalt dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarden wordt verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar van 29 mei 2024;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 905,26;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 3 augustus 2026 heeft belanghebbende een aanvullend stuk (pleitnota) ingediend.
1.6.
Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij brief van 5 augustus 2026 heeft het Hof aan partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.
2Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil de hoogte van de voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht het bedrag dat strekt tot vergoeding van de proceskosten heeft vermenigvuldigd met de factor 0,25 als bedoeld in art. 30a lid 2, letter a, Wet WOZ.
3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:
“Proceskosten en griffierecht
11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep. Gemachtigde van eiser heeft onder verwijzing naar het recent gewezen arrest van de Hoge Raad bepleit dat de in artikel 30a, tweede lid van de Wet WOZ bedoelde correctiefactor van 0,25 niet van toepassing is voor de proceskostenvergoeding in beroep in deze zaak. De Wet Herwaardering proceskostenvergoeding is namelijk in beginsel van toepassing omdat de uitspraak op bezwaar is uitgevaardigd na 1 januari 2024. Gemachtigde legt daartoe een overeenkomst met eiser over waaruit volgens hem volgt dat voor de beroepsprocedure geen sprake van no cure no pay noch van afspraken die zien op afdracht van de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde of het kantoor van de gemachtigde. Ook stelt hij in het algemeen (voor al zijn zaken) dat geen sprake is van de situatie dat de forfaitaire proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Hij heeft daartoe ter zitting inzage gegeven in de (digitale) dossier-administratie van een zaak. Daaruit blijkt volgens hem dat hij veel werk moet verzetten voor elke zaak.
12. De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
13. De rechtbank is van oordeel dat eiser dan wel zijn gemachtigde met hetgeen ter zitting is getoond en aangevoerd niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hier sprake is een bijzonder geval als hierboven genoemd. Het kantoor van gemachtigde is bekend om zijn bedrijfsmodel en procedeert ook veelvuldig bij de gemeente en bij de rechtbank. Ter zitting heeft de gemachtigde ook opgemerkt dat zijn kantoor met deze nieuwe wetgeving nauwelijks nog bestaansmogelijkheid heeft. Hij heeft ook opgemerkt dat hij sindsdien met zijn cliënten nieuwe overeenkomsten opstelt, waarvan de overgelegde overeenkomst een voorbeeld is. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan het hiervoor genoemde eerste criterium. Daaraan doet niet af dat in de overgelegde nieuwe overeenkomst voor deze beroepsprocedure staat dat is overeengekomen dat het beroepschrift en het taxatierapport worden opgesteld voor een bedrag van € 480,- ex BTW. Niet gebleken is dat dit bedrag ook feitelijk in rekening is gebracht bij en is betaald door eiser. Verder blijkt uit de overgelegde overeenkomst dat de (eventuele) proceskostenvergoeding in de beroepsfase voor (het kantoor van) de gemachtigde (WOZ Consultants) is. Dit staat in artikel 3 van de overeenkomst. Daarmee heeft eiser dus niet aangetoond dat het tweede criterium niet aan de orde is. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat (de gemachtigde van) eiser met de inzage in zijn digitale dossier en verdere toelichting ter zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat in deze zaak de forfaitaire proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten niet ver overtreffen.
14. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en artikel 30a, lid I en lid 2 van de Wet WOZ voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 905,26 ( € 323,50 en € 453.50 aan proceskosten in bezwaar respectievelijk beroep (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en een wegingsfactor in verband met de zwaarte van de zaak van 0,5 (WOZ zaak woning, zwaarte is licht) met een waarde per punt van € 647,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-, met correctiefactor 0,25 en een vergoeding van € 128,26 voor het taxatierapport). De zaken worden beschouwd als samenhangend in de zin van artikel 3, eerste lid van het Bpb. Voor beide zaken is, op grond van samenhangende zaken ook slechts éénmaal griffierecht geheven. Omdat uit het dossier niet blijkt dat in bezwaar proceskosten zijn vergoed, worden deze kosten - waarom ook is verzocht - vergoed in beroep.
15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.”
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank op de door haar berekende proceskostenvergoeding ten onrechte de in artikel 30a lid 2, letter a, Wet WOZ genoemde factor 0,25 heeft toegepast, omdat zijn gemachtigde WOZ-Consultants B.V. (vertegenwoordigd door onder anderen A. Oosters, hierna: “WOZ-Consultants”) aan te merken is als “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het Hof overweegt ter zake daarvan als volgt.
4.2.
In voornoemde rechtsoverweging heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de wetgever met de beperking van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ (en de bpm) het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Of het bedrijfsmodel van een gemachtigde aan deze drie cumulatieve voorwaarden voldoet dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend (zie arrest Hoge Raad 26 september 2025, 24/03394 bis, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3).
4.3.
In zijn uitspraak van 20 januari 2026, nr. 24/3390, ECLI:NL:GHAMS:2026:127, heeft het Hof geoordeeld dat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants vanaf 1 januari 2024 niet (meer) zodanig is ingericht dat sprake is van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay. In rechtsoverweging 5.10 en 5.11 van genoemde uitspraak heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat dit oordeel zich uitstrekt tot alle lopende procedures, voor zover het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend in het jaar 2024.
4.4.
Het rechtsmiddel van beroep is door belanghebbende aangewend op 13 maart 2024. Omdat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants op dat moment niet zodanig was ingericht dat sprake was van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay, mist de factor van artikel 30a lid 2, letter a, Wet WOZ toepassing, zodat de grief van belanghebbende slaagt.
4.5.
Gelet op het vorenoverwogene is de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van (2 punten x € 907 x 1 x 0,25 =) € 453,50 plus een vergoeding van € 128,26 voor het taxatierapport te laag. Het Hof stelt de vergoeding voor de beroepsfase vast op 2 punten (beroepschrift + zitting) x € 934 x 1 + € 128,26 = € 1.996,26.
Slotsom
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, maar enkel voor zover de beslissing ziet op de proceskostenvergoeding voor de fase van het beroep..
5Kosten
5.1.
In de uitspraak van het Hof van 18 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1642 is in 4.10 het volgende overwogen:
“Met betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de WOZ-Consultants, als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2025 bij de rechtbank of het Hof aanhangig gemaakte procedure over de WOZ en OZB, wordt het volgende overwogen.
Na de vaststelling in deze zaak dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, zal het Hof met het oog op praktische toepassing en uitvoerbaarheid van dat arrest bij het afdoen van elke volgende procedure waarin de gemachtigde namens een belanghebbende in het jaar 2025 beroep bij de rechtbank of hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld en die belanghebbende voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als zo een bijzonder geval, ervan uitgaan dat de gemachtigde niet werkt op basis van no cure no pay.”
5.2.
Het onderwerpelijke hoger beroep is ingesteld op 24 maart 2025. Belanghebbende heeft recht op een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep naar het tarief volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die vergoeding bedraagt 1 punt voor het hogerberoepschrift x 0,25 (gewicht van de zaak in de fase van het hoger beroep) x € 934 = € 233,50. Gelet op het overwogene onder 4.5 bedraagt de vergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep in totaal (€ 323,50 + € 1.996,26 + € 233,50) = € 2.553,26. De uitspraak van de rechtbank blijft in stand voor zover de door haar uitgesproken proceskostenvergoeding betrekking heeft op de bezwaarfase, zodat het Hof een proceskostenvergoeding zal toekennen voor de fase van het beroep en het hoger beroep van in totaal € 2.229,76.
6Beslissing
Het Hof:
⁻ vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskosten in de fase van het beroep betreft;
⁻ bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
⁻ veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het beroep en het hoger beroep, vastgesteld op € 2.229,76;
⁻ gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 143 te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, H.E. Kostense en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerken 25/775 en 25/776
18 augustus 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: WOZ Consultants B.V., vertegenwoordigd door A. Oosters)
tegen de uitspraak van 14 februari 2025 in de zaak met kenmerken AMS 24/4052 en AMS 24/4424 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden van de onroerende zaken aan de adressen [straat] 40-1 en [straat] 40-2 te [Z] (hierna ook: de woningen) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op respectievelijk € 540.000 en € 503.000.
1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de [straat] 40-1 gegrond verklaard en verlaagd naar € 522.000. Het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de [straat] 40-2 is ongegrond verklaard.
1.3.
Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de WOZ-waarde van de woning [straat] 40-1 voor het belastingjaar 2023 vast op € 481.000,-;
- stelt de WOZ-waarde van de woning [straat] 40-2 voor het belastingjaar [2023] vast op € 441.000,-;
- bepaalt dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarden wordt verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar van 29 mei 2024;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 905,26;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 3 augustus 2026 heeft belanghebbende een aanvullend stuk (pleitnota) ingediend.
1.6.
Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij brief van 5 augustus 2026 heeft het Hof aan partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.
2Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil de hoogte van de voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht het bedrag dat strekt tot vergoeding van de proceskosten heeft vermenigvuldigd met de factor 0,25 als bedoeld in art. 30a lid 2, letter a, Wet WOZ.
3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:
“Proceskosten en griffierecht
11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep. Gemachtigde van eiser heeft onder verwijzing naar het recent gewezen arrest van de Hoge Raad bepleit dat de in artikel 30a, tweede lid van de Wet WOZ bedoelde correctiefactor van 0,25 niet van toepassing is voor de proceskostenvergoeding in beroep in deze zaak. De Wet Herwaardering proceskostenvergoeding is namelijk in beginsel van toepassing omdat de uitspraak op bezwaar is uitgevaardigd na 1 januari 2024. Gemachtigde legt daartoe een overeenkomst met eiser over waaruit volgens hem volgt dat voor de beroepsprocedure geen sprake van no cure no pay noch van afspraken die zien op afdracht van de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde of het kantoor van de gemachtigde. Ook stelt hij in het algemeen (voor al zijn zaken) dat geen sprake is van de situatie dat de forfaitaire proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Hij heeft daartoe ter zitting inzage gegeven in de (digitale) dossier-administratie van een zaak. Daaruit blijkt volgens hem dat hij veel werk moet verzetten voor elke zaak.
12. De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
13. De rechtbank is van oordeel dat eiser dan wel zijn gemachtigde met hetgeen ter zitting is getoond en aangevoerd niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hier sprake is een bijzonder geval als hierboven genoemd. Het kantoor van gemachtigde is bekend om zijn bedrijfsmodel en procedeert ook veelvuldig bij de gemeente en bij de rechtbank. Ter zitting heeft de gemachtigde ook opgemerkt dat zijn kantoor met deze nieuwe wetgeving nauwelijks nog bestaansmogelijkheid heeft. Hij heeft ook opgemerkt dat hij sindsdien met zijn cliënten nieuwe overeenkomsten opstelt, waarvan de overgelegde overeenkomst een voorbeeld is. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan het hiervoor genoemde eerste criterium. Daaraan doet niet af dat in de overgelegde nieuwe overeenkomst voor deze beroepsprocedure staat dat is overeengekomen dat het beroepschrift en het taxatierapport worden opgesteld voor een bedrag van € 480,- ex BTW. Niet gebleken is dat dit bedrag ook feitelijk in rekening is gebracht bij en is betaald door eiser. Verder blijkt uit de overgelegde overeenkomst dat de (eventuele) proceskostenvergoeding in de beroepsfase voor (het kantoor van) de gemachtigde (WOZ Consultants) is. Dit staat in artikel 3 van de overeenkomst. Daarmee heeft eiser dus niet aangetoond dat het tweede criterium niet aan de orde is. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat (de gemachtigde van) eiser met de inzage in zijn digitale dossier en verdere toelichting ter zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat in deze zaak de forfaitaire proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten niet ver overtreffen.
14. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en artikel 30a, lid I en lid 2 van de Wet WOZ voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 905,26 ( € 323,50 en € 453.50 aan proceskosten in bezwaar respectievelijk beroep (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en een wegingsfactor in verband met de zwaarte van de zaak van 0,5 (WOZ zaak woning, zwaarte is licht) met een waarde per punt van € 647,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-, met correctiefactor 0,25 en een vergoeding van € 128,26 voor het taxatierapport). De zaken worden beschouwd als samenhangend in de zin van artikel 3, eerste lid van het Bpb. Voor beide zaken is, op grond van samenhangende zaken ook slechts éénmaal griffierecht geheven. Omdat uit het dossier niet blijkt dat in bezwaar proceskosten zijn vergoed, worden deze kosten - waarom ook is verzocht - vergoed in beroep.
15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.”
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank op de door haar berekende proceskostenvergoeding ten onrechte de in artikel 30a lid 2, letter a, Wet WOZ genoemde factor 0,25 heeft toegepast, omdat zijn gemachtigde WOZ-Consultants B.V. (vertegenwoordigd door onder anderen A. Oosters, hierna: “WOZ-Consultants”) aan te merken is als “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het Hof overweegt ter zake daarvan als volgt.
4.2.
In voornoemde rechtsoverweging heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de wetgever met de beperking van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ (en de bpm) het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Of het bedrijfsmodel van een gemachtigde aan deze drie cumulatieve voorwaarden voldoet dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend (zie arrest Hoge Raad 26 september 2025, 24/03394 bis, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3).
4.3.
In zijn uitspraak van 20 januari 2026, nr. 24/3390, ECLI:NL:GHAMS:2026:127, heeft het Hof geoordeeld dat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants vanaf 1 januari 2024 niet (meer) zodanig is ingericht dat sprake is van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay. In rechtsoverweging 5.10 en 5.11 van genoemde uitspraak heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat dit oordeel zich uitstrekt tot alle lopende procedures, voor zover het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend in het jaar 2024.
4.4.
Het rechtsmiddel van beroep is door belanghebbende aangewend op 13 maart 2024. Omdat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants op dat moment niet zodanig was ingericht dat sprake was van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay, mist de factor van artikel 30a lid 2, letter a, Wet WOZ toepassing, zodat de grief van belanghebbende slaagt.
4.5.
Gelet op het vorenoverwogene is de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van (2 punten x € 907 x 1 x 0,25 =) € 453,50 plus een vergoeding van € 128,26 voor het taxatierapport te laag. Het Hof stelt de vergoeding voor de beroepsfase vast op 2 punten (beroepschrift + zitting) x € 934 x 1 + € 128,26 = € 1.996,26.
Slotsom
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, maar enkel voor zover de beslissing ziet op de proceskostenvergoeding voor de fase van het beroep..
5Kosten
5.1.
In de uitspraak van het Hof van 18 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1642 is in 4.10 het volgende overwogen:
“Met betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de WOZ-Consultants, als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2025 bij de rechtbank of het Hof aanhangig gemaakte procedure over de WOZ en OZB, wordt het volgende overwogen.
Na de vaststelling in deze zaak dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, zal het Hof met het oog op praktische toepassing en uitvoerbaarheid van dat arrest bij het afdoen van elke volgende procedure waarin de gemachtigde namens een belanghebbende in het jaar 2025 beroep bij de rechtbank of hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld en die belanghebbende voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als zo een bijzonder geval, ervan uitgaan dat de gemachtigde niet werkt op basis van no cure no pay.”
5.2.
Het onderwerpelijke hoger beroep is ingesteld op 24 maart 2025. Belanghebbende heeft recht op een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep naar het tarief volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die vergoeding bedraagt 1 punt voor het hogerberoepschrift x 0,25 (gewicht van de zaak in de fase van het hoger beroep) x € 934 = € 233,50. Gelet op het overwogene onder 4.5 bedraagt de vergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep in totaal (€ 323,50 + € 1.996,26 + € 233,50) = € 2.553,26. De uitspraak van de rechtbank blijft in stand voor zover de door haar uitgesproken proceskostenvergoeding betrekking heeft op de bezwaarfase, zodat het Hof een proceskostenvergoeding zal toekennen voor de fase van het beroep en het hoger beroep van in totaal € 2.229,76.
6Beslissing
Het Hof:
⁻ vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskosten in de fase van het beroep betreft;
⁻ bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
⁻ veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het beroep en het hoger beroep, vastgesteld op € 2.229,76;
⁻ gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 143 te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, H.E. Kostense en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: