Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2578
2026-07-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/724
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ 2023 woning. Ontvankelijkheid hoger beroep. Schending artikel 40 Wet WOZ en bijgebouwen.
Citeert (6)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2262 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2837 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
- ECLI:NL:HR:2017:844 Hoge Raad 12-05-2017
- ECLI:NL:HR:2014:878 Hoge Raad 11-04-2014
- ECLI:NL:HR:2026:297 Hoge Raad 27-02-2026
- ECLI:NL:HR:2026:297 Hoge Raad 27-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.607 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/724
28 juli 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Gieben)
tegen de uitspraak van 30 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 24/896 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 10 te [Z] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2023 naar waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 546.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 11 februari 2025 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof en dit nader gemotiveerd bij brief van 16 april 2025.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 25 augustus 2025 verzocht om een recente machtiging van belanghebbende. Daarop is een machtiging van belanghebbende overgelegd met dagtekening 26 augustus 2025.
1.6.
Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij brief van 19 mei 2026 heeft het Hof aan partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning, gebouwd in 2000. De opstal van de woning is ongeveer 107 m² en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 324 m². De woning is voorzien van een dakkapel, een aangebouwde garage van 23 m² en een overkapping.
2.2.
De gemachtigde heeft in het bezwaarschrift de heffingsambtenaar op grond van artikel 40 Wet WOZ verzocht om alle gegevens die de heffingsambtenaar bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van het bezwaar heeft betrokken te verstrekken. Als voorbeelden van die gegevens heeft de gemachtigde achtereenvolgens genoemd:
”de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object en de referentiepanden etc.”
2.3.
In het verslag van het in de bezwaarfase gehouden hoorgesprek (door de gemachtigde van belanghebbende vervaardigd) staat onder andere het volgende vermeld:
“Verzoek tot gegevens ter onderbouwing vastgestelde waarde:
(…)
Graag ontvangen wij inzicht in de manier waarop en de percentages waarmee gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelde KOUDV- en liggingswaardering.
Graag ontvangen wij inzicht in de waardering en de onderbouwing van de waardering van de bijgebouwen. Dit zowel van de referentiepanden als van het onderhavige object.”
2.4.
De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase, naast het taxatieverslag, een grondstaffel (kavelmodel) en een taxatiematrix met de in het taxatieverslag vermelde vergelijkingsobjecten, waaronder [straat] 25, naar de gemachtigde gestuurd.
[straat] 25, eveneens een vrijstaande woning, is nabij de woning gelegen en beschikt over een dakkapel, een vrijstaande garage van 23 m² en een tuinhuis van 6 m².
2.5.
De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg een nieuwe waardematrix overgelegd, waarin is vergeleken met de vergelijkingsobjecten [straat] 25 en [straat] 19.
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of het hoger beroep ontvankelijk is en zo ja, of de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft gehandeld.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft voor zover nog van belang in hoger beroep als volgt overwogen (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“Informatieverstrekking bezwaarfase
5. Eiser stelt dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden, omdat verweerder de grondstaffel, de indexering van de verkoopcijfers en alle objectonderdelen van de gehanteerde vergelijkingsobjecten en de woning met de bijbehorende waarde niet heeft verstrekt. Hierdoor zou eiser niet in de gelegenheid zijn gesteld de onderbouwing en de daaruit voortkomende WOZ-waarde van de woning te controleren Uit de stukken komt naar voren dat verweerder per e-mailbericht van 4 respectievelijk 10 mei 2023 alle gegevens die aan de waardevaststelling ten grondslag liggen aan de gemachtigde heeft verstrekt. Daarop is de ontvangst van de gevraagde stukken bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan zijn wettelijke verplichtingen voldaan en heeft eiser geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Daarom falen alle beroepsgronden van eiser die direct of indirect betrekking hebben op de tijdens de bezwaarfase door verweerder over te leggen stukken.
6. Anders dan eiser stelt, is de grondstaffel in de vorm van een tabel naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk om de waarde van de grond van de woning te kunnen bepalen en te kunnen relateren aan die van de vergelijkingsobjecten.
7. Ten aanzien van de indexeringspercentages volgt de rechtbank de jurisprudentie die onder meer is terug te vinden in de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden, waarin is overwogen dat de indexeringspercentages en de onderbouwingen daarvan niet onder de reikwijdte van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ vallen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2024:2262 en ECLI:NL:GHARL:2024:2837). Dit betekent dat verweerder niet verplicht is om deze gegevens aan eiser te verstrekken. Met de gegevens uit de in de bezwaarfase opgemaakte matrix in combinatie met de door eiser te raadplegen en te achterhalen informatie was eiser voldoende in de gelegenheid om na kunnen gaan of de door verweerder vastgestelde waarde niet te hoog is. Dit betekent dat ook hier geen sprake is van een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.
8. Verder wordt opgemerkt dat het niet nodig is dat verweerder inzicht verschaft in de wijze waarop hij de waarde precies heeft berekend. Artikel 40 van de Wet WOZ gaat over gegevens. Het verstrekken van inzicht in het rekenkundige gevolg dat wordt gegeven aan het toekennen van een bepaalde factor is geen gegeven als bedoeld in voormeld artikel. Ook het interpreteren van deze gegevens valt niet onder deze bepaling.
9. Voorts overweegt de rechtbank dat zelfs indien van een schending van artikel 40 van de Wet WOZ sprake zou zijn, er in dit geval geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht. Eiser heeft niet alleen beroep ingesteld om inzicht in de waardering te krijgen, maar ook de waardering van verweerder verworpen. Het gestelde informatiegebrek was niet doorslaggevend om beroep in te stellen.”
5Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid hoger beroep
5.1.
De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de bij het hogerberoepschrift overgelegde machtiging meer dan twee jaar oud is. Bovendien heeft het hoger beroep uitsluitend nog betrekking op de gevraagde vergoeding van proceskosten die niet aan belanghebbende, maar aan de gemachtigde ten goede komt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844 (r.o. 2.3.2) leidt de heffingsambtenaar af dat het hoger beroep ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.2.
Naar het oordeel van het Hof is het hoger beroep ontvankelijk. Na een verzoek daartoe van het Hof heeft de gemachtigde een ondertekende machtiging met dagtekening 26 augustus 2025 overgelegd (zie 1.5), waaruit blijkt dat degene die zich bij het indienen van het hoger beroep als gemachtigde heeft gesteld (de in de aanhef van deze uitspraak vermelde rechtsbijstandverlener), daartoe op rechtsgeldige wijze door belanghebbende is gemachtigd.
Aangezien het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende in het onderhavige geval in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht en bovendien is voldaan aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het hoger beroep ontvankelijk worden geacht (zie Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2).
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ
5.3.
In hoger beroep voert belanghebbende het volgende aan:
“Naar mijn mening heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een schending van artikel 40 Wet WOZ.
Mijn beroepsgrond inzake artikel 40 zag op het door verweerder niet verstrekken
van de manier waarop verweerder rekening houdt met de verschillen in KOUDV-
kwalificaties. Deze gegevens/correcties zijn niet verstrekt bij de emails van 4 en
10 mei 2023, zoals ook blijkt uit de bijlagen bij het verweer in eerste aanleg. Ook
zijn de destijds gevraagde bijgebouwwaardes in de bezwaarfase niet verstrekt.”
5.4.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient de heffingsambtenaar aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, op verzoek een afschrift te verstrekken van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Deze informatieverplichting van de heffingsambtenaar geldt alleen voor zover de belanghebbende een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. De beperking tot gegevens die zijn opgenomen in stukken brengt mee dat uit artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet een algemene verplichting voortvloeit om op verzoek inzicht te geven in de wijze waarop de waarde van een onroerende zaak in het desbetreffende geval is bepaald. Het gaat in deze bepaling om een verplichting tot het verstrekken van afschriften, niet tot het geven van uitleg. Indien een bij de waardevaststelling gebruikt gegeven is bepaald of gecorrigeerd op basis van kennis en ervaring, kan artikel 40, lid 2, niet worden toegepast op die kennis en ervaring, noch op de bronnen daarvan. Kennis en ervaring van een deskundige vormen geen gegeven waarvan een afschrift kan worden verstrekt (zie Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (hierna: het arrest van 27 februari 2026), r.o. 5.5, 5.6 en 5.16.12). Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van de bij de waardevaststelling voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde KOUDVL-correcties. Belanghebbendes verzoek om ‘inzicht’ in de manier waarop gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelden kan niet worden beschouwd als een verzoek om gegevens die zijn opgenomen in stukken en faalt reeds daarom (r.o. 5.4 tot en met 5.6 van het arrest van 27 februari 2026).
5.5.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die meebrengen dat door hem gevraagde gegevens die aan de vaststelling van de waarde ten grondslag hebben gelegen en daarom onder de werking van artikel 40, lid 2, Wet WOZ vallen, niet zijn verstrekt. De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de onder 2.4 vermelde gegevens, waarvan de ontvangst door de gemachtigde is bevestigd, verstrekt. Voorts heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de wijze van waardevaststelling onvoldoende weersproken gesteld (i) dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer een KOUDVL-factor afwijkt van het gemiddelde, en (ii) dat de gevolgen die deze factoren voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Dat dit anders zou zijn, is uit de overgelegde matrix niet af te leiden. Gelet op wat hiervoor onder 5.4 is overwogen, moet daarom worden aangenomen dat de gevraagde ‘percentages waarmee gecorrigeerd wordt’ geen gegevens zijn als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ (vgl. het arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.16.3, 5.16.12 en 6.2.1).
5.6.
Belanghebbende klaagt in hoger beroep dat de destijds gevraagde bijgebouwwaardes in de bezwaarfase niet zijn verstrekt. Het Hof overweegt dat de mogelijkheid bestaat dat de heffingsambtenaar de waarde van een woning bepaalt door eerst een waarde vast te stellen voor onderdelen daarvan, zoals het onderdeel grond, het onderdeel gebruiksruimte, het onderdeel bijgebouwen en het onderdeel aan- en uitbouwen, en die waardes vervolgens bij elkaar op te tellen. In zo’n geval zijn de voor elk van die onderdelen gehanteerde waardes aan te merken als gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ (zie r.o. 5.16.4 van het arrest van 27 februari 2026). Het Hof stelt vast dat de heffingsambtenaar via het taxatieverslag duidelijk heeft gemaakt welke onderdelen van de woningen en welke bijgebouwen er zijn. Uit de in de bezwaarfase eveneens verstrekte matrix volgt dat de heffingsambtenaar bij het bepalen van de waarde van de woning eerst een waarde heeft vastgesteld voor de woningonderdelen. De waardes van die woningonderdelen, waaronder de waardes van het onderdeel bijgebouwen, staan in die matrix vermeld. Belanghebbendes klacht dat de bijgebouwwaardes van de woning en referentieobjecten niet zijn verstrekt mist dan ook feitelijke grondslag. Inzoverre belanghebbende iets ander bedoelt is daarom met de door hem in 2.2 en 2.3 gedane uitlatingen in de bezwaarfase niet specifiek genoeg verzocht. Zoals in 5.4 is geoordeeld, is bovendien een verzoek om inzicht te verschaffen niet een verzoek om verstrekking van gegevens in de zin van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.
6
6. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M. Ferrier en M.C. Cornelisse, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerk 25/724
28 juli 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Gieben)
tegen de uitspraak van 30 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 24/896 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 10 te [Z] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2023 naar waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 546.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 11 februari 2025 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof en dit nader gemotiveerd bij brief van 16 april 2025.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 25 augustus 2025 verzocht om een recente machtiging van belanghebbende. Daarop is een machtiging van belanghebbende overgelegd met dagtekening 26 augustus 2025.
1.6.
Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij brief van 19 mei 2026 heeft het Hof aan partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning, gebouwd in 2000. De opstal van de woning is ongeveer 107 m² en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 324 m². De woning is voorzien van een dakkapel, een aangebouwde garage van 23 m² en een overkapping.
2.2.
De gemachtigde heeft in het bezwaarschrift de heffingsambtenaar op grond van artikel 40 Wet WOZ verzocht om alle gegevens die de heffingsambtenaar bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van het bezwaar heeft betrokken te verstrekken. Als voorbeelden van die gegevens heeft de gemachtigde achtereenvolgens genoemd:
”de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object en de referentiepanden etc.”
2.3.
In het verslag van het in de bezwaarfase gehouden hoorgesprek (door de gemachtigde van belanghebbende vervaardigd) staat onder andere het volgende vermeld:
“Verzoek tot gegevens ter onderbouwing vastgestelde waarde:
(…)
Graag ontvangen wij inzicht in de manier waarop en de percentages waarmee gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelde KOUDV- en liggingswaardering.
Graag ontvangen wij inzicht in de waardering en de onderbouwing van de waardering van de bijgebouwen. Dit zowel van de referentiepanden als van het onderhavige object.”
2.4.
De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase, naast het taxatieverslag, een grondstaffel (kavelmodel) en een taxatiematrix met de in het taxatieverslag vermelde vergelijkingsobjecten, waaronder [straat] 25, naar de gemachtigde gestuurd.
[straat] 25, eveneens een vrijstaande woning, is nabij de woning gelegen en beschikt over een dakkapel, een vrijstaande garage van 23 m² en een tuinhuis van 6 m².
2.5.
De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg een nieuwe waardematrix overgelegd, waarin is vergeleken met de vergelijkingsobjecten [straat] 25 en [straat] 19.
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of het hoger beroep ontvankelijk is en zo ja, of de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft gehandeld.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft voor zover nog van belang in hoger beroep als volgt overwogen (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“Informatieverstrekking bezwaarfase
5. Eiser stelt dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden, omdat verweerder de grondstaffel, de indexering van de verkoopcijfers en alle objectonderdelen van de gehanteerde vergelijkingsobjecten en de woning met de bijbehorende waarde niet heeft verstrekt. Hierdoor zou eiser niet in de gelegenheid zijn gesteld de onderbouwing en de daaruit voortkomende WOZ-waarde van de woning te controleren Uit de stukken komt naar voren dat verweerder per e-mailbericht van 4 respectievelijk 10 mei 2023 alle gegevens die aan de waardevaststelling ten grondslag liggen aan de gemachtigde heeft verstrekt. Daarop is de ontvangst van de gevraagde stukken bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan zijn wettelijke verplichtingen voldaan en heeft eiser geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Daarom falen alle beroepsgronden van eiser die direct of indirect betrekking hebben op de tijdens de bezwaarfase door verweerder over te leggen stukken.
6. Anders dan eiser stelt, is de grondstaffel in de vorm van een tabel naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk om de waarde van de grond van de woning te kunnen bepalen en te kunnen relateren aan die van de vergelijkingsobjecten.
7. Ten aanzien van de indexeringspercentages volgt de rechtbank de jurisprudentie die onder meer is terug te vinden in de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden, waarin is overwogen dat de indexeringspercentages en de onderbouwingen daarvan niet onder de reikwijdte van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ vallen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2024:2262 en ECLI:NL:GHARL:2024:2837). Dit betekent dat verweerder niet verplicht is om deze gegevens aan eiser te verstrekken. Met de gegevens uit de in de bezwaarfase opgemaakte matrix in combinatie met de door eiser te raadplegen en te achterhalen informatie was eiser voldoende in de gelegenheid om na kunnen gaan of de door verweerder vastgestelde waarde niet te hoog is. Dit betekent dat ook hier geen sprake is van een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.
8. Verder wordt opgemerkt dat het niet nodig is dat verweerder inzicht verschaft in de wijze waarop hij de waarde precies heeft berekend. Artikel 40 van de Wet WOZ gaat over gegevens. Het verstrekken van inzicht in het rekenkundige gevolg dat wordt gegeven aan het toekennen van een bepaalde factor is geen gegeven als bedoeld in voormeld artikel. Ook het interpreteren van deze gegevens valt niet onder deze bepaling.
9. Voorts overweegt de rechtbank dat zelfs indien van een schending van artikel 40 van de Wet WOZ sprake zou zijn, er in dit geval geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht. Eiser heeft niet alleen beroep ingesteld om inzicht in de waardering te krijgen, maar ook de waardering van verweerder verworpen. Het gestelde informatiegebrek was niet doorslaggevend om beroep in te stellen.”
5Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid hoger beroep
5.1.
De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de bij het hogerberoepschrift overgelegde machtiging meer dan twee jaar oud is. Bovendien heeft het hoger beroep uitsluitend nog betrekking op de gevraagde vergoeding van proceskosten die niet aan belanghebbende, maar aan de gemachtigde ten goede komt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844 (r.o. 2.3.2) leidt de heffingsambtenaar af dat het hoger beroep ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.2.
Naar het oordeel van het Hof is het hoger beroep ontvankelijk. Na een verzoek daartoe van het Hof heeft de gemachtigde een ondertekende machtiging met dagtekening 26 augustus 2025 overgelegd (zie 1.5), waaruit blijkt dat degene die zich bij het indienen van het hoger beroep als gemachtigde heeft gesteld (de in de aanhef van deze uitspraak vermelde rechtsbijstandverlener), daartoe op rechtsgeldige wijze door belanghebbende is gemachtigd.
Aangezien het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende in het onderhavige geval in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht en bovendien is voldaan aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het hoger beroep ontvankelijk worden geacht (zie Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2).
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ
5.3.
In hoger beroep voert belanghebbende het volgende aan:
“Naar mijn mening heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een schending van artikel 40 Wet WOZ.
Mijn beroepsgrond inzake artikel 40 zag op het door verweerder niet verstrekken
van de manier waarop verweerder rekening houdt met de verschillen in KOUDV-
kwalificaties. Deze gegevens/correcties zijn niet verstrekt bij de emails van 4 en
10 mei 2023, zoals ook blijkt uit de bijlagen bij het verweer in eerste aanleg. Ook
zijn de destijds gevraagde bijgebouwwaardes in de bezwaarfase niet verstrekt.”
5.4.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient de heffingsambtenaar aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, op verzoek een afschrift te verstrekken van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Deze informatieverplichting van de heffingsambtenaar geldt alleen voor zover de belanghebbende een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. De beperking tot gegevens die zijn opgenomen in stukken brengt mee dat uit artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet een algemene verplichting voortvloeit om op verzoek inzicht te geven in de wijze waarop de waarde van een onroerende zaak in het desbetreffende geval is bepaald. Het gaat in deze bepaling om een verplichting tot het verstrekken van afschriften, niet tot het geven van uitleg. Indien een bij de waardevaststelling gebruikt gegeven is bepaald of gecorrigeerd op basis van kennis en ervaring, kan artikel 40, lid 2, niet worden toegepast op die kennis en ervaring, noch op de bronnen daarvan. Kennis en ervaring van een deskundige vormen geen gegeven waarvan een afschrift kan worden verstrekt (zie Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (hierna: het arrest van 27 februari 2026), r.o. 5.5, 5.6 en 5.16.12). Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van de bij de waardevaststelling voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde KOUDVL-correcties. Belanghebbendes verzoek om ‘inzicht’ in de manier waarop gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelden kan niet worden beschouwd als een verzoek om gegevens die zijn opgenomen in stukken en faalt reeds daarom (r.o. 5.4 tot en met 5.6 van het arrest van 27 februari 2026).
5.5.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die meebrengen dat door hem gevraagde gegevens die aan de vaststelling van de waarde ten grondslag hebben gelegen en daarom onder de werking van artikel 40, lid 2, Wet WOZ vallen, niet zijn verstrekt. De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de onder 2.4 vermelde gegevens, waarvan de ontvangst door de gemachtigde is bevestigd, verstrekt. Voorts heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de wijze van waardevaststelling onvoldoende weersproken gesteld (i) dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer een KOUDVL-factor afwijkt van het gemiddelde, en (ii) dat de gevolgen die deze factoren voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Dat dit anders zou zijn, is uit de overgelegde matrix niet af te leiden. Gelet op wat hiervoor onder 5.4 is overwogen, moet daarom worden aangenomen dat de gevraagde ‘percentages waarmee gecorrigeerd wordt’ geen gegevens zijn als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ (vgl. het arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.16.3, 5.16.12 en 6.2.1).
5.6.
Belanghebbende klaagt in hoger beroep dat de destijds gevraagde bijgebouwwaardes in de bezwaarfase niet zijn verstrekt. Het Hof overweegt dat de mogelijkheid bestaat dat de heffingsambtenaar de waarde van een woning bepaalt door eerst een waarde vast te stellen voor onderdelen daarvan, zoals het onderdeel grond, het onderdeel gebruiksruimte, het onderdeel bijgebouwen en het onderdeel aan- en uitbouwen, en die waardes vervolgens bij elkaar op te tellen. In zo’n geval zijn de voor elk van die onderdelen gehanteerde waardes aan te merken als gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ (zie r.o. 5.16.4 van het arrest van 27 februari 2026). Het Hof stelt vast dat de heffingsambtenaar via het taxatieverslag duidelijk heeft gemaakt welke onderdelen van de woningen en welke bijgebouwen er zijn. Uit de in de bezwaarfase eveneens verstrekte matrix volgt dat de heffingsambtenaar bij het bepalen van de waarde van de woning eerst een waarde heeft vastgesteld voor de woningonderdelen. De waardes van die woningonderdelen, waaronder de waardes van het onderdeel bijgebouwen, staan in die matrix vermeld. Belanghebbendes klacht dat de bijgebouwwaardes van de woning en referentieobjecten niet zijn verstrekt mist dan ook feitelijke grondslag. Inzoverre belanghebbende iets ander bedoelt is daarom met de door hem in 2.2 en 2.3 gedane uitlatingen in de bezwaarfase niet specifiek genoeg verzocht. Zoals in 5.4 is geoordeeld, is bovendien een verzoek om inzicht te verschaffen niet een verzoek om verstrekking van gegevens in de zin van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.
6
6. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M. Ferrier en M.C. Cornelisse, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: