Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2571
2026-07-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
26/234
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ 2021 woning. Verwijzing. Geen recht op kostenvergoeding voor bezwaarfase. Belanghebbende heeft de overeenkomst van opdracht met Eerlijke WOZ niet (voortijdig) opgezegd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2026:235 Hoge Raad 13-02-2026
- ECLI:NL:HR:2008:BD0464 Hoge Raad 25-04-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.900 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 26/234
2 juli 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A. Bakker)
tegen de uitspraak van 26 mei 2023 in de zaak met kenmerk SGR 22/784 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 32 te [Z] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 731.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 28 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
In de bestreden beslissing heeft de rechtbank als volgt op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar beslist (belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder):
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 601.000;
vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen en watersysteemheffing eigenaren tot een berekend naar een waarde van € 601.000;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Bij uitspraak van 9 januari 2024 heeft Hof Den Haag als volgt op het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep beslist:
“Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding;
veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.373,26;
gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 136 aan griffierecht te vergoeden.”
1.5.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland heeft tegen de uitspraak van Hof Den Haag beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:235 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het volgende beslist:
“De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover het betreft de beslissing over de kosten van bezwaar, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.”
1.6.
Partijen zijn door de griffier van dit Hof bij brieven van 23 februari 2026 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, belanghebbende bij brief van 23 maart 2026 en de heffingsambtenaar bij brief van 30 maart 2026.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. De heffingsambtenaar heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een kopie daarvan uitgereikt aan het Hof en aan de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Het verwijzingsarrest
2.1.
In zijn verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: (geen voetnoten overgenomen)
“2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak aan de [straat] 32 in [Z] voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 731.000 (hierna: de WOZ-beschikking). Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing eigenaren voor het kalenderjaar 2021 aan belanghebbende opgelegd.
2.2
De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de WOZ-beschikking en de aanslagen bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-beschikking en de aanslagen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.3
De nieuwe gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in beroep het door de nieuwe gemachtigde ingenomen standpunt dat de waarde van de woning diende te worden bepaald op € 601.000, gevolgd.
2.4
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase.
2.5
In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer betoogd dat de Rechtbank de heffingsambtenaar ook had moeten veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Het Hof heeft alsnog aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase. Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat uit de met de toenmalige gemachtigde gemaakte ‘no-cure-no-pay-afspraak’ volgt dat belanghebbende die gemachtigde een vergoeding moet betalen. Dit oordeel heeft het Hof gebaseerd op algemene voorwaarden vermeld op de website van de toenmalige gemachtigde.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De eerste klacht betoogt dat het Hof kennelijk zelf op de website van de toenmalige gemachtigde heeft gezocht naar de algemene voorwaarden van die gemachtigde en zonder te letten op de ingangsdatum van die voorwaarden. In de algemene voorwaarden die voor de onderhavige procedure van kracht zijn, ontbreekt het bepaalde waarop het Hof zijn oordeel over de inhoud van de ‘no-cure-no-pay-afspraak’ heeft gebaseerd, aldus de klacht.
3.2
Uit de processtukken volgt dat de algemene voorwaarden waarop het Hof zich heeft gebaseerd, niet tot de door partijen aangevoerde feitelijke gegevens behoren. Het Hof heeft kennelijk uit eigen beweging de website van de toenmalige gemachtigde geraadpleegd en daaraan ontleende feitelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag gelegd zonder partijen in de gelegenheid te stellen van die gegevens kennis te nemen en zich daarover desgewenst uit te laten. Hierdoor heeft het Hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo’n gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is.
3.3
Gelet op wat hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt de eerste klacht. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nadere beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de bijstand in bezwaar voor belanghebbende geen kosten zijn verbonden.
3.4
Het bepaalde in artikel 7:411, lid 1, BW, dat gelet op artikel 7:400, lid 2, BW van regelend recht is, zou daarbij aan de orde kunnen komen. Voor dat geval verdient het volgende opmerking. Het staat een opdrachtgever op grond van artikel 7:408, lid 1, BW in beginsel te allen tijde vrij om een overeenkomst van opdracht op te zeggen. Indien een opzegging door de opdrachtgever voortijdig is, moet worden beoordeeld of de opdrachtnemer op grond van artikel 7:411, lid 1, BW aanspraak kan maken op gemist loon vanwege dat voortijdig einde van de overeenkomst. Dit geldt ook bij een ‘no-cure-no-pay-afspraak’. Het enkele feit dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat bij voortijdige opzegging een vergoeding dient te worden betaald voor de werkzaamheden, is onvoldoende om het wettelijke uitgangspunt van artikel 7:411 BW buiten werking te stellen.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.”
3Feiten
3.1.
De machtiging tevens inhoudende de overeenkomst van opdracht van belanghebbende aan [bedrijf] met dagtekening 22 maart 2021, luidt voor zover van belang als volgt:
“ Machtigingsformulier
(…)
Ik machtig de medewerkers van [bedrijf] om mij te vertegenwoordigen, voor mijn belang op te komen en in rechte op te treden in alle aangelegenheden omtrent de WOZ-beschikking 2021 voor mijn woning, waaronder de bezwaar- en beroepsprocedure voor deze beschikking.
Tevens verzoek ik de gemeente Leiden om de wettelijke vergoeding voor het inschakelen van juridische bijstand (proceskostenvergoeding) rechtstreeks op rekening van [bedrijf] over te maken zodat [bedrijf] haar dienst gratis aan mij kan verlenen (cessie).
(…)”
3.2.
De gedingstukken bevatten een weergave van de webpagina van [bedrijf] ten tijde van de bezwaarfase, met – voor zover van belang – de volgende inhoud:
“De voordelen van bezwaar maken via [bedrijf]
(…) We zetten de voordelen van een samenwerking met [bedrijf] graag voor u op een rij:
(…)
Bezwaar maken is altijd écht gratis
Onze dienstverlening is onder alle omstandigheden volledig kosteloos voor u. Wij hanteren namelijk het No Cure No Pay principe. Bij een succesvol WOZ-bezwaar vergoed[t] de gemeente onze kosten. Bij een onsuccesvol WOZ-bezwaar brengen wij niemand kosten in rekening.
(…)
Uw machtiging verloopt automatisch na één jaar
U kunt u[w] opdracht gratis annuleren
(…)”
3.3.
Tot de stukken behoort een machtiging van belanghebbende aan gemachtigde (mr. A. Bakker) gedagtekend 4 januari 2022.
3.4.
Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde op vragen van het Hof het volgende verklaard:
“Voor wat betreft de afspraken tussen WOZ-juristen en [bedrijf] is van belang dat wij geheel onafhankelijk zijn van [bedrijf] . Wij sluiten opnieuw een overeenkomst met een belanghebbende en stellen een nieuwe machtiging op. Er is geen sprake van substitutie. [bedrijf] is dan uit beeld. Er is geen contact meer met [bedrijf] , ook niet over de inhoud. We gaan zelf naar de zaak kijken.
Eerder hadden wij een afspraak met [bedrijf] voor het geval er kosten werden vergoed. Dan ging een bepaald bedrag per gewonnen zaak naar [bedrijf] . Inmiddels gebeurt dat niet meer omdat [bedrijf] aan het ontbinden is. Daar is eerder een eindafspraak over gemaakt. Wat uit deze procedure aan kostenvergoeding komt gaat niet deels naar [bedrijf] .
Ingeval [bedrijf] niet aan het ontbinden was, zou er bij een gegrond hoger beroep een verplichting kunnen bestaan om een deel van de kostenvergoeding aan hen te betalen.
U wijst mij op het gegronde beroep en vraagt mij wat er toen voor afspraak gold.
Als een belanghebbende beroep wilde indienen dan had [bedrijf] een aantal partijen, waaronder WOZ Juristen. Hoe zij het deden vond ik prima.”
4Geschil in hoger beroep na verwijzing
In hoger beroep na verwijzing is in geschil of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
5Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft - voor zover van belang in hoger beroep - als volgt overwogen en beslist: (geen voetnoten overgenomen)
“6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zowel voor de bezwaar- als beroepsfase recht heeft op een kostenvergoeding. Daartoe verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 januari 2023.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser enkel recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarfase een andere partij gemachtigd was om eiser te vertegenwoordigen – [bedrijf] – en dat uit de machtiging van deze gemachtigde blijkt dat indien het bezwaar ongegrond wordt verklaard, geen kosten worden berekend. Nu het bezwaar ongegrond is verklaard, hebben volgens verweerder geen kosten op eiser gedrukt en komen deze derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.
8. Voor zover het de bezwaarfase betreft, merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat er aan eiser kosten in rekening zijn gebracht of in rekening zullen worden gebracht. In de bezwaarfase was immers een andere gemachtigde - [bedrijf] - betrokken. Tot de gedingstukken behoort de machtiging van eiser aan [bedrijf] voor de bezwaarfase, waaruit blijkt dat in het geval van ongegrondverklaring van het bezwaar, geen kosten in rekening worden gebracht. Het bezwaar is ongegrond verklaard en er zijn dus geen kosten in rekening gebracht. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat er op eiser kosten drukken dan wel zullen drukken voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom alleen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep.
9. De kosten voor de beroepsfase stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). Ter zitting is immers gebleken dat het geschil zich slechts beperkt tot de hoogte van de (in een eerdere fase) toegekende vergoeding voor de proceskosten.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.”
6Beoordeling van het geschil
Vooraf
6.1.
Het Hof stelt voorop dat op grond van rechtsoverweging 3.3 van het verwijzingsarrest nader dient te worden beoordeeld of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de bijstand in bezwaar voor belanghebbende geen kosten zijn verbonden. Daarbij kan zo overweegt de Hoge Raad, het bepaalde in artikel 7:411, lid 1, BW, aan de orde komen. Voor het geval een overeenkomst van opdracht voortijdig wordt opgezegd, moet worden beoordeeld of de opdrachtnemer op grond van artikel 7:411, lid 1, BW aanspraak kan maken op gemist loon vanwege dat voortijdig einde van de overeenkomst. Dit geldt ook bij een ‘no-cure-no-pay-afspraak’.
Standpunten partijen
6.2.
Volgens belanghebbende onderstreept hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen ten aanzien van artikel 7:411, lid 1, BW, dat het enkele bestaan van no-cure-no-pay geenszins uitsluit dat kosten voor bezwaar zijn gemaakt of verschuldigd kunnen zijn. Volgens belanghebbende is dan ook een inhoudelijke en feitelijke beoordeling van de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer en de beëindiging daarvan, vereist.
6.3.1.
De heffingsambtenaar wijst er op dat belanghebbende de machtiging aan [bedrijf] niet heeft ingetrokken, maar dat [bedrijf] heeft besloten geen beroep in te stellen. Artikel 7:408 en 7:411 BW zijn daarom niet van toepassing. Volgens de algemene voorwaarden die golden ten tijde van het afgeven van de machtiging zou [bedrijf] daarom geen kosten in rekening brengen aan belanghebbende. Volgens de heffingsambtenaar heeft belanghebbende de huidige gemachtigde ingeschakeld voor het instellen van beroep.
Voorts heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de huidige gemachtigde in de bezwaarfase geen werkzaamheden voor belanghebbende heeft verricht en deze daarom geen kosten bij belanghebbende in rekening mag brengen voor de bezwaarfase.
6.3.2.
De heffingsambtenaar wijst onder meer op de bij zijn verweerschrift in eerste aanleg gevoegde weergave van de internetpagina van [bedrijf] (zie onder 3.2), waaruit volgens hem kan worden opgemaakt dat als het de gemachtigde niet lukt om de waarde te verlagen, er ook geen kosten in rekening worden gebracht.
Oordeel Hof
6.4.1.
Niet in geschil is dat in het bezwaarschrift is verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Awb. Voorts is niet in geschil dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Als sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kan in beginsel worden aangenomen dat aan de verleende rechtsbijstand voor belanghebbende kosten zijn verbonden en de kosten daarom voor vergoeding in aanmerking komen (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0464, BNB 2008/173). Daaraan doet niet af dat de rechtsbijstand wordt verleend op basis van ‘no cure no pay’ (vgl. HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011: BT6841, BNB 2011/281).
6.4.2.
Het Hof overweegt dat uit de tekst van de machtiging onder 3.1 volgt dat belanghebbende met [bedrijf] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten om hem te vertegenwoordigen in bezwaar en beroep betreffende een geschil over de WOZ-waarde van zijn woning voor het jaar 2021.
6.4.3.
Uit hetgeen is vermeld op de internetpagina van [bedrijf] ten tijde van de bezwaarfase (zie onder 3.2) kan worden opgemaakt dat bij een onsuccesvol WOZ-bezwaar er geen kosten in rekening worden gebracht door [bedrijf] aan belanghebbende.
6.4.4.
Ofschoon uit (onder meer) de onder 6.4.1 vermelde arresten volgt dat een gegrond (hoger) beroep mede heeft te leiden tot vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, is dit anders indien de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten geen sprake is. Met hetgeen is overwogen in 5.3.2 en 5.3.3 en gelet op hetgeen de huidige gemachtigde op vragen van het Hof heeft verklaard als opgenomen onder 3.4, acht het Hof het aannemelijk dat [bedrijf] aan belanghebbende geen kosten voor het bezwaar in rekening heeft gebracht en die kosten ook niet in rekening heeft kunnen brengen, nu dat bezwaar is afgewezen. Ook de huidige gemachtigde kan op grond van de hem door belanghebbende verstrekte machtiging geen kosten voor bezwaar aan belanghebbende in rekening brengen, aangezien deze gemachtigde door belanghebbende is ingeschakeld voor het instellen van beroep en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat deze gemachtigde in of met betrekking tot de bezwaarfase werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende heeft verricht.
6.4.5.
Voor zover nog aan de orde is of belanghebbende op grond van artikel 7:411 BW gehouden zou zijn een vergoeding aan [bedrijf] te betalen vanwege ‘gemist loon’ voor in verband met het bezwaar verrichte diensten, oordeelt het Hof als volgt.
Artikel 7.411 BW luidt als volgt:
1. Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.
2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft de opdrachtnemer slechts recht op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Op het bedrag van het loon worden de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht.
6.4.6.
Het Hof overweegt dat op grond van het bepaalde in artikel 7:411, lid 1 BW belanghebbende niet gehouden is een vergoeding voor het bezwaar aan [bedrijf] te voldoen. Het door [bedrijf] gemaakte bezwaar heeft immers niet geleid tot een voor belanghebbende gunstige uitkomst. Weliswaar strekt de machtiging aan [bedrijf] zich ook uit tot de beroepsfase, maar [bedrijf] heeft namens belanghebbende geen beroep ingesteld terwijl voorts uit de verklaring van de huidige gemachtigde onder 3.4. kan worden opgemaakt dat [bedrijf] geen betrokkenheid heeft gehad bij de beroepsprocedure.
De vraag is dan nog of belanghebbende op grond van het tweede lid van art. 7.411 BW gehouden zou zijn een vergoeding aan [bedrijf] te betalen. Het Hof acht daarvan geen sprake en neemt daarbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar onweersproken heeft verklaard dat belanghebbende de machtiging verleend aan [bedrijf] niet heeft opgezegd, en [bedrijf] heeft besloten geen beroep in te stellen. Dit wordt onderschreven door de verklaring van de huidige gemachtigde onder 3.4 en hetgeen [bedrijf] heeft vermeld in het bezwaarschrift van 22 maart 2021, te weten
“Mocht ter zake van dit bezwaardossier onverhoopt een beroepsprocedure noodzakelijk zijn, werkt [bedrijf] daarin samen met externe gespecialiseerde juristen”
Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende de overeenkomst van opdracht met [bedrijf] niet – voortijdig – heeft opgezegd en dat deswege voor hem aan de bijstand in bezwaar geen kosten zijn verbonden.
Slotsom
6.4.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep inhoudende dat aan belanghebbende een vergoeding voor de kosten van het bezwaar toekomst, geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre dient te worden bevestigd.
7Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
8Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op het niet toekennen van een vergoeding voor de kosten van het bezwaar.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, C.J. Hummel en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 2 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerk 26/234
2 juli 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A. Bakker)
tegen de uitspraak van 26 mei 2023 in de zaak met kenmerk SGR 22/784 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 32 te [Z] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 731.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 28 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
In de bestreden beslissing heeft de rechtbank als volgt op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar beslist (belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder):
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 601.000;
vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen en watersysteemheffing eigenaren tot een berekend naar een waarde van € 601.000;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Bij uitspraak van 9 januari 2024 heeft Hof Den Haag als volgt op het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep beslist:
“Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding;
veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.373,26;
gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 136 aan griffierecht te vergoeden.”
1.5.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland heeft tegen de uitspraak van Hof Den Haag beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:235 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het volgende beslist:
“De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover het betreft de beslissing over de kosten van bezwaar, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.”
1.6.
Partijen zijn door de griffier van dit Hof bij brieven van 23 februari 2026 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, belanghebbende bij brief van 23 maart 2026 en de heffingsambtenaar bij brief van 30 maart 2026.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. De heffingsambtenaar heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een kopie daarvan uitgereikt aan het Hof en aan de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Het verwijzingsarrest
2.1.
In zijn verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: (geen voetnoten overgenomen)
“2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak aan de [straat] 32 in [Z] voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 731.000 (hierna: de WOZ-beschikking). Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing eigenaren voor het kalenderjaar 2021 aan belanghebbende opgelegd.
2.2
De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de WOZ-beschikking en de aanslagen bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-beschikking en de aanslagen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.3
De nieuwe gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in beroep het door de nieuwe gemachtigde ingenomen standpunt dat de waarde van de woning diende te worden bepaald op € 601.000, gevolgd.
2.4
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase.
2.5
In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer betoogd dat de Rechtbank de heffingsambtenaar ook had moeten veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Het Hof heeft alsnog aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase. Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat uit de met de toenmalige gemachtigde gemaakte ‘no-cure-no-pay-afspraak’ volgt dat belanghebbende die gemachtigde een vergoeding moet betalen. Dit oordeel heeft het Hof gebaseerd op algemene voorwaarden vermeld op de website van de toenmalige gemachtigde.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De eerste klacht betoogt dat het Hof kennelijk zelf op de website van de toenmalige gemachtigde heeft gezocht naar de algemene voorwaarden van die gemachtigde en zonder te letten op de ingangsdatum van die voorwaarden. In de algemene voorwaarden die voor de onderhavige procedure van kracht zijn, ontbreekt het bepaalde waarop het Hof zijn oordeel over de inhoud van de ‘no-cure-no-pay-afspraak’ heeft gebaseerd, aldus de klacht.
3.2
Uit de processtukken volgt dat de algemene voorwaarden waarop het Hof zich heeft gebaseerd, niet tot de door partijen aangevoerde feitelijke gegevens behoren. Het Hof heeft kennelijk uit eigen beweging de website van de toenmalige gemachtigde geraadpleegd en daaraan ontleende feitelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag gelegd zonder partijen in de gelegenheid te stellen van die gegevens kennis te nemen en zich daarover desgewenst uit te laten. Hierdoor heeft het Hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo’n gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is.
3.3
Gelet op wat hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt de eerste klacht. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nadere beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de bijstand in bezwaar voor belanghebbende geen kosten zijn verbonden.
3.4
Het bepaalde in artikel 7:411, lid 1, BW, dat gelet op artikel 7:400, lid 2, BW van regelend recht is, zou daarbij aan de orde kunnen komen. Voor dat geval verdient het volgende opmerking. Het staat een opdrachtgever op grond van artikel 7:408, lid 1, BW in beginsel te allen tijde vrij om een overeenkomst van opdracht op te zeggen. Indien een opzegging door de opdrachtgever voortijdig is, moet worden beoordeeld of de opdrachtnemer op grond van artikel 7:411, lid 1, BW aanspraak kan maken op gemist loon vanwege dat voortijdig einde van de overeenkomst. Dit geldt ook bij een ‘no-cure-no-pay-afspraak’. Het enkele feit dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat bij voortijdige opzegging een vergoeding dient te worden betaald voor de werkzaamheden, is onvoldoende om het wettelijke uitgangspunt van artikel 7:411 BW buiten werking te stellen.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.”
3Feiten
3.1.
De machtiging tevens inhoudende de overeenkomst van opdracht van belanghebbende aan [bedrijf] met dagtekening 22 maart 2021, luidt voor zover van belang als volgt:
“ Machtigingsformulier
(…)
Ik machtig de medewerkers van [bedrijf] om mij te vertegenwoordigen, voor mijn belang op te komen en in rechte op te treden in alle aangelegenheden omtrent de WOZ-beschikking 2021 voor mijn woning, waaronder de bezwaar- en beroepsprocedure voor deze beschikking.
Tevens verzoek ik de gemeente Leiden om de wettelijke vergoeding voor het inschakelen van juridische bijstand (proceskostenvergoeding) rechtstreeks op rekening van [bedrijf] over te maken zodat [bedrijf] haar dienst gratis aan mij kan verlenen (cessie).
(…)”
3.2.
De gedingstukken bevatten een weergave van de webpagina van [bedrijf] ten tijde van de bezwaarfase, met – voor zover van belang – de volgende inhoud:
“De voordelen van bezwaar maken via [bedrijf]
(…) We zetten de voordelen van een samenwerking met [bedrijf] graag voor u op een rij:
(…)
Bezwaar maken is altijd écht gratis
Onze dienstverlening is onder alle omstandigheden volledig kosteloos voor u. Wij hanteren namelijk het No Cure No Pay principe. Bij een succesvol WOZ-bezwaar vergoed[t] de gemeente onze kosten. Bij een onsuccesvol WOZ-bezwaar brengen wij niemand kosten in rekening.
(…)
Uw machtiging verloopt automatisch na één jaar
U kunt u[w] opdracht gratis annuleren
(…)”
3.3.
Tot de stukken behoort een machtiging van belanghebbende aan gemachtigde (mr. A. Bakker) gedagtekend 4 januari 2022.
3.4.
Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde op vragen van het Hof het volgende verklaard:
“Voor wat betreft de afspraken tussen WOZ-juristen en [bedrijf] is van belang dat wij geheel onafhankelijk zijn van [bedrijf] . Wij sluiten opnieuw een overeenkomst met een belanghebbende en stellen een nieuwe machtiging op. Er is geen sprake van substitutie. [bedrijf] is dan uit beeld. Er is geen contact meer met [bedrijf] , ook niet over de inhoud. We gaan zelf naar de zaak kijken.
Eerder hadden wij een afspraak met [bedrijf] voor het geval er kosten werden vergoed. Dan ging een bepaald bedrag per gewonnen zaak naar [bedrijf] . Inmiddels gebeurt dat niet meer omdat [bedrijf] aan het ontbinden is. Daar is eerder een eindafspraak over gemaakt. Wat uit deze procedure aan kostenvergoeding komt gaat niet deels naar [bedrijf] .
Ingeval [bedrijf] niet aan het ontbinden was, zou er bij een gegrond hoger beroep een verplichting kunnen bestaan om een deel van de kostenvergoeding aan hen te betalen.
U wijst mij op het gegronde beroep en vraagt mij wat er toen voor afspraak gold.
Als een belanghebbende beroep wilde indienen dan had [bedrijf] een aantal partijen, waaronder WOZ Juristen. Hoe zij het deden vond ik prima.”
4Geschil in hoger beroep na verwijzing
In hoger beroep na verwijzing is in geschil of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
5Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft - voor zover van belang in hoger beroep - als volgt overwogen en beslist: (geen voetnoten overgenomen)
“6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zowel voor de bezwaar- als beroepsfase recht heeft op een kostenvergoeding. Daartoe verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 januari 2023.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser enkel recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarfase een andere partij gemachtigd was om eiser te vertegenwoordigen – [bedrijf] – en dat uit de machtiging van deze gemachtigde blijkt dat indien het bezwaar ongegrond wordt verklaard, geen kosten worden berekend. Nu het bezwaar ongegrond is verklaard, hebben volgens verweerder geen kosten op eiser gedrukt en komen deze derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.
8. Voor zover het de bezwaarfase betreft, merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat er aan eiser kosten in rekening zijn gebracht of in rekening zullen worden gebracht. In de bezwaarfase was immers een andere gemachtigde - [bedrijf] - betrokken. Tot de gedingstukken behoort de machtiging van eiser aan [bedrijf] voor de bezwaarfase, waaruit blijkt dat in het geval van ongegrondverklaring van het bezwaar, geen kosten in rekening worden gebracht. Het bezwaar is ongegrond verklaard en er zijn dus geen kosten in rekening gebracht. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat er op eiser kosten drukken dan wel zullen drukken voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom alleen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep.
9. De kosten voor de beroepsfase stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). Ter zitting is immers gebleken dat het geschil zich slechts beperkt tot de hoogte van de (in een eerdere fase) toegekende vergoeding voor de proceskosten.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.”
6Beoordeling van het geschil
Vooraf
6.1.
Het Hof stelt voorop dat op grond van rechtsoverweging 3.3 van het verwijzingsarrest nader dient te worden beoordeeld of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de bijstand in bezwaar voor belanghebbende geen kosten zijn verbonden. Daarbij kan zo overweegt de Hoge Raad, het bepaalde in artikel 7:411, lid 1, BW, aan de orde komen. Voor het geval een overeenkomst van opdracht voortijdig wordt opgezegd, moet worden beoordeeld of de opdrachtnemer op grond van artikel 7:411, lid 1, BW aanspraak kan maken op gemist loon vanwege dat voortijdig einde van de overeenkomst. Dit geldt ook bij een ‘no-cure-no-pay-afspraak’.
Standpunten partijen
6.2.
Volgens belanghebbende onderstreept hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen ten aanzien van artikel 7:411, lid 1, BW, dat het enkele bestaan van no-cure-no-pay geenszins uitsluit dat kosten voor bezwaar zijn gemaakt of verschuldigd kunnen zijn. Volgens belanghebbende is dan ook een inhoudelijke en feitelijke beoordeling van de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer en de beëindiging daarvan, vereist.
6.3.1.
De heffingsambtenaar wijst er op dat belanghebbende de machtiging aan [bedrijf] niet heeft ingetrokken, maar dat [bedrijf] heeft besloten geen beroep in te stellen. Artikel 7:408 en 7:411 BW zijn daarom niet van toepassing. Volgens de algemene voorwaarden die golden ten tijde van het afgeven van de machtiging zou [bedrijf] daarom geen kosten in rekening brengen aan belanghebbende. Volgens de heffingsambtenaar heeft belanghebbende de huidige gemachtigde ingeschakeld voor het instellen van beroep.
Voorts heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de huidige gemachtigde in de bezwaarfase geen werkzaamheden voor belanghebbende heeft verricht en deze daarom geen kosten bij belanghebbende in rekening mag brengen voor de bezwaarfase.
6.3.2.
De heffingsambtenaar wijst onder meer op de bij zijn verweerschrift in eerste aanleg gevoegde weergave van de internetpagina van [bedrijf] (zie onder 3.2), waaruit volgens hem kan worden opgemaakt dat als het de gemachtigde niet lukt om de waarde te verlagen, er ook geen kosten in rekening worden gebracht.
Oordeel Hof
6.4.1.
Niet in geschil is dat in het bezwaarschrift is verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Awb. Voorts is niet in geschil dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Als sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kan in beginsel worden aangenomen dat aan de verleende rechtsbijstand voor belanghebbende kosten zijn verbonden en de kosten daarom voor vergoeding in aanmerking komen (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0464, BNB 2008/173). Daaraan doet niet af dat de rechtsbijstand wordt verleend op basis van ‘no cure no pay’ (vgl. HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011: BT6841, BNB 2011/281).
6.4.2.
Het Hof overweegt dat uit de tekst van de machtiging onder 3.1 volgt dat belanghebbende met [bedrijf] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten om hem te vertegenwoordigen in bezwaar en beroep betreffende een geschil over de WOZ-waarde van zijn woning voor het jaar 2021.
6.4.3.
Uit hetgeen is vermeld op de internetpagina van [bedrijf] ten tijde van de bezwaarfase (zie onder 3.2) kan worden opgemaakt dat bij een onsuccesvol WOZ-bezwaar er geen kosten in rekening worden gebracht door [bedrijf] aan belanghebbende.
6.4.4.
Ofschoon uit (onder meer) de onder 6.4.1 vermelde arresten volgt dat een gegrond (hoger) beroep mede heeft te leiden tot vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, is dit anders indien de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten geen sprake is. Met hetgeen is overwogen in 5.3.2 en 5.3.3 en gelet op hetgeen de huidige gemachtigde op vragen van het Hof heeft verklaard als opgenomen onder 3.4, acht het Hof het aannemelijk dat [bedrijf] aan belanghebbende geen kosten voor het bezwaar in rekening heeft gebracht en die kosten ook niet in rekening heeft kunnen brengen, nu dat bezwaar is afgewezen. Ook de huidige gemachtigde kan op grond van de hem door belanghebbende verstrekte machtiging geen kosten voor bezwaar aan belanghebbende in rekening brengen, aangezien deze gemachtigde door belanghebbende is ingeschakeld voor het instellen van beroep en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat deze gemachtigde in of met betrekking tot de bezwaarfase werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende heeft verricht.
6.4.5.
Voor zover nog aan de orde is of belanghebbende op grond van artikel 7:411 BW gehouden zou zijn een vergoeding aan [bedrijf] te betalen vanwege ‘gemist loon’ voor in verband met het bezwaar verrichte diensten, oordeelt het Hof als volgt.
Artikel 7.411 BW luidt als volgt:
1. Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.
2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft de opdrachtnemer slechts recht op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Op het bedrag van het loon worden de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht.
6.4.6.
Het Hof overweegt dat op grond van het bepaalde in artikel 7:411, lid 1 BW belanghebbende niet gehouden is een vergoeding voor het bezwaar aan [bedrijf] te voldoen. Het door [bedrijf] gemaakte bezwaar heeft immers niet geleid tot een voor belanghebbende gunstige uitkomst. Weliswaar strekt de machtiging aan [bedrijf] zich ook uit tot de beroepsfase, maar [bedrijf] heeft namens belanghebbende geen beroep ingesteld terwijl voorts uit de verklaring van de huidige gemachtigde onder 3.4. kan worden opgemaakt dat [bedrijf] geen betrokkenheid heeft gehad bij de beroepsprocedure.
De vraag is dan nog of belanghebbende op grond van het tweede lid van art. 7.411 BW gehouden zou zijn een vergoeding aan [bedrijf] te betalen. Het Hof acht daarvan geen sprake en neemt daarbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar onweersproken heeft verklaard dat belanghebbende de machtiging verleend aan [bedrijf] niet heeft opgezegd, en [bedrijf] heeft besloten geen beroep in te stellen. Dit wordt onderschreven door de verklaring van de huidige gemachtigde onder 3.4 en hetgeen [bedrijf] heeft vermeld in het bezwaarschrift van 22 maart 2021, te weten
“Mocht ter zake van dit bezwaardossier onverhoopt een beroepsprocedure noodzakelijk zijn, werkt [bedrijf] daarin samen met externe gespecialiseerde juristen”
Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende de overeenkomst van opdracht met [bedrijf] niet – voortijdig – heeft opgezegd en dat deswege voor hem aan de bijstand in bezwaar geen kosten zijn verbonden.
Slotsom
6.4.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep inhoudende dat aan belanghebbende een vergoeding voor de kosten van het bezwaar toekomst, geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre dient te worden bevestigd.
7Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
8Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op het niet toekennen van een vergoeding voor de kosten van het bezwaar.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, C.J. Hummel en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 2 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: