Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2561
2026-09-08
Strafrecht
23-000240-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Vrijspraak van diefstal in vereniging van elektriciteit.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:1285 Hoge Raad 21-09-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.838 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000240-26
datum uitspraak: 8 september 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-142962-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] aan de [geboorteland]) op [geboortedag] 2001,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 augustus 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
feit 1.hij op of omstreeks 9 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 705 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2.hij op of omstreeks 9 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, electriciteit, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan Liander N.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen electriciteit tonder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak feit 2
Onder 2 is aan de verdachte diefstal in vereniging van elektriciteit ten laste gelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt de betrokkenheid van een verdachte bij de teelt van hennep op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan het (in vereniging) opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal in vereniging van elektriciteit. Het hof acht daarom, anders dan de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 aan hem tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen voor het onder feit 1 tenlastegelegde. .
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. . De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van hennepteelt te komen. Voor medeplegen moet sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een intellectuele bijdrage van de verdachte aan het delict die van voldoende gewicht is. Daarvan is niet gebleken. De raadsman geeft in dat verband aan dat hij van zijn cliënt heeft gehoord dat hij op de dag dat hij werd aangetroffen in de kwekerij, daar voor de 2e dag was om hennep te knippen. Hij had, aldus de raadsman, dus slechts summiere betrokkenheid.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende:
De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en geen verklaring gegeven over de redenen van zijn aanwezigheid in het pand. Hetgeen de raadsman daarover naar voren heeft gebracht, kan niet als verklaring van verdachte worden aangemerkt. Los daarvan merkt het hof het volgende op.
De politie heeft de verdachte, samen met een andere persoon, aangetroffen bij het pand waar een hennepkwekerij bleek te zijn. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij meerdere keren, op verschillende dagen, dezelfde personen in het pand heeft gezien en dat diezelfde personen door de politie zijn aangehouden. Het door de raadsman naar voren gebrachte verweer dat de verdachte pas voor de tweede dag in de hennepkwekerij was om hennep te knippen, acht het hof, gelet op het voorgaande niet aannemelijk.
Anders dan de verdediging heeft gesteld, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij het telen van hennep. Het hof acht het tenlastegelegde medeplegen van het telen van hennep, alsmede het aanwezig hebben, dan ook wettig en overtuigend bewezen. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 juni 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld en aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 705 hennepplanten.
Hetgeen onder feit 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder feit 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft meegewerkt aan het onderhouden en verzorgen van een hennepplantage, bestaande uit een grote hoeveelheid voor de handel bestemde hennepplanten. Het gebruik van hennepproducten brengt risico’s mee voor de gezondheid van gebruikers. De handel daarin gaat daarnaast regelmatig gepaard met andere en zwaardere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft met het telen van de hennepplanten aan deze negatieve gevolgen voor de samenleving bijgedragen.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in aanmerking genomen dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, kan niet volstaan worden met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.898,78 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.
Verklaard de benadeelde partij Liander N.V. niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg, mr. N.E. Kwak en mr. F.C.W. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
8 september 2026.
De jongste rechter is buiten staat om dit arrest te tekenen.
Zie onder meer HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1285.
parketnummer: 23-000240-26
datum uitspraak: 8 september 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-142962-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] aan de [geboorteland]) op [geboortedag] 2001,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 augustus 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
feit 1.hij op of omstreeks 9 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 705 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2.hij op of omstreeks 9 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, electriciteit, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan Liander N.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen electriciteit tonder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak feit 2
Onder 2 is aan de verdachte diefstal in vereniging van elektriciteit ten laste gelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt de betrokkenheid van een verdachte bij de teelt van hennep op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan het (in vereniging) opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal in vereniging van elektriciteit. Het hof acht daarom, anders dan de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 aan hem tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen voor het onder feit 1 tenlastegelegde. .
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. . De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van hennepteelt te komen. Voor medeplegen moet sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een intellectuele bijdrage van de verdachte aan het delict die van voldoende gewicht is. Daarvan is niet gebleken. De raadsman geeft in dat verband aan dat hij van zijn cliënt heeft gehoord dat hij op de dag dat hij werd aangetroffen in de kwekerij, daar voor de 2e dag was om hennep te knippen. Hij had, aldus de raadsman, dus slechts summiere betrokkenheid.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende:
De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en geen verklaring gegeven over de redenen van zijn aanwezigheid in het pand. Hetgeen de raadsman daarover naar voren heeft gebracht, kan niet als verklaring van verdachte worden aangemerkt. Los daarvan merkt het hof het volgende op.
De politie heeft de verdachte, samen met een andere persoon, aangetroffen bij het pand waar een hennepkwekerij bleek te zijn. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij meerdere keren, op verschillende dagen, dezelfde personen in het pand heeft gezien en dat diezelfde personen door de politie zijn aangehouden. Het door de raadsman naar voren gebrachte verweer dat de verdachte pas voor de tweede dag in de hennepkwekerij was om hennep te knippen, acht het hof, gelet op het voorgaande niet aannemelijk.
Anders dan de verdediging heeft gesteld, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij het telen van hennep. Het hof acht het tenlastegelegde medeplegen van het telen van hennep, alsmede het aanwezig hebben, dan ook wettig en overtuigend bewezen. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 juni 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld en aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 705 hennepplanten.
Hetgeen onder feit 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder feit 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft meegewerkt aan het onderhouden en verzorgen van een hennepplantage, bestaande uit een grote hoeveelheid voor de handel bestemde hennepplanten. Het gebruik van hennepproducten brengt risico’s mee voor de gezondheid van gebruikers. De handel daarin gaat daarnaast regelmatig gepaard met andere en zwaardere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft met het telen van de hennepplanten aan deze negatieve gevolgen voor de samenleving bijgedragen.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in aanmerking genomen dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, kan niet volstaan worden met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.898,78 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.
Verklaard de benadeelde partij Liander N.V. niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg, mr. N.E. Kwak en mr. F.C.W. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
8 september 2026.
De jongste rechter is buiten staat om dit arrest te tekenen.
Zie onder meer HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1285.