Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2492

2026-09-01 Civiel recht 200.314.267/01 en 200.320.485/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.314.267/01 en 200.320.485/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht voor teelt/verzorging van pioenrozen, eindarrest na tussenarrest (ECLI:NL:GHAMS:2025:2287).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.470 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM


afdeling civiel recht en belastingrecht, team I



zaaknummers : 200.314.267/01 en 200.320.485/01




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026





in zaak 200.314.267/01 (eerste aanleg: C/15/315481 / HA ZA 21-222) van





[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] , gemeente [plaats 1] ,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.P. Groen te Hoorn,



tegen





1de vennootschap onder firma [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

gevestigd/wonende te [plaats 2] , gemeente [plaats 1] ,
geïntimeerden,
tevens incidenteel appellanten,
hierna: [geïntimeerde 1] , Dekker, Beuving, en gezamenlijk: [geïntimeerde 1] c.s.,
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker te Amsterdam,




en in zaak 200.320.485/01 (eerste aanleg: C/15/324054 / HA ZA 22-27) van




de vennootschap onder firma [geïntimeerde 1],
gevestigd te [plaats 2] , gemeente [plaats 1] ,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde 1] ,
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker te Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde 4] , h.o.d.n. [geïntimeerde 4],
gevestigd te [plaats 3] , gemeente [plaats 1] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
hierna: [geïntimeerde 4] of [geïntimeerde 4] ,
advocaat: mr. J.P. Groen te Hoorn.




Het hof verwijst naar het tussenarrest van 2 september 2025, gewezen in beide zaken. De nummering van het tussenarrest wordt hierna voortgezet.






7Het verdere verloop van de procedure


7.1.
In zaak 200.320.485 hebben partijen na het tussenarrest de volgende stukken ingediend:


akte [geïntimeerde 1] , met producties,


antwoordakte [geïntimeerde 4] , met productie,


antwoordakte [geïntimeerde 1] , met producties,


akte uitlating producties [geïntimeerde 4] .





7.2.
Daarna is een datum voor arrest bepaald.



7.3.
In zaak 200.314.267 is na het tussenarrest en de aktewisseling in zaak 200.320.485 een datum voor arrest bepaald.






8Verdere beoordeling in zaak 200.320.485 ( [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 4] )


8.1.

[geïntimeerde 4] heeft aan zijn vordering tot betaling van € 109.001 ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming door [geïntimeerde 1] in de nakoming van haar verplichting uit artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst om de bloemenopbrengst van 2 hectares aan [geïntimeerde 4] af te dragen. In dit verband heeft de rechtbank in het bestreden vonnis van 19 oktober 2022 geoordeeld dat partijen een nadere afspraak hebben gemaakt over de in artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst bedoelde bloemen van 2 hectares pioengewas, en dat deze nadere afspraak inhield dat de betreffende bloemen door [geïntimeerde 1] zouden worden aangeleverd en op naam van [geïntimeerde 4] ( [geïntimeerde 4] ) op de veiling zouden worden verkocht, waarna de opbrengst aan [geïntimeerde 4] zou worden afgedragen (4.14). Dit is in hoger beroep niet bestreden.



8.2.
In het licht hiervan heeft het hof in het tussenarrest [geïntimeerde 1] bevolen, op de voet van artikel 22 lid 1 Rv, om per jaar (2018, 2019 en 2020) toe te lichten welke opbrengst zij heeft behaald met de verkoop van bloemen van de percelen waarop de teeltovereenkomst betrekking had, en hoe groot het areaal (in aantal hectares) in elk jaar is geweest, alsook om afschrift te verstrekken van de documenten waaruit de opbrengst blijkt, zodat vervolgens per jaar kan worden bepaald wat de gemiddelde bloemenopbrengst per hectare is geweest en kan worden vastgesteld of [geïntimeerde 1] nog iets aan [geïntimeerde 4] verschuldigd is. Dit laat onverlet dat [geïntimeerde 4] de stelplicht en bewijslast draagt van de feiten die hij aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat aan hem te weinig opbrengst is afgedragen.



8.3.
In 2018 bedroeg de door [geïntimeerde 1] gerealiseerde bloemenopbrengst € 282.773, zoals blijkt uit haar jaarrekening. Zoals [geïntimeerde 4] terecht aanvoert, moet de door [geïntimeerde 4] gerealiseerde bloemenopbrengst van € 6.954 hierbij worden opgeteld voor de berekening van de totale bloemenopbrengst van de percelen. De totale opbrengst in 2018 bedroeg dus € 289.727. Partijen zijn het erover eens dat de kosten die rechtstreeks verband houden met de verkoop van de bloemen hiervan moeten worden afgetrokken. Dit is het bedrag vermeld bij ‘afleveringskosten’ in de jaarrekening van [geïntimeerde 1] en heeft blijkens de jaarrekening betrekking op veilingkosten, fust(huur), statiegeld en vrachtkosten. In 2018 bedroegen deze kosten € 19.730. De totale netto-opbrengst in 2018 bedroeg daarmee € 269.997.



8.4.
In 2019 bedroeg de door [geïntimeerde 1] gerealiseerde bloemenopbrengst € 312.656, zoals blijkt uit haar jaarrekening. De door [geïntimeerde 4] gerealiseerde bloemenopbrengst bedroeg € 59.410. De totale opbrengst in 2019 bedroeg dus € 372.066. De afleveringskosten zoals vermeld in de jaarrekening van [geïntimeerde 1] , bedroegen € 53.436. Volgens [geïntimeerde 4] vindt dit bedrag geen steun in verifieerbare stukken. Dit bedrag blijkt echter uit de jaarrekening, en is daarin nader gespecificeerd. Dat [geïntimeerde 1] geen onderliggende documenten zoals facturen heeft overgelegd waaruit deze kosten blijken, en dat de kosten aanzienlijk hoger zijn dan in 2018 is zonder meer onvoldoende aanwijzing dat het bedrag zoals dit blijkt uit de jaarrekening niet juist zou zijn. [geïntimeerde 4] heeft zijn stelling dat de kosten lager zijn geweest daarom onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat de totale netto-opbrengst in 2018 € 318.630 bedroeg.



8.5.

Volgens [geïntimeerde 1] bedroeg de door haar onder de teeltovereenkomst gerealiseerde bloemenopbrengst in 2020 € 430.518. Dit bedrag strookt met de informatie verstrekt door [naam 1] (productie 34 [geïntimeerde 1] ), die volgens [geïntimeerde 1] met betrekking tot de teeltovereenkomst haar enige klant was in 2020. [geïntimeerde 4] heeft bestreden dat dit bedrag de volledige omzet betreft van [geïntimeerde 1] onder de teeltovereenkomst in 2020.
Volgens [geïntimeerde 4] stemt dit bedrag niet overeen met tussentijdse cijfers over 2020, waarbij hij verwijst naar een e-mail van accountant [naam 2] van 10 juli 2020 met een overzicht van tussentijdse cijfers per 30 juni 2020 waarin een bedrag aan netto-omzet is vermeld van € 449.674. [geïntimeerde 1] heeft echter toegelicht dat zij in 2020 ook omzet heeft gerealiseerd met andere werkzaamheden dan die uit de teeltovereenkomst. Dit heeft [geïntimeerde 4] niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het in de tussentijdse cijfers vermelde bedrag betreft daarom niet noodzakelijkerwijs uitsluitend opbrengsten gerealiseerd onder de teeltovereenkomst, zoals [geïntimeerde 1] terecht aanvoert; hetzelfde geldt voor de cijfers in de jaarrekening van 2020, zodat het overleggen daarvan niet nodig is gelet op de informatie en documentatie die verder beschikbaar is over de opbrengst in dat jaar.
Verder stelt [geïntimeerde 4] dat er na 30 juni 2020 omzet gemaakt kan zijn. Dit heeft [geïntimeerde 1] gemotiveerd betwist, waarbij zij heeft toegelicht dat het verkoopseizoen in juni was afgelopen. Dit is in lijn met het door [geïntimeerde 1] in eerste aanleg overgelegde memo over de cyclus van de pioenroos (productie 36). Het vindt ook steun in de e-mail van [naam 2] van 10 juli 2020 waarin is opgemerkt dat voor de rest van 2020 alleen nog kosten worden verwacht, en dus geen opbrengst meer.
Wat betreft de verkopen aan [naam 1] heeft [geïntimeerde 4] opgemerkt dat in het overzicht van [naam 1] voor de soort Paeonia Kansas alleen een stuksprijs van € 0,301 is vermeld terwijl uit de onderliggende facturen van 3 juni 2020 stuksprijzen variërend van € 0,274 tot € 0,330 zijn vermeld. Hierbij ziet [geïntimeerde 4] over het hoofd dat het in het overzicht van [naam 1] , gelet op de aanduiding ‘GAP’, kennelijk gaat om de gemiddelde artikelprijs. Hetzelfde geldt voor de prijzen van de [naam 3] . Ten slotte, en anders dan [geïntimeerde 4] stelt, blijkt uit de onderliggende facturen wel degelijk dat 1.500 stuks [naam 3] zijn verkocht (namelijk op 22 mei 2020 voor gemiddeld € 0,317 per stuk, zie factuur 10 juli 2020 met nummer 256173); dit is gelijk aan de cijfers in het overzicht van [naam 1] .

[geïntimeerde 4] stelt verder dat [naam 1] niet de enige klant is geweest van [geïntimeerde 1] in 2020, althans dat [geïntimeerde 1] mogelijk ook andere klanten heeft gehad. Enige concrete onderbouwing van deze stelling heeft [geïntimeerde 4] echter niet gegeven.
Gelet op het voorgaande heeft [geïntimeerde 4] zijn stelling dat [geïntimeerde 1] in 2020 meer omzet heeft gerealiseerd onder de teeltovereenkomst dan het bedrag van € 430.518 onvoldoende onderbouwd. De door [geïntimeerde 4] gerealiseerde bloemenopbrengst bedroeg € 49.635. De totale opbrengst in 2020 bedroeg dus € 480.153. Op deze opbrengst moeten in mindering worden gebracht de kosten die rechtstreeks verband houden met de verkoop van de bloemen. De omvang van deze kosten, € 43.052, heeft [geïntimeerde 1] voldoende toegelicht en komt het hof niet onaannemelijk voor, gelet op de verhouding van de verkoopkosten tot de opbrengst in de jaren 2018 en 2019. Het betreft kosten in verband met de verkoop, in rekening gebracht door [naam 1] . Anders dan [geïntimeerde 4] stelt, zijn dit dus geen kosten in verband met de verzorging van de gewassen, in de zin van artikel 3 lid 4 van de teeltovereenkomst.
Uit het voorgaande volgt dat de totale netto-opbrengst in 2020 € 437.101 bedroeg.




8.6.
Volgens artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst, gelezen in samenhang met artikel 1 lid 1 en artikel 3 lid 4 van de teeltovereenkomst, heeft [geïntimeerde 4] recht op de opbrengst van de bloemen van 2 hectares pioengewas van het totale areaal waarop de teeltovereenkomst betrekking heeft. Mede gelet op wat het hof heeft overwogen in 4.8 en 4.9 van het tussenarrest dient deze bepaling zo te worden uitgelegd dat [geïntimeerde 4] recht heeft op de gemiddelde bloemenopbrengst van 2 hectares, berekend door de totale opbrengst te delen door het totale aantal hectares areaal waarop de teeltovereenkomst in het desbetreffende jaar betrekking had, en te vermenigvuldigen met 2 (hectares). De uitleg die [geïntimeerde 4] in zijn antwoordakte aanvoert, namelijk dat met areaal bedoeld is ‘het aantal hectare waarvan bloemen werden gesneden’ verdraagt zich niet met de tekst van artikel 3 leden 3 en 4 en artikel 1 lid 1, en evenmin met hetgeen partijen behoorden te begrijpen over de omvang van de werkzaamheden van de opdracht en dat rooi-, deel- en stekwerkzaamheden daaronder vielen, zoals overwogen in 4.8 en 4.9 van het tussenarrest.



8.7.

[geïntimeerde 4] heeft niet gesteld wat de omvang is geweest van het areaal in de jaren 2018 t/m 2020, maar heeft zich beperkt tot wijzen op inconsistenties in wat [geïntimeerde 1] op dit punt heeft aangevoerd. Het is echter [geïntimeerde 4] die de stelplicht en bewijslast heeft van de feiten die hij aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, waartoe de omvang van het areaal ook behoort. Het gaat bovendien om informatie die in elk geval ook bij [geïntimeerde 4] bekend moet zijn, aangezien hij de pachter was van de desbetreffende percelen. [geïntimeerde 1] heeft in haar akte toegelicht dat het areaal in 2018 en 2019 volgens haar 15 hectares bedroeg en in 2020 15,95 hectares, wat in lijn is met het bepaalde in artikel 1 lid 1 van de teeltovereenkomst. Bij gebreke van concrete informatie en ondersteunende documentatie van [geïntimeerde 4] dat het areaal kleiner was, gaat het hof uit van de door [geïntimeerde 1] in haar akte opgegeven omvang.



8.8.
Dit betekent dat de bloemenopbrengst per hectare € 17.999,80 bedroeg in 2018 (€ 269.997 / 15), € 21.242 in 2019 (€ 318.630 / 15) en € 27.404,45 in 2020 (€ 437.101 / 15,95). [geïntimeerde 4] had dus recht op afdracht van de volgende bedragen: € 35.999,60 (2018), € 42.484 (2019) en € 54.808,90 (2020), in totaal € 133.292,50.



8.9.

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde 4] bedragen van € 6.954, € 59.410 en € 49.635 (in totaal € 115.999) heeft ontvangen in respectievelijk 2018, 2019 en 2020, en later door verrekening nog een bedrag van € 11.801. [geïntimeerde 1] heeft daarnaast gesteld dat [geïntimeerde 4] nog meer bedragen heeft ontvangen, namelijk in de vorm van fustgeld van de veiling [naam 4] , voor door [geïntimeerde 1] aangeschafte fusten (kratten) waarin de bloemen op naam van [geïntimeerde 4] ( [geïntimeerde 4] ) aan [naam 4] zijn aangeboden. Dit is een bevrijdend verweer, zodat de stelplicht en bewijslast op dit punt rust op [geïntimeerde 1] .

[geïntimeerde 1] stelt dat het gaat om 308 fusten in 2018 en 3.778 fusten in 2019, wat zij heeft onderbouwd met de op naam van [geïntimeerde 4] ( [geïntimeerde 4] ) gestelde aanvoerbrieven aan [naam 4] . Het hof overweegt dat uit de nadere afspraak tussen partijen (zie 8.1) volgt dat [geïntimeerde 1] ervoor diende te zorgen dat de op naam van [geïntimeerde 4] ( [geïntimeerde 4] ) te verkopen bloemen werden aangeleverd bij de veiling. In dit licht heeft [geïntimeerde 4] onvoldoende gemotiveerd betwist dat de daarvoor benodigde fusten door [geïntimeerde 1] zijn aangeschaft; informatie of documentatie waaruit blijkt dat dit met door [geïntimeerde 4] aangeschafte fusten is gebeurd, heeft [geïntimeerde 4] niet verstrekt. [geïntimeerde 4] heeft ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat [naam 4] statiegeld (‘fust’) uitkeert aan degene op wiens naam de daarin aangeleverde bloemen worden aangeleverd, en dat dit bedrag is vermeld op de facturen die [geïntimeerde 4] rechtstreeks van [naam 4] heeft ontvangen. Wat betreft de bloemen die op naam van [geïntimeerde 4] ( [geïntimeerde 4] ) zijn aangeleverd bij [naam 4] , betekent dit dat statiegeld is uitgekeerd aan [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] stelt dat het daarbij gaat om een bedrag van € 4 per eenheid fust, wat in lijn is met haar e-mail aan [geïntimeerde 4] van 4 augustus 2017 waarin dit bedrag is genoemd. [geïntimeerde 4] trekt het bedrag van € 4 in twijfel, maar heeft de facturen van [naam 4] niet overgelegd en ook verder geen informatie verstrekt over de hoogte van het door hem ontvangen bedrag aan statiegeld van [naam 4] . Daarmee heeft [geïntimeerde 4] de stelling van [geïntimeerde 1] over de hoogte van de door hem ontvangen bedragen aan statiegeld onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof uitgaat van de juistheid daarvan. Het betreft een bedrag van € 1.232 in 2018 en € 15.112 in 2019, dus in totaal € 16.344. Het betreft bedragen die door [geïntimeerde 4] zijn ontvangen in verband met de verkoop van de bloemen op grond van artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst. Deze behoren dus in aanmerking te worden genomen bij het bepalen of [geïntimeerde 4] in dit verband nog iets tegoed heeft van [geïntimeerde 1] .




8.10.
Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde 4] in totaal (€ 115.999 + € 16.344 + € 11.801 =) € 144.144 heeft ontvangen van [geïntimeerde 1] in verband met de verkoop van bloemen uit hoofde van artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst, wat hoger is dan het bedrag waarop [geïntimeerde 4] aanspraak heeft (€ 133.292,50). Gelet op dit verschil kan in het midden blijven of, zoals [geïntimeerde 4] aanvoert, het bedrag van € 16.344 aan fust ook al is begrepen in de afleveringskosten zoals vermeld in de jaarrekeningen van [geïntimeerde 1] . Verondersteld dat dit zo is, zou dit slechts leiden tot een verhoging van de aanspraak op bloemenopbrengst van [geïntimeerde 4] van € 2.179,20 (€ 16.344 / 15ha x 2ha), waarmee de totale aanspraak van [geïntimeerde 4] nog steeds lager is dan het bedrag dat hij al heeft ontvangen.



8.11.
Bij deze stand van zaken kan ook in het midden blijven of eventueel door [geïntimeerde 1] voorgeschoten vrachtkosten van in totaal € 3.551 nog in mindering zouden moeten worden gebracht op een door [geïntimeerde 4] te ontvangen bedrag.



8.12.
De slotsom is dat de vordering van [geïntimeerde 4] uit hoofde van artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst niet toewijsbaar is. Daarmee faalt de eerste grief in het incidenteel hoger beroep.



8.13.
Uit wat reeds is geoordeeld in het tussenarrest volgt dat het bestreden vonnis van 19 oktober 2022 gewezen in conventie deels zal worden vernietigd, en dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] onder II, IV (deels) en V (deels) zullen worden toegewezen, op de wijze als in het dictum bepaald.



8.14.
In het principaal en incidenteel hoger beroep, en wat betreft de conventie in eerste aanleg, is [geïntimeerde 4] de overwegend in het ongelijk gestelde partij zodat [geïntimeerde 4] in de proceskosten zal worden veroordeeld. In de reconventie zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de grieven tegen de beslissing om de proceskosten te compenseren falen. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] als volgt:



Eerste aanleg (conventie)




dagvaarding € 127,27


griffierecht € 2.837,00


salaris advocaat € 2.228,00 (tarief IV, 2 punten)


Totaal € 5.192,27



Hoger beroep




dagvaarding € 103,33


griffierecht € 5.689,00


salaris advocaat



o incident € nihil
o principaal € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
o incidenteel € 7.594,00 (tarief V, 2 punten)
Totaal € 15.966,33.







9Verdere beoordeling in zaak 200.314.267 ( [appellant] / [geïntimeerde 1] c.s.)


9.1.
Uit wat is geoordeeld in het tussenarrest volgt dat het bestreden vonnis van 30 maart 2022 dient te worden bekrachtigd voor zover gewezen in conventie, inclusief de daarin gegeven beslissing over de proceskosten. In zoverre faalt grief V van [appellant] .



9.2.
Zoals in het tussenarrest verder is geoordeeld, zijn de vorderingen I, II, III, IV en V van [geïntimeerde 1] c.s. ten aanzien van de door [appellant] in vuistpand genomen zaken toewijsbaar, en is vordering II van [geïntimeerde 1] c.s. ook met betrekking tot afgifte van de conservatoir beslagen zaken toewijsbaar. Het bestreden vonnis, gewezen in reconventie, kan in zoverre, en wat betreft de beslissing over de proceskosten, dus niet in stand blijven. Het hof zal het bestreden vonnis, gewezen in reconventie, voor de duidelijkheid volledig vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. toewijzen op de wijze als in het dictum bepaald.



9.2.

[appellant] is de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zowel in eerste aanleg in reconventie als in principaal en incidenteel hoger beroep, zodat [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Daarmee slaagt grief 4 van [geïntimeerde 1] c.s., en faalt ook in zoverre grief V van DBD. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. als volgt:



Eerste aanleg (reconventie)


- salaris advocaat € 1.126,00 (tarief II, 2 punten)



Hoger beroep




griffierecht € 1.780,00


salaris advocaat



o principaal € 11.238,00 (tarief VII, 2 punten)
o incidenteel € 5.619,00 (tarief VII x ½, 2 punten)
Totaal € 18.637,00.







10Beslissing


Het hof:




in zaak 200.320.485 ( [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 4] )





in principaal en incidenteel hoger beroep




vernietigt het vonnis van 19 oktober 2022, gewezen in conventie, uitsluitend voor zover daarbij de vorderingen van [geïntimeerde 1] onder II, IV en V zijn afgewezen en de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd, en opnieuw rechtdoende:



verklaart voor recht dat:




[geïntimeerde 4] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de teeltovereenkomst door het areaal van 5,5 hectares in Limburg in de zomer van 2020 te verkopen zonder [geïntimeerde 1] daarbij voldoende te compenseren,



[geïntimeerde 4] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de teeltovereenkomst door [geïntimeerde 1] te verhinderen om na de opzegging op 16 oktober 2020 tot het einde van het oogstseizoen in augustus 2021 haar werkzaamheden op de percelen uit te voeren en de bloemen te oogsten en te verkopen, en dat [geïntimeerde 4] ten aanzien van deze verplichting in verzuim is, en



[geïntimeerde 4] verplicht is de als gevolg van deze tekortkomingen door [geïntimeerde 1] geleden schade te vergoeden;




veroordeelt [geïntimeerde 4] om de schade te vergoeden die [geïntimeerde 1] heeft geleden als gevolg van deze tekortkomingen, nader op te maken bij staat;



veroordeelt [geïntimeerde 4] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] vastgesteld op € 5.192,27;



bekrachtigt het vonnis van 19 oktober 2022, gewezen in conventie en reconventie, voor het overige;



veroordeelt [geïntimeerde 4] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] vastgesteld op € 15.966,33, en op € 189 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;



verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders gevorderde;




in zaak 200.314.267 ( [appellant] / [geïntimeerde 1] c.s.)





in principaal en incidenteel hoger beroep




verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 9 juni 2021, 1
september 2021 en 17 november 2021;



bekrachtigt het vonnis van 30 maart 2022 gewezen in conventie;



vernietigt het vonnis van 30 maart 2022 gewezen in reconventie, en opnieuw rechtdoende:



verklaart voor recht dat:




[appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen op en afgifte te vorderen van de aan [geïntimeerde 1] c.s. in eigendom toebehorende zaken,



[appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde 1] c.s. heeft geleden als gevolg van de onrechtmatig namens [appellant] gelegde beslagen en gevorderde afgifte van de aan [geïntimeerde 1] c.s. in eigendom toebehorende roerende zaken, nader op te maken bij staat,



[appellant] onrechtmatig ten opzichte van [geïntimeerde 1] c.s. heeft gehandeld door de door haar in vuistpand genomen zaken te executeren;




veroordeelt [appellant] om de schade te vergoeden die [geïntimeerde 1] c.s. heeft geleden als gevolg van de onrechtmatig namens [appellant] gelegde beslagen en gevorderde afgifte van de aan [geïntimeerde 1] c.s. in eigendom toebehorende roerende zaken en als gevolg van de onrechtmatige executie van de door [appellant] in vuistpand genomen zaken, nader op te maken bij staat;



heft op de ten laste van [geïntimeerde 1] c.s. gelegde beslagen en bepaalt dat [appellant] de beslagen en door [geïntimeerde 1] c.s. afgegeven zaken, voor zover deze niet door [appellant] zijn verkocht, binnen zeven kalenderdagen na de datum van dit arrest in goede staat weer in de beschikkingsmacht van [geïntimeerde 1] c.s. brengt, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat niet volledig aan deze veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 500.000;



veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. vastgesteld op € 1.126,00 voor de eerste aanleg in reconventie, op € 18.637,00 voor het hoger beroep, en op € 189 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;



verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders gevorderde.




Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, Y. Steeg-Tijms en J.G. Sijmons door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.