Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2447
2026-03-03
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/320 t/m 24/331
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ 2021 14 woningen. Hoger beroep gegrond vanwege te lage kostenvergoeding in bezwaar en het ten onrechte niet-toekennen van imsv door rechtbank. Wrakingsverzoek voorafgaand aan zitting. Heropeningsverzoek na sluiting onderzoek.
Citeert (8)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:147 Gerechtshof Amsterdam 28-01-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3540 Gerechtshof Amsterdam 28-11-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2562 Rechtbank Midden-Nederland 31-05-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4950 Rechtbank Gelderland 31-08-2023
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1060 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (55.824 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/320 tot en met 24/331
3 maart 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels
tegen de uitspraak van 29 februari 2024 in de zaken met kenmerken AMS 22/729 en AMS 22/6094 tot en met AMS 22/6104 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar, en
2. de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift (met biljetnummer [#] ) vervatte beschikkingen met dagtekening 28 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde voor het kalenderjaar 2021 naar de waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: de WOZ-waarde) vastgesteld van de hieronder vermelde onroerende zaken, alle gelegen te [Z] . In hetzelfde geschrift zijn voor deze onroerende zaken (hierna ook: de objecten) de aanslagen voor de onroerendezaakbelasting (hierna ook: OZB) 2021 en rioolheffing eigenaren 2021 bekendgemaakt. De heffingsambtenaar heeft de volgende waarden vastgesteld:
- [straat 1] 280-2: € 523.000
- [straat 1] 280-3: € 443.000
- [straat 2] 87-b2: € 487.000
- [straat 2] 87-b3: € 487.000
- [straat 3] 6: € 1.357.000
- [straat 4] 39-1: € 295.000
- [straat 5] 31-1: € 888.000
- [straat 6] 193-a: € 523.000
- [straat 6] 193-b: € 523.000
- [straat 6] 193-c: € 523.000
- [straat 7] 180-1: € 935.000
- [straat 8] 60-1a: € 468.000
- [straat 9] 2-1: € 409.000
- [straat 9] 2-2: € 409.000
- [straat 9] 4-1: € 324.000
- [straat 9] 4-2: € 313.000
- [straat 9] 4-3: € 296.000
- [straat 10] 60: € 2.111.000
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt bij brief met dagtekening 11 maart 2021. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 31 januari 2022, het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaken AMS 22/6098 en 22/6102 gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover het de onroerende zaken [straat 5] 31-1 en [straat 8] 60-1a betreft;
- stelt de waarde van de onroerende zaken [straat 5] 31-1 en [straat 8] 60-1a voor het kalenderjaar 2021 vast op respectievelijk € 763.000,- en € 418.000,- en vermindert de aanslag OZB voor het jaar 2021 overeenkomstig deze waardes;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak;
- verklaart het beroep in de overige zaken ongegrond;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht in AMS 22/6098 en AMS 22/6102 tot een totaalbedrag van € 100,- (2 x € 50,-) aan [belanghebbende] te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in AMS 22/6098 en AMS 22/6102 tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan [belanghebbende] tot een totaalbedrag van € 1.185,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.”
1.4.
Belanghebbende heeft op 6 maart 2024 hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op 22 oktober 2025, 24 november 2025, 1 december 2025 en 3 december 2025 nadere stukken ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft op 16 december 2025 de wraking verzocht van de raadsheren van de zetel na afwijzing van het verzoek van zijn gemachtigde om het onderzoek ter zitting via een elektronische verbinding bij te wonen. Het wrakingsverzoek is vervolgens in behandeling genomen door de wrakingskamer. De raadsheren hebben niet in het wrakingsverzoek berust en hebben op 17 december 2025 een schriftelijke reactie bij de wrakingskamer ingediend. Belanghebbende heeft het wrakingsverzoek daags voor de geplande zitting van de wrakingskamer op 7 januari 2026 ingetrokken “om mij moverende redenen”.
1.7.
Het Hof heeft van belanghebbende op 16 januari 2026, 12 februari 2026 en 13 februari 2026 nadere stukken ontvangen.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak is meegezonden.
1.9.
Op 26 februari 2026 is een verzoek van belanghebbende ontvangen om het onderzoek te heropenen, met als toelichting dat een bepaald stuk van hem niet expliciet aan de orde is gekomen tijdens het onderzoek ter zitting. Bij dit verzoek is een aantal bijlagen gevoegd (onder meer uitsluitend per e-mail verstuurde berichten en betalingsbewijzen inzake griffierecht).
2Feiten
2.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:
“Inzake AMS 22/729 ( [straat 1] 280-2)
7. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 88 m². (…)
Inzake AMS 22/6095 ( [straat 2] 87-b2 en 87-b3)
12. Het gaat hier om twee bovenwoningen uit 1883 met elk een oppervlakte van 71 m² en een berging.
(…)
Inzake AMS 22/6097 ( [straat 4] 39-1)
18. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 40 m².
(…)
Inzake AMS 22/6099 ( [straat 6] 193-a) en AMS 22/6100 ( [straat 6] 193-b en 193-c)
22. De woningen betreffen drie karakteristiek historische bovenwoningen uit 1899 met een oppervlakte van 79 m² en een berging.
(…)
Inzake AMS 22/6101 ( [straat 7] 180-1)
26. De woning van [belanghebbende] is een karakteristieke historische bovenwoning uit 1765 met een oppervlakte van 128 m² en een dakterras van 4 m².
(…)
Inzake AMS 22/6103 ( [straat 9] 2-1, 2-2, 4-1, 4-2 en 4-3)
31. De woningen betreffen vijf bovenwoningen uit 1894. De onroerende zaken [straat 9] 2-1 en 2-2 hebben een oppervlakte van 63 m² en [straat 9] 4-1, 4-2 en 4-3 van respectievelijk 48, 46 en 43 m².
(…)
[straat 10] 60 (AMS 22/6104)
34. De woning van [belanghebbende] is een etagewoning in een herenhuis uit 1885 met een oppervlakte van 218 m², een tuin van 171 m² en een berging.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt hier nog het volgende aan toe.
2.3.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is door de heffingsambtenaar ontvangen op 15 maart 2021. In dit bezwaarschrift is onder meer het volgende vermeld:
“Betreft: WOZ/OZB 2021 én uitdrukkelijk ook alle andere aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook. (…)
Hierdoor wordt namens opdrachtgever c.q. belanghebbende de iure tijdig (aanvullend) bezwaar aangetekend tegen het in kopie bijgevoegde (aanslag-/beschikkings)biljet met het nummer [#] (…). (…).”
Het bezwaarschrift bevat (in algemene termen gestelde) klachten die betrekking hebben op de vastgestelde WOZ-waarden. Het woord ‘rioolheffing’ of ‘opbrengstlimiet’ komt niet in het bezwaarschrift voor.
3Geschil in hoger beroep
In geschil zijn de WOZ-waarden van de objecten zoals genoemd in 1.1, met uitzondering van de objecten [straat 5] 31-1, [straat 8] 60-1A, [straat 1] 280-3 en [straat 3] 6.
Voorts is in geschil of de rechtbank een te lage bezwaarkostenvergoeding en ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade heeft toegekend.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil – voor zover in hoger beroep van belang –
als volgt overwogen en beslist:
“Beroepsgronden in standaardbrieven
2. In het door de gemachtigde van [belanghebbende] opgestelde beroepschrift, de latere brieven en een ‘pinpointbrief’ van 29 november 2023 staan een veelheid aan algemeen geformuleerde en niet of nauwelijks onderbouwde stellingen en klachten, waarvan onvoldoende duidelijk is of deze op de onderhavige zaken betrekking hebben en zo ja, welke. De rechtbank zal deze standaardteksten daarom niet bespreken.De gemachtigde van [belanghebbende] heeft op de zitting wel standpunten ingenomen die specifiek op de onroerende zaken betrekking hebben en de rechtbank zal die wel beoordelen. Daarbij bewaakt de rechtbank de goede procesorde, waarbij de beoordeling van standpunten achterwege blijft als de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen, onvoldoende heeft kunnen voorbereiden.
Oproepen derde-belanghebbende
3. [ Belanghebbende] voert aan dat de rechtbank ten onrechte de huurder dan wel gebruiker van de objecten niet in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Met deze stelling, wat daar verder van zij, is niet het belang van [belanghebbende] gediend, maar de belangen van die eventuele derde-partij. De rechtbank verwerpt deze klacht, reeds omdat hij niet is onderbouwd.
De WOZ-waarde
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De vast te stellen waarde is de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde per de waardepeildatum 1 januari 2020 niet hoger is dan de waarde in het economisch verkeer.
Inzake AMS 22/6098 ( [straat 5] 31-1) en AMS 22/6102 ( [straat 8] 60-1a)
5. De heffingsambtenaar heeft in beroep de waarde van de onroerende zaken [straat 5] 31-1 en [straat 8] 60-1a verlaagd van respectievelijk € 888.000,- naar € 763.000,- en van € 468.000,- naar € 418.000,-.
[Belanghebbende] kan zich met de in beroep verlaagde waardes verenigen en verzoekt om gegrondverklaring van het beroep, vergoeding van de immateriële schade en veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten.
Deze verzoeken worden aan het eind van de uitspraak behandeld. De rechtbank zal in het dictum de verlaagde waarde van de onroerende zaken vaststellen en bepalen dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig de verlaagde waarde wordt verminderd.
Inzake AMS 22/6094 ( [straat 1] 280-3) en 22/6096 ( [straat 3] 6)
6. [ Belanghebbende] is eigenaar van de onroerende zaken. Het object [straat 1] 280-3 betreft een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 72 m². Het object [straat 3] 6 betreft een tussenwoning (niet-repeterend) uit 1899 met een oppervlakte van 221 m² met een kelder en een berging.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat een waarde van € 443.000,- voor [straat 1] 280-3 en een waarde van € 1.357.000,- voor [straat 3] 6 niet te hoog is en heeft ter onderbouwing voor elk object een taxatierapport overgelegd.
[Belanghebbende] heeft op zitting te kennen gegeven dat hij zich in de vastgestelde waardes kan vinden. De rechtbank volgt partijen daarin. De beroepen zijn ongegrond.
Inzake AMS 22/729 ( [straat 1] 280-2)
7. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 88 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [belanghebbende] vindt dat de op € 523.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 499.000,-.
8. Om de waarde te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een waarderingsmatrix en overige taxatiestukken overgelegd, en daarop ter zitting een toelichting gegeven. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen aan de [straat 1] (de vergelijkingsobjecten), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging en gebruikersoppervlakte van de woning en overige verschillen tussen de bovenwoning en de vergelijkingsobjecten. De (naar kwaliteit, onderhoud en ligging gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 7.784,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 6.592,-) die voor de waarde van de bovenwoning in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woning en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
9. [ Belanghebbende] stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut. De rechtbank volgt dit niet. Nog afgezien van het feit dat [belanghebbende] zijn stelling niet heeft onderbouwd, heeft de woning een enigszins grotere oppervlakte dan de vergelijkingsobjecten. Met dit verschil en met het afnemend grensnut is rekening gehouden door voor de woning uit te gaan van een lagere m²-prijs dan bij de vergelijkingsobjecten. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Met wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet meer dan € 499.000,-bedraagt. [Belanghebbende] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze waarde is opgebouwd, of met welke bedragen de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde voor het verschil in secundaire (object)kenmerken tussen de vergelijkingsobjecten en de woning zou moeten worden gecorrigeerd. De verwijzing door [belanghebbende] naar een artikel in [bedrijf] van 2021 over de invloed van de coronacrisis op huurprijzen in de horeca leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds omdat in het onderhavige geval sprake is van de waardering van een woning.
11. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning [straat 1] 280-2 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6095 ( [straat 2] 87-b2 en 87-b3)
12. Het gaat hier om twee bovenwoningen uit 1883 met elk een oppervlakte van 71 m² en een berging. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woningen. [Belanghebbende] vindt dat de op € 485.000,- (voor [straat 2] 87-b2) respectievelijk € 487.000,- (voor [straat 2] 87-b3) vastgestelde WOZ-waarde te hoog is.
13. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van beide onroerende zaken niet te hoog is vastgesteld. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen in de [straat 2] en de nabij de woning gelegen [straat 11] (de vergelijkingsobjecten), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging van de woningen en overige verschillen tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten. De (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 7.422,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 7.082,- voor [straat 2] 87-b2 en € 7.103,- voor [straat 2] 87-b3) die voor de waarde van de woningen in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
14. [ Belanghebbende] heeft ter zitting aangevoerd dat in de matrix onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat de vergelijkingsobjecten een dakterras en/of een berging hebben en de woning niet. Een dakterras is goud waard in [Z] .De heffingsambtenaar voert aan dat het in de matrix genoemde standaardbedrag van € 500,- per m² voor een dakterras gebaseerd is op de permanente marktanalyse (PMA). In ieder geval zijn hem geen marktgegevens bekend op grond waarvan deze schatting van de waarde van dakterrassen voor onjuist moet worden gehouden.
15. De rechtbank stemt in met deze toelichting van de heffingsambtenaar en vindt dat de heffingsambtenaar in voldoende mate rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de woning geen dakterras heeft en twee van de drie vergelijkingsobjecten wel. De schatting van de waarde van een dakterras op een vast bedrag van € 500,- per m² acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt, mede gelet op de geringe gebruikswaarde ervan.
Verder onderschrijft de rechtbank de opvatting van de heffïngsambtenaar dat een balkon of dakterras een onderdeel is van een woning en geen afzonderlijke marktwaarde heeft. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in redelijkheid kan uitgaan van een vaste waarde voor woningonderdelen als(dak)terrassen, tuinen, parkeerplaatsen en bergingen als hulpmiddel bij de waardering van de woning als geheel. Bij het beoordelen van de juistheid van de WOZ-waarde gaat het immers niet over de vraag of de samenstellende onderdelen van een vergelijkingsobject op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Relevant is slechts de waarde van het object als geheel [voetnoot: Zie de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2020, rechtsoverweging 5.11.3 (ECLI:NL:GHAMS:2020:147) en 28 november 2023, rechtsoverweging 5.8 en 5.9 (ECLI:NL:GHAMS:2023:3540)]. Deze beroepsgrond slaagt niet.
16. Ter zitting heeft [belanghebbende] aangevoerd dat hij de indexering niet kan volgen.
De heffingsambtenaar heeft op de zitting verklaard dat hij bij de indexering uitgaat van de datum van de koopovereenkomst, dus de datum wanneer de koop tot stand is gekomen. Dit blijkt ook uit het intern waarde-advies bij het verweerschrift. De taxateur heeft verder toegelicht dat de indexeringscijfers ook uit de matrix te herleiden zijn. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de indexering van de vergelijkingsobjecten en de toelichting daarop voldoende heeft onderbouwd en inzichtelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft uitvoerig toegelicht dat de indexering tot stand is gekomen met behulp van de resultaten uit de PMA. De marktanalyse wordt gemaakt op basis van verkoopcijfers binnen de gemeente, uitgesplitst naar buurt en soort object. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de toegepaste indexering van de vergelijkingsobjecten onjuist is. [Belanghebbende] heeft nagelaten om de toelichting van de heffingsambtenaar op de gehanteerde indexering gemotiveerd te betwisten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
17. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaken [straat 2] 87-b2 en [straat 2] 87-b3 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6097 ( [straat 4] 39-1)
18. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 40 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [belanghebbende] vindt dat de op € 295.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 249.000,-.
19. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te laag is vastgesteld. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen die zijn gelegen in de [plaats] (de vergelijkingsobjecten), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging en gebruikersoppervlakte van de woning en overige verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 7.165,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 6.895,-) die voor de waarde van de bovenwoning in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woning en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
20. Met wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet meer dan € 249.000,- bedraagt. [Belanghebbende] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze waarde is opgebouwd, of met welke bedragen de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde voor het verschil in secundaire (object)kenmerken tussen de vergelijkingsobjecten en de woning zou moeten worden gecorrigeerd.
21. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6099 ( [straat 6] 193-a) en AMS 22/6100 ( [straat 6] 193-b en 193-c)
22. De woningen betreffen drie karakteristiek historische bovenwoningen uit 1899 met een oppervlakte van 79 m² en een berging. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woningen. [Belanghebbende] vindt dat de vastgestelde WOZ-waarde voor de woningen (€ 523.000,-) te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde voor alle woningen vastgesteld moet worden op € 479.000,-.
23. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices (met bijlagen, waaronder foto’s) en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de bovenwoningen niet te hoog is vastgesteld. Uit de matrices blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met andere bovenwoningen (vergelijkingsobjecten) waarvan marktgegevens beschikbaar zijn en die ook in het centrum zijn gelegen. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging van de woningen en overige verschillen tussen de bovenwoningen en de vergelijkingsobjecten. De gemiddelde (gecorrigeerde) m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 6.533,-) is iets hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs die voor de waarde van de bovenwoningen (€ 6.530,-) in aanmerking is genomen.
24. [ Belanghebbende] heeft ter zake de indexering van de vergelijkende transactiegegevens naar de waardepeildatum 1 januari 2020 aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat de PMA een prijsdaling in de markt noteert aan het begin van 2020.De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de PMA transactiegegevens bevat per soort object en per buurt. De rechtbank is met de heffingsambtenaar van oordeel dat deze nauwkeurige registratie tot lokale en tijdelijke verschillen kan leiden ten opzichte van de algehele trend. De geringe verschillen die dit oplevert zijn niet zodanig dat de indexering niet langer bruikbaar is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
25. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woningen [straat 6] 193-a, 193-b en 193-c niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6101 ( [straat 7] 180-1)
26. De woning van [belanghebbende] is een karakteristieke historische bovenwoning uit 1765 met een oppervlakte van 128 m² en een dakterras van 4 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [Belanghebbende] vindt dat de op € 935.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 849.000,-.
27. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, de overige taxatiestukken en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te laag is vastgesteld. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen die zijn gelegen in het centrum van [Z] ( [straat 12] 90 D, [straat 13] 94 A en [straat 14] 294 F), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging en gebruikersoppervlakte van de woning en overige verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 6.807,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 6.198,-) die voor de waarde van de bovenwoning in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woning en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
28. Ook in deze zaak betwist [belanghebbende] de indexering van twee verkoopcijfers naar de waardepeildatum 1 januari 2020. Dit betreft dezelfde klacht als hierboven genoemd onder 24. De rechtbank oordeelt in deze zaak overeenkomstig overweging 24.
29. Met wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet meer dan € 849.000,- bedraagt. [belanghebbende] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze waarde is opgebouwd, of met welke bedragen de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde voor het verschil in secundaire (object)kenmerken tussen de vergelijkingsobjecten en de woning zou moeten worden gecorrigeerd.
30. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6103 ( [straat 9] 2-1, 2-2, 4-1, 4-2 en 4-3)
31. De woningen betreffen vijf bovenwoningen uit 1894. De onroerende zaken [straat 9] 2-1 en 2-2 hebben een oppervlakte van 63 m² en [straat 9] 4-1, 4-2 en 4-3 van respectievelijk 48, 46 en 43 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woningen. [Belanghebbende] vindt dat de vastgestelde WOZ-waarde voor de woningen te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde voor de woningen aan de [straat 9] 2-1 en 2-2 vastgesteld moeten worden op € 379.000,- en die aan de [straat 9] 4-1,4-2 en 4-3 op € 299.000,-, € 289.000,- respectievelijk € 279.000,-.
32. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices (met bijlagen, waaronder foto’s) en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de bovenwoningen niet te hoog is vastgesteld. Uit de matrices blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met andere bovenwoningen (vergelijkingsobjecten) waarvan marktgegevens beschikbaar zijn en die ook in [Z] -Oost ( [plaats] ) zijn gelegen. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging van de woningen en de overige verschillen tussen de bovenwoningen en de vergelijkingsobjecten. De gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten is ongeveer € 400,- hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs die voor de waarde van de bovenwoningen in aanmerking is genomen.
33. De stelling van [belanghebbende] dat de heffingsambtenaar het dakterras bij vergelijkingsobject 1 veel te laag heeft gewaardeerd slaagt niet. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 14. en 15. en oordeelt in deze zaak overeenkomstig.
Het beroep is ongegrond.
[straat 10] 60 (AMS 22/6104)
34. De woning van [belanghebbende] is een etagewoning in een herenhuis uit 1885 met een oppervlakte van 218 m², een tuin van 171 m² en een berging. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [Belanghebbende] vindt dat de op € 2.111.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 2.011.000,-.
35. Ter onderbouwing van de waarde heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de verkoop van de woning zelf op 19 maart 2020, dus vlakbij de waardepeildatum 1 januari 2020, voor een bedrag van € 2.212.500,-. Gecorrigeerd voor het aandeel van de woning in de reserve van de Vereniging van eigenaren en vervolgens voor indexering van de verkoopprijs naar de waardepeildatum, is de waarde van de woning € 2.180.000,-. Een WOZ-waarde van € 2.111.000,- is dus niet te hoog.
36. [ Belanghebbende] is het ermee eens dat in deze zaak het eigen verkoopcijfer uitgangspunt voor de WOZ-waarde is, maar voert aan dat blijkens de transportakte in de verkoop van de woning is inbegrepen het lidmaatschapsrecht van de vereniging die eigenaar is van een terrein met parkeerplaatsen. Hij schat de waarde van dit lidmaatschapsrecht en dus het gebruik van een parkeerplaats op dit terrein op € 100.000,-. Dit is een recht dat bij de vaststelling van de waarde op grond van artikel 17, tweede lid, van de wet WOZ buiten beschouwing moet blijven en de verkoopprijs moet daarmee worden gecorrigeerd. Volgens de heffingsambtenaar is de waarde van een parkeerplaats hooguit € 70.000,-.
37. De rechtbank is met [belanghebbende] van oordeel dat de waarde van een lidmaatschapsrecht in een vereniging dan wel een beperkt recht op een niet bij het object behorende parkeerplaats buiten de waardevaststelling van de woning moet blijven. [Belanghebbende] heeft echter de waarde van deze parkeerplaats niet onderbouwd, zodat het door hem genoemde bedrag van € 100.000,- niet als vaststaand kan worden aangenomen. Gelet op de omstandigheid dat tussen de gecorrigeerde verkoopprijs van € 2.180.000,- en de vastgestelde WOZ-waarde van € 2.111.000,- een marge van € 69.000,- zit, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld, ook als rekening wordt gehouden met een afdoende correctie voor het lidmaatschapsrecht.
38. [ Belanghebbende] heeft de waardevaststelling door de heffingsambtenaar voor het overige niet bestreden. Het beroep is ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
39. [ Belanghebbende] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van een zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
40. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden [voetnoot: Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252]. De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn te verlengen. Hiervoor is van belang dat de rechtbank op 17 maart 2022 een beroep op betalingsonmacht griffierecht van de gemachtigde Bartels heeft ontvangen. Bij een dergelijk verzoek moeten de gegevens over het inkomen en vermogen van een belanghebbende worden overgelegd, maar omdat dit niet was gedaan is Bartels in staat gesteld het verzoek aan te vullen. Bartels heeft vervolgens niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om gegevens over het inkomen en vermogen over te leggen. Het griffierecht is uiteindelijk op 3 maart 2023 betaald. Hierdoor is een vertraging in de procedure ontstaan van afgerond twaalf maanden. Zolang het griffierecht niet is voldaan, ligt de procedure namelijk stil, zoals Bartels bekend is. Deze vertraging is aan Bartels toe te rekenen. De rechtbank ziet een bijzondere omstandigheid in het feit dat sprake is van een kansloos beroep op betalingsonmacht dat louter leidt tot een nodeloze vertraging [voetnoot: Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562 en de RBGEL van 31 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4950]. De redelijke termijn wordt daarom verlengd met twaalf maanden. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar op 15 maart 2021 ontvangen, zodat de redelijke termijn loopt van 15 maart 2021 tot 15 maart 2024. De (verlengde) redelijke termijn van drie jaar is bij het doen van deze uitspraak nog niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Proceskosten en griffierecht
41. De rechtbank zal het beroep in de zaken AMS 22/6098 en AMS 22/6102 gegrond verklaren en in verband daarmee de heffingsambtenaar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien beide zaken vanwege hun samenhang gezamenlijk zijn behandeld, wordt in het kader van de proceskosten eenmaal een vergoeding toegekend. De rechtbank weegt mee dat het gaat om dezelfde eiser en dezelfde gemachtigde in beide zaken, en dat het gaat om één gecombineerd aanslagbiljet, één uitspraak op bezwaar en één beroepschrift. Zowel het bezwaar als het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden is gezamenlijk behandeld. De werkzaamheden van de gemachtigde zijn nagenoeg gelijk in beide zaken, te weten het indienen van standaardstukken en een korte mondelinge aanvulling daarvan op een (hoor)zitting.
42. De rechtbank berekent de proceskostenvergoeding op een bedrag van € 1.185,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaken). De wegingsfactor is op 0,5 vastgesteld omdat de bewerkelijkheid en de complexiteit van het bezwaar en het beroep inzake de WOZ-waarde van de woningen, en de daarmee verband houdende werkbelasting voor de gemachtigde, gering zijn geweest.
Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
43. De heffingsambtenaar moet aan [belanghebbende] het in deze twee zaken betaalde griffierecht van in totaal € 100,- (2 x € 50,-) vergoeden.
44. In de overige zaken is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een vergoeding van proceskosten of het griffierecht afgewezen.”
5Beoordeling van het geschil
Verzoek heropening onderzoek
5.1.
Het Hof ziet geen reden het onderzoek te heropenen. Belanghebbende heeft ter zitting in twee termijnen alle kansen gekregen om naar voren te brengen wat hij wilde. Het Hof heeft verder kennisgenomen van alle stukken die per post dan wel via Mijn Rechtspraak van partijen zijn ontvangen. Het onderzoek is volledig geweest.
Omvang geschil in hoger beroep
5.2.
Belanghebbende heeft in zijn nader stuk dat op 28 november 2025 is ingekomen bij het Hof een beroep gedaan op overschrijding van de opbrengstlimiet voor wat betreft de rioolheffing 2021. Het is met dat stuk in deze procedure voor het eerst dat belanghebbende opmerkingen maakt over rioolheffing of over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij heffingen zoals de rioolheffing.
5.3.
In deze procedure is geen plaats voor de beoordeling van een klacht over aanslagen rioolheffing voor de objecten die in hetzelfde geschrift als de WOZ-beschikking en de aanslag OZB zijn bekendgemaakt. De rechtbank heeft immers geen uitspraak gedaan op een beroep daarover. En overigens gaan de uitspraak op bezwaar en het bezwaarschrift evenmin over aanslagen rioolheffing. Een bezwaarschrift waarin blijkens de onderwerpaanduiding wordt opgekomen tegen de WOZ-waarden en de aanslagen OZB en dat uitsluitend gronden bevat die op de WOZ-waarden van de onroerende zaken zien, richt zich uitsluitend tegen die WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. Het heeft ook niet van rechtswege betrekking op andere belastingaanslagen die zijn verenigd in één geschrift met de WOZ-beschikkingen. Een en ander wordt niet anders door in zo een bezwaarschrift onder ‘betreft’ na de vermelding van “WOZ/OZB 2021” de zinsnede “en uitdrukkelijk ook alle andere aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook” (zie 2.3) op te nemen. De voor het jaar 2021 opgelegde aanslagen rioolheffing eigenaren zijn immers niet gerelateerd aan de WOZ-waarden (noch aan de aanslagen OZB); de heffingsmaatstaf van deze rioolheffing is op grond van de Verordening Rioolheffing 2021 van de gemeente Amsterdam gesteld op een vast bedrag per perceel.
Wijze van procederen
5.4.
De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde die zeer veel procedeert mag worden verwacht en verlangd, dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt, ook in de onderhavige zaken, is dat de gemachtigde de wederpartij en de rechter in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten. Daartussen bevinden zich dan soms – meestal niet onderbouwde – opmerkingen die wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend voor een gegrondverklaring van het rechtsmiddel. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die argumenten op gedegen wijze verweer te voeren. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van de gemachtigde voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht.
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ
5.5.
De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in de onderhavige zaken de verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen wordt verworpen, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een voldoende concreet verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde WOZ-waarden. Voor zover belanghebbende met zijn verzoek doelt op iWOZ-rapportages overweegt het Hof als volgt. Voor de heffingsambtenaar is op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ in dit geding geen verplichting om de door belanghebbenden gevraagde iWOZ-rapportages in te brengen, aangezien de heffingsambtenaar onbetwist heeft gesteld dat dergelijke iWOZ-rapportages niet ten grondslag hebben gelegen aan de voor de onroerende zaken vastgestelde WOZ-waarden. Overigens heeft de heffingsambtenaar tijdens de procedure in eerste aanleg voor elk object een taxatierapport (‘Intern waarde-advies’) overgelegd en heeft de taxateur daarin in een aantal taxatierapporten ook gegevens opgenomen (met bronvermelding) die zijn gebaseerd op iWOZ-rapportages. Voor zover de heffingsambtenaar zich bij zijn nadere onderbouwing van de vastgestelde waarden in (hoger) beroep heeft gebaseerd op gegevens ontleend aan iWOZ-rapportages, heeft hij deze gegevens derhalve verstrekt.
WOZ-waarden
5.6.
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank over de vastgestelde WOZ-waarden en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverweging 7 tot en met 38) tot de zijne. Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbende hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarden van de objecten niet te hoog heeft vastgesteld.
5.7.
Met betrekking tot het object [straat 10] 60 overweegt het Hof nog als volgt. Belanghebbende heeft in hoger beroep eerst ter zitting zijn stelling geconcretiseerd dat de WOZ-waarde van dit object te hoog is vastgesteld. Hij heeft erop gewezen dat de heffingsambtenaar bij de herrekening van de gerealiseerde verkoopprijs naar de waarde op de waardepeildatum is uitgegaan van een onjuiste datum van de koopovereenkomst (19 maart 2020 in plaats van 16 januari 2020), onder verwijzing naar de leveringsakte die bij het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport is gevoegd. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de rechtbank in rechtsoverweging 37 van haar uitspraak is uitgegaan van een te lage correctie van de gerealiseerde verkoopprijs voor het bij de koopprijs inbegrepen lidmaatschapsrecht van de Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE), die eigenaar is van een terrein met parkeerplaatsen. Volgens belanghebbende dient deze correctie minimaal € 100.000 te bedragen, gelet op de in de in het taxatierapport opgenomen iWOZ-gegevens, waarin € 125.000 is vermeld als vraagprijs voor een parkeerplaats in de garage. Belanghebbende heeft hierbij opgemerkt dat hij dit standpunt ook reeds ter zitting in eerste aanleg heeft ingenomen. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat belanghebbende hiermee in strijd met een goede procesorde handelt, door in zijn processtukken te volstaan met niet op de zaak betrekking hebbende standaardgrieven en pas ter zitting in hoger beroep zijn standpunt te concretiseren. Voorts heeft hij het standpunt ingenomen dat hij de WOZ-waarde van dit object niet te hoog heeft vastgesteld en dat hij het oordeel hierover van de rechtbank onderschrijft.
5.8.
Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de koopovereenkomst van het object slechts twee weken in plaats van drieënhalve maand na de waardepeildatum tot stand is gekomen, tot gevolg heeft dat de heffingsambtenaar, zoals hij ter zitting ook heeft gesteld, een te hoge correctie in aanmerking heeft genomen voor de waardeontwikkeling (in een stijgende markt) na waardepeildatum. De op 16 januari 2020 gerealiseerde verkoopprijs bedraagt, na correctie voor het in de verkoopprijs begrepen bedrag voor het aandeel in de VvE-reserve, € 2.203.638; de WOZ-waarde (naar de waardepeildatum 1 januari 2020) is vastgesteld op € 2.111.000. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, ook in aanmerking genomen het in de verkoopprijs begrepen lidmaatschapsrecht. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende het door hem gestelde bedrag voor het in de verkoopprijs begrepen lidmaatschapsrecht niet nader heeft geconcretiseerd en heeft volstaan met een verwijzing – voor het eerst ter zitting in hoger beroep – naar de in de iWOZ-gegevens vermelde vraagprijs voor een (optioneel) aan te kopen parkeerplaats. Het betreft hier een vraagprijs en de daaraan te ontlenen informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een hoger correctiebedrag voor het in de gerealiseerde verkoopprijs begrepen lidmaatschapsrecht dan reeds in de vastgestelde WOZ-waarde tot uitdrukking is gekomen. Hetgeen belanghebbende op dit punt overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Vergoeding van immateriële schade
5.9.
De rechtbank heeft de overschrijding van de redelijke termijn verlengd met twaalf maanden vanwege de bijzondere omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende wegens het indienen van een beroep op betalingsonmacht de procedure in eerste aanleg nodeloos heeft vertraagd. Belanghebbende bestrijdt dit oordeel.
5.10.
Het Hof ziet, mede gelet op de overige omstandigheden van het onderhavige geval, in het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op betalingsonmacht griffierecht onvoldoende aanleiding tot verlenging van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in bezwaar en beroep. Dat de gemachtigde van belanghebbende ondanks het verzoek daarom van de rechtbank heeft verzuimd het beroep op betalingsonmacht aan te vullen met de juiste bescheiden, maakt het voorgaande niet anders. Uit het dossier van de rechtbank valt ook voor het overige niet op te maken dat het alleen aan de handelwijze van de gemachtigde van belanghebbende heeft gelegen dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen langer dan twee jaar hebben geduurd. Gelet op de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (15 maart 2021) en de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan (29 februari 2024) is de redelijke termijn in eerste aanleg met afgerond 12 maanden overschreden. Gelet op het financiële belang van ten minste € 15 en het verzoek dat voor 14 juni 2024 is gedaan, komt aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade toe van € 1.000. Van de termijnoverschrijding zijn afgerond 5 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase (de uitspraak op bezwaar is van 31 januari 2022) en 7 maanden aan de beroepsfase, zodat een bedrag van afgerond € 417 voor rekening komt van de heffingsambtenaar en afgerond € 583 voor rekening van de Staat. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
5.11.
Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep af, aangezien het Hof binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep uitspraak doet.
Vergoeding griffierecht in eerste aanleg
5.12.
Aangezien het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan en de redelijke termijn is overschreden voorafgaand aan de datum van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, is het in dat arrest (in r.o. 7.1.2) opgenomen overgangsrecht van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat had moeten gelasten om de door belanghebbende betaalde griffierechten aan hem te vergoeden, voor zover de rechtbank de heffingsambtenaar niet reeds (in de zaken AMS 22/6098 en 22/6102) heeft veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
5.13.
Belanghebbende heeft in beroep in totaal twaalfmaal € 50 griffierecht betaald. Een bedrag ter grootte van € 100 is reeds door de heffingsambtenaar vergoed, waardoor nog een bedrag van € 500 aan te vergoeden griffierechten resteert. Het Hof zal de heffingsambtenaar en de Staat gelasten, ieder voor de helft, dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden.
Kostenvergoeding bezwaar
5.14.
De grief van belanghebbende dat de rechtbank een onjuiste puntwaarde heeft toegepast bij de door haar toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase, te weten € 310, slaagt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (r.o. 5.8.1 en 5.8.2) dient punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) buiten toepassing te blijven. De uitspraak van de rechtbank kan in zoverre niet in stand blijven. Het Hof stelt de op grond van artikel 7:15 Awb en het Besluit toe te kennen kostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 punten (proceshandelingen) x € 666 (waarde per punt) x 0,5 (wegingsfactor) = € 666. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel, op de in rechtsoverweging 41 van de rechtbankuitspraak weergegeven gronden (welke gronden het Hof tot de zijne maakt), dat voor de toe te kennen kostenvergoeding sprake is van één zaak.
Slotsom
5.15.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep gegrond voor zover het betreft de door de rechtbank toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de beslissing van de rechtbank om het verzoek om vergoeding van immateriële schade af te wijzen. Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan weergegeven onder 7.
6Kosten
Aangezien het hoger beroep gegrond is met betrekking tot de toe te kennen vergoedingen van bezwaarkosten en immateriële schade, zal zowel de heffingsambtenaar als de Staat worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep, ieder voor de helft. In hoger beroep is voor de toepassing van het Besluit sprake van één zaak (evenals in beroep, waarin de rechtbank de proceskostenvergoeding waartoe de heffingsambtenaar reeds is veroordeeld, juist heeft berekend). De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt het Hof vast op: 2 punten (proceshandelingen) x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (wegingsfactor) x 0,10 (vermenigvuldigingsfactor artikel 30a, lid 2, Wet WOZ) = € 93,40. Hierbij neemt het Hof wat betreft de toegepaste vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
7Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de toegekende kostenvergoeding voor bezwaar alsmede de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 417;
- veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 583;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar van belanghebbende tot een bedrag van € 666;
- veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat in de kosten van het hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van ieder € 46,70, en
- draagt de heffingsambtenaar en de Staat op het betaalde griffierecht in beroep, voor zover niet reeds vergoed door de heffingsambtenaar (€ 500) en in hoger beroep (€ 138) te vergoeden, ieder voor de helft (€ 319).
De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, N. Djebali en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerken 24/320 tot en met 24/331
3 maart 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels
tegen de uitspraak van 29 februari 2024 in de zaken met kenmerken AMS 22/729 en AMS 22/6094 tot en met AMS 22/6104 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar, en
2. de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift (met biljetnummer [#] ) vervatte beschikkingen met dagtekening 28 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde voor het kalenderjaar 2021 naar de waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: de WOZ-waarde) vastgesteld van de hieronder vermelde onroerende zaken, alle gelegen te [Z] . In hetzelfde geschrift zijn voor deze onroerende zaken (hierna ook: de objecten) de aanslagen voor de onroerendezaakbelasting (hierna ook: OZB) 2021 en rioolheffing eigenaren 2021 bekendgemaakt. De heffingsambtenaar heeft de volgende waarden vastgesteld:
- [straat 1] 280-2: € 523.000
- [straat 1] 280-3: € 443.000
- [straat 2] 87-b2: € 487.000
- [straat 2] 87-b3: € 487.000
- [straat 3] 6: € 1.357.000
- [straat 4] 39-1: € 295.000
- [straat 5] 31-1: € 888.000
- [straat 6] 193-a: € 523.000
- [straat 6] 193-b: € 523.000
- [straat 6] 193-c: € 523.000
- [straat 7] 180-1: € 935.000
- [straat 8] 60-1a: € 468.000
- [straat 9] 2-1: € 409.000
- [straat 9] 2-2: € 409.000
- [straat 9] 4-1: € 324.000
- [straat 9] 4-2: € 313.000
- [straat 9] 4-3: € 296.000
- [straat 10] 60: € 2.111.000
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt bij brief met dagtekening 11 maart 2021. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 31 januari 2022, het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaken AMS 22/6098 en 22/6102 gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover het de onroerende zaken [straat 5] 31-1 en [straat 8] 60-1a betreft;
- stelt de waarde van de onroerende zaken [straat 5] 31-1 en [straat 8] 60-1a voor het kalenderjaar 2021 vast op respectievelijk € 763.000,- en € 418.000,- en vermindert de aanslag OZB voor het jaar 2021 overeenkomstig deze waardes;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak;
- verklaart het beroep in de overige zaken ongegrond;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht in AMS 22/6098 en AMS 22/6102 tot een totaalbedrag van € 100,- (2 x € 50,-) aan [belanghebbende] te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in AMS 22/6098 en AMS 22/6102 tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan [belanghebbende] tot een totaalbedrag van € 1.185,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.”
1.4.
Belanghebbende heeft op 6 maart 2024 hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op 22 oktober 2025, 24 november 2025, 1 december 2025 en 3 december 2025 nadere stukken ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft op 16 december 2025 de wraking verzocht van de raadsheren van de zetel na afwijzing van het verzoek van zijn gemachtigde om het onderzoek ter zitting via een elektronische verbinding bij te wonen. Het wrakingsverzoek is vervolgens in behandeling genomen door de wrakingskamer. De raadsheren hebben niet in het wrakingsverzoek berust en hebben op 17 december 2025 een schriftelijke reactie bij de wrakingskamer ingediend. Belanghebbende heeft het wrakingsverzoek daags voor de geplande zitting van de wrakingskamer op 7 januari 2026 ingetrokken “om mij moverende redenen”.
1.7.
Het Hof heeft van belanghebbende op 16 januari 2026, 12 februari 2026 en 13 februari 2026 nadere stukken ontvangen.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak is meegezonden.
1.9.
Op 26 februari 2026 is een verzoek van belanghebbende ontvangen om het onderzoek te heropenen, met als toelichting dat een bepaald stuk van hem niet expliciet aan de orde is gekomen tijdens het onderzoek ter zitting. Bij dit verzoek is een aantal bijlagen gevoegd (onder meer uitsluitend per e-mail verstuurde berichten en betalingsbewijzen inzake griffierecht).
2Feiten
2.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:
“Inzake AMS 22/729 ( [straat 1] 280-2)
7. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 88 m². (…)
Inzake AMS 22/6095 ( [straat 2] 87-b2 en 87-b3)
12. Het gaat hier om twee bovenwoningen uit 1883 met elk een oppervlakte van 71 m² en een berging.
(…)
Inzake AMS 22/6097 ( [straat 4] 39-1)
18. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 40 m².
(…)
Inzake AMS 22/6099 ( [straat 6] 193-a) en AMS 22/6100 ( [straat 6] 193-b en 193-c)
22. De woningen betreffen drie karakteristiek historische bovenwoningen uit 1899 met een oppervlakte van 79 m² en een berging.
(…)
Inzake AMS 22/6101 ( [straat 7] 180-1)
26. De woning van [belanghebbende] is een karakteristieke historische bovenwoning uit 1765 met een oppervlakte van 128 m² en een dakterras van 4 m².
(…)
Inzake AMS 22/6103 ( [straat 9] 2-1, 2-2, 4-1, 4-2 en 4-3)
31. De woningen betreffen vijf bovenwoningen uit 1894. De onroerende zaken [straat 9] 2-1 en 2-2 hebben een oppervlakte van 63 m² en [straat 9] 4-1, 4-2 en 4-3 van respectievelijk 48, 46 en 43 m².
(…)
[straat 10] 60 (AMS 22/6104)
34. De woning van [belanghebbende] is een etagewoning in een herenhuis uit 1885 met een oppervlakte van 218 m², een tuin van 171 m² en een berging.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt hier nog het volgende aan toe.
2.3.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is door de heffingsambtenaar ontvangen op 15 maart 2021. In dit bezwaarschrift is onder meer het volgende vermeld:
“Betreft: WOZ/OZB 2021 én uitdrukkelijk ook alle andere aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook. (…)
Hierdoor wordt namens opdrachtgever c.q. belanghebbende de iure tijdig (aanvullend) bezwaar aangetekend tegen het in kopie bijgevoegde (aanslag-/beschikkings)biljet met het nummer [#] (…). (…).”
Het bezwaarschrift bevat (in algemene termen gestelde) klachten die betrekking hebben op de vastgestelde WOZ-waarden. Het woord ‘rioolheffing’ of ‘opbrengstlimiet’ komt niet in het bezwaarschrift voor.
3Geschil in hoger beroep
In geschil zijn de WOZ-waarden van de objecten zoals genoemd in 1.1, met uitzondering van de objecten [straat 5] 31-1, [straat 8] 60-1A, [straat 1] 280-3 en [straat 3] 6.
Voorts is in geschil of de rechtbank een te lage bezwaarkostenvergoeding en ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade heeft toegekend.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil – voor zover in hoger beroep van belang –
als volgt overwogen en beslist:
“Beroepsgronden in standaardbrieven
2. In het door de gemachtigde van [belanghebbende] opgestelde beroepschrift, de latere brieven en een ‘pinpointbrief’ van 29 november 2023 staan een veelheid aan algemeen geformuleerde en niet of nauwelijks onderbouwde stellingen en klachten, waarvan onvoldoende duidelijk is of deze op de onderhavige zaken betrekking hebben en zo ja, welke. De rechtbank zal deze standaardteksten daarom niet bespreken.De gemachtigde van [belanghebbende] heeft op de zitting wel standpunten ingenomen die specifiek op de onroerende zaken betrekking hebben en de rechtbank zal die wel beoordelen. Daarbij bewaakt de rechtbank de goede procesorde, waarbij de beoordeling van standpunten achterwege blijft als de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen, onvoldoende heeft kunnen voorbereiden.
Oproepen derde-belanghebbende
3. [ Belanghebbende] voert aan dat de rechtbank ten onrechte de huurder dan wel gebruiker van de objecten niet in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Met deze stelling, wat daar verder van zij, is niet het belang van [belanghebbende] gediend, maar de belangen van die eventuele derde-partij. De rechtbank verwerpt deze klacht, reeds omdat hij niet is onderbouwd.
De WOZ-waarde
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De vast te stellen waarde is de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde per de waardepeildatum 1 januari 2020 niet hoger is dan de waarde in het economisch verkeer.
Inzake AMS 22/6098 ( [straat 5] 31-1) en AMS 22/6102 ( [straat 8] 60-1a)
5. De heffingsambtenaar heeft in beroep de waarde van de onroerende zaken [straat 5] 31-1 en [straat 8] 60-1a verlaagd van respectievelijk € 888.000,- naar € 763.000,- en van € 468.000,- naar € 418.000,-.
[Belanghebbende] kan zich met de in beroep verlaagde waardes verenigen en verzoekt om gegrondverklaring van het beroep, vergoeding van de immateriële schade en veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten.
Deze verzoeken worden aan het eind van de uitspraak behandeld. De rechtbank zal in het dictum de verlaagde waarde van de onroerende zaken vaststellen en bepalen dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig de verlaagde waarde wordt verminderd.
Inzake AMS 22/6094 ( [straat 1] 280-3) en 22/6096 ( [straat 3] 6)
6. [ Belanghebbende] is eigenaar van de onroerende zaken. Het object [straat 1] 280-3 betreft een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 72 m². Het object [straat 3] 6 betreft een tussenwoning (niet-repeterend) uit 1899 met een oppervlakte van 221 m² met een kelder en een berging.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat een waarde van € 443.000,- voor [straat 1] 280-3 en een waarde van € 1.357.000,- voor [straat 3] 6 niet te hoog is en heeft ter onderbouwing voor elk object een taxatierapport overgelegd.
[Belanghebbende] heeft op zitting te kennen gegeven dat hij zich in de vastgestelde waardes kan vinden. De rechtbank volgt partijen daarin. De beroepen zijn ongegrond.
Inzake AMS 22/729 ( [straat 1] 280-2)
7. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 88 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [belanghebbende] vindt dat de op € 523.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 499.000,-.
8. Om de waarde te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een waarderingsmatrix en overige taxatiestukken overgelegd, en daarop ter zitting een toelichting gegeven. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen aan de [straat 1] (de vergelijkingsobjecten), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging en gebruikersoppervlakte van de woning en overige verschillen tussen de bovenwoning en de vergelijkingsobjecten. De (naar kwaliteit, onderhoud en ligging gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 7.784,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 6.592,-) die voor de waarde van de bovenwoning in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woning en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
9. [ Belanghebbende] stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut. De rechtbank volgt dit niet. Nog afgezien van het feit dat [belanghebbende] zijn stelling niet heeft onderbouwd, heeft de woning een enigszins grotere oppervlakte dan de vergelijkingsobjecten. Met dit verschil en met het afnemend grensnut is rekening gehouden door voor de woning uit te gaan van een lagere m²-prijs dan bij de vergelijkingsobjecten. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Met wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet meer dan € 499.000,-bedraagt. [Belanghebbende] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze waarde is opgebouwd, of met welke bedragen de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde voor het verschil in secundaire (object)kenmerken tussen de vergelijkingsobjecten en de woning zou moeten worden gecorrigeerd. De verwijzing door [belanghebbende] naar een artikel in [bedrijf] van 2021 over de invloed van de coronacrisis op huurprijzen in de horeca leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds omdat in het onderhavige geval sprake is van de waardering van een woning.
11. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning [straat 1] 280-2 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6095 ( [straat 2] 87-b2 en 87-b3)
12. Het gaat hier om twee bovenwoningen uit 1883 met elk een oppervlakte van 71 m² en een berging. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woningen. [Belanghebbende] vindt dat de op € 485.000,- (voor [straat 2] 87-b2) respectievelijk € 487.000,- (voor [straat 2] 87-b3) vastgestelde WOZ-waarde te hoog is.
13. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van beide onroerende zaken niet te hoog is vastgesteld. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen in de [straat 2] en de nabij de woning gelegen [straat 11] (de vergelijkingsobjecten), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging van de woningen en overige verschillen tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten. De (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 7.422,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 7.082,- voor [straat 2] 87-b2 en € 7.103,- voor [straat 2] 87-b3) die voor de waarde van de woningen in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
14. [ Belanghebbende] heeft ter zitting aangevoerd dat in de matrix onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat de vergelijkingsobjecten een dakterras en/of een berging hebben en de woning niet. Een dakterras is goud waard in [Z] .De heffingsambtenaar voert aan dat het in de matrix genoemde standaardbedrag van € 500,- per m² voor een dakterras gebaseerd is op de permanente marktanalyse (PMA). In ieder geval zijn hem geen marktgegevens bekend op grond waarvan deze schatting van de waarde van dakterrassen voor onjuist moet worden gehouden.
15. De rechtbank stemt in met deze toelichting van de heffingsambtenaar en vindt dat de heffingsambtenaar in voldoende mate rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de woning geen dakterras heeft en twee van de drie vergelijkingsobjecten wel. De schatting van de waarde van een dakterras op een vast bedrag van € 500,- per m² acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt, mede gelet op de geringe gebruikswaarde ervan.
Verder onderschrijft de rechtbank de opvatting van de heffïngsambtenaar dat een balkon of dakterras een onderdeel is van een woning en geen afzonderlijke marktwaarde heeft. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in redelijkheid kan uitgaan van een vaste waarde voor woningonderdelen als(dak)terrassen, tuinen, parkeerplaatsen en bergingen als hulpmiddel bij de waardering van de woning als geheel. Bij het beoordelen van de juistheid van de WOZ-waarde gaat het immers niet over de vraag of de samenstellende onderdelen van een vergelijkingsobject op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Relevant is slechts de waarde van het object als geheel [voetnoot: Zie de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2020, rechtsoverweging 5.11.3 (ECLI:NL:GHAMS:2020:147) en 28 november 2023, rechtsoverweging 5.8 en 5.9 (ECLI:NL:GHAMS:2023:3540)]. Deze beroepsgrond slaagt niet.
16. Ter zitting heeft [belanghebbende] aangevoerd dat hij de indexering niet kan volgen.
De heffingsambtenaar heeft op de zitting verklaard dat hij bij de indexering uitgaat van de datum van de koopovereenkomst, dus de datum wanneer de koop tot stand is gekomen. Dit blijkt ook uit het intern waarde-advies bij het verweerschrift. De taxateur heeft verder toegelicht dat de indexeringscijfers ook uit de matrix te herleiden zijn. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de indexering van de vergelijkingsobjecten en de toelichting daarop voldoende heeft onderbouwd en inzichtelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft uitvoerig toegelicht dat de indexering tot stand is gekomen met behulp van de resultaten uit de PMA. De marktanalyse wordt gemaakt op basis van verkoopcijfers binnen de gemeente, uitgesplitst naar buurt en soort object. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de toegepaste indexering van de vergelijkingsobjecten onjuist is. [Belanghebbende] heeft nagelaten om de toelichting van de heffingsambtenaar op de gehanteerde indexering gemotiveerd te betwisten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
17. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaken [straat 2] 87-b2 en [straat 2] 87-b3 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6097 ( [straat 4] 39-1)
18. De woning van [belanghebbende] is een bovenwoning uit 1894 met een oppervlakte van 40 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [belanghebbende] vindt dat de op € 295.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 249.000,-.
19. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te laag is vastgesteld. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen die zijn gelegen in de [plaats] (de vergelijkingsobjecten), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging en gebruikersoppervlakte van de woning en overige verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 7.165,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 6.895,-) die voor de waarde van de bovenwoning in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woning en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
20. Met wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet meer dan € 249.000,- bedraagt. [Belanghebbende] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze waarde is opgebouwd, of met welke bedragen de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde voor het verschil in secundaire (object)kenmerken tussen de vergelijkingsobjecten en de woning zou moeten worden gecorrigeerd.
21. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6099 ( [straat 6] 193-a) en AMS 22/6100 ( [straat 6] 193-b en 193-c)
22. De woningen betreffen drie karakteristiek historische bovenwoningen uit 1899 met een oppervlakte van 79 m² en een berging. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woningen. [Belanghebbende] vindt dat de vastgestelde WOZ-waarde voor de woningen (€ 523.000,-) te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde voor alle woningen vastgesteld moet worden op € 479.000,-.
23. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices (met bijlagen, waaronder foto’s) en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de bovenwoningen niet te hoog is vastgesteld. Uit de matrices blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met andere bovenwoningen (vergelijkingsobjecten) waarvan marktgegevens beschikbaar zijn en die ook in het centrum zijn gelegen. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging van de woningen en overige verschillen tussen de bovenwoningen en de vergelijkingsobjecten. De gemiddelde (gecorrigeerde) m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 6.533,-) is iets hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs die voor de waarde van de bovenwoningen (€ 6.530,-) in aanmerking is genomen.
24. [ Belanghebbende] heeft ter zake de indexering van de vergelijkende transactiegegevens naar de waardepeildatum 1 januari 2020 aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat de PMA een prijsdaling in de markt noteert aan het begin van 2020.De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de PMA transactiegegevens bevat per soort object en per buurt. De rechtbank is met de heffingsambtenaar van oordeel dat deze nauwkeurige registratie tot lokale en tijdelijke verschillen kan leiden ten opzichte van de algehele trend. De geringe verschillen die dit oplevert zijn niet zodanig dat de indexering niet langer bruikbaar is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
25. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woningen [straat 6] 193-a, 193-b en 193-c niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6101 ( [straat 7] 180-1)
26. De woning van [belanghebbende] is een karakteristieke historische bovenwoning uit 1765 met een oppervlakte van 128 m² en een dakterras van 4 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [Belanghebbende] vindt dat de op € 935.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 849.000,-.
27. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, de overige taxatiestukken en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te laag is vastgesteld. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen die zijn gelegen in het centrum van [Z] ( [straat 12] 90 D, [straat 13] 94 A en [straat 14] 294 F), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging en gebruikersoppervlakte van de woning en overige verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 6.807,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 6.198,-) die voor de waarde van de bovenwoning in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele overige kleine correcties. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woning en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is.
28. Ook in deze zaak betwist [belanghebbende] de indexering van twee verkoopcijfers naar de waardepeildatum 1 januari 2020. Dit betreft dezelfde klacht als hierboven genoemd onder 24. De rechtbank oordeelt in deze zaak overeenkomstig overweging 24.
29. Met wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet meer dan € 849.000,- bedraagt. [belanghebbende] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze waarde is opgebouwd, of met welke bedragen de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde voor het verschil in secundaire (object)kenmerken tussen de vergelijkingsobjecten en de woning zou moeten worden gecorrigeerd.
30. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Inzake AMS 22/6103 ( [straat 9] 2-1, 2-2, 4-1, 4-2 en 4-3)
31. De woningen betreffen vijf bovenwoningen uit 1894. De onroerende zaken [straat 9] 2-1 en 2-2 hebben een oppervlakte van 63 m² en [straat 9] 4-1, 4-2 en 4-3 van respectievelijk 48, 46 en 43 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woningen. [Belanghebbende] vindt dat de vastgestelde WOZ-waarde voor de woningen te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde voor de woningen aan de [straat 9] 2-1 en 2-2 vastgesteld moeten worden op € 379.000,- en die aan de [straat 9] 4-1,4-2 en 4-3 op € 299.000,-, € 289.000,- respectievelijk € 279.000,-.
32. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices (met bijlagen, waaronder foto’s) en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de bovenwoningen niet te hoog is vastgesteld. Uit de matrices blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met andere bovenwoningen (vergelijkingsobjecten) waarvan marktgegevens beschikbaar zijn en die ook in [Z] -Oost ( [plaats] ) zijn gelegen. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging van de woningen en de overige verschillen tussen de bovenwoningen en de vergelijkingsobjecten. De gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten is ongeveer € 400,- hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs die voor de waarde van de bovenwoningen in aanmerking is genomen.
33. De stelling van [belanghebbende] dat de heffingsambtenaar het dakterras bij vergelijkingsobject 1 veel te laag heeft gewaardeerd slaagt niet. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 14. en 15. en oordeelt in deze zaak overeenkomstig.
Het beroep is ongegrond.
[straat 10] 60 (AMS 22/6104)
34. De woning van [belanghebbende] is een etagewoning in een herenhuis uit 1885 met een oppervlakte van 218 m², een tuin van 171 m² en een berging. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. [Belanghebbende] vindt dat de op € 2.111.000,- vastgestelde WOZ-waarde voor de woning te hoog is. [Belanghebbende] vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 2.011.000,-.
35. Ter onderbouwing van de waarde heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de verkoop van de woning zelf op 19 maart 2020, dus vlakbij de waardepeildatum 1 januari 2020, voor een bedrag van € 2.212.500,-. Gecorrigeerd voor het aandeel van de woning in de reserve van de Vereniging van eigenaren en vervolgens voor indexering van de verkoopprijs naar de waardepeildatum, is de waarde van de woning € 2.180.000,-. Een WOZ-waarde van € 2.111.000,- is dus niet te hoog.
36. [ Belanghebbende] is het ermee eens dat in deze zaak het eigen verkoopcijfer uitgangspunt voor de WOZ-waarde is, maar voert aan dat blijkens de transportakte in de verkoop van de woning is inbegrepen het lidmaatschapsrecht van de vereniging die eigenaar is van een terrein met parkeerplaatsen. Hij schat de waarde van dit lidmaatschapsrecht en dus het gebruik van een parkeerplaats op dit terrein op € 100.000,-. Dit is een recht dat bij de vaststelling van de waarde op grond van artikel 17, tweede lid, van de wet WOZ buiten beschouwing moet blijven en de verkoopprijs moet daarmee worden gecorrigeerd. Volgens de heffingsambtenaar is de waarde van een parkeerplaats hooguit € 70.000,-.
37. De rechtbank is met [belanghebbende] van oordeel dat de waarde van een lidmaatschapsrecht in een vereniging dan wel een beperkt recht op een niet bij het object behorende parkeerplaats buiten de waardevaststelling van de woning moet blijven. [Belanghebbende] heeft echter de waarde van deze parkeerplaats niet onderbouwd, zodat het door hem genoemde bedrag van € 100.000,- niet als vaststaand kan worden aangenomen. Gelet op de omstandigheid dat tussen de gecorrigeerde verkoopprijs van € 2.180.000,- en de vastgestelde WOZ-waarde van € 2.111.000,- een marge van € 69.000,- zit, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld, ook als rekening wordt gehouden met een afdoende correctie voor het lidmaatschapsrecht.
38. [ Belanghebbende] heeft de waardevaststelling door de heffingsambtenaar voor het overige niet bestreden. Het beroep is ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
39. [ Belanghebbende] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van een zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
40. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden [voetnoot: Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252]. De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn te verlengen. Hiervoor is van belang dat de rechtbank op 17 maart 2022 een beroep op betalingsonmacht griffierecht van de gemachtigde Bartels heeft ontvangen. Bij een dergelijk verzoek moeten de gegevens over het inkomen en vermogen van een belanghebbende worden overgelegd, maar omdat dit niet was gedaan is Bartels in staat gesteld het verzoek aan te vullen. Bartels heeft vervolgens niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om gegevens over het inkomen en vermogen over te leggen. Het griffierecht is uiteindelijk op 3 maart 2023 betaald. Hierdoor is een vertraging in de procedure ontstaan van afgerond twaalf maanden. Zolang het griffierecht niet is voldaan, ligt de procedure namelijk stil, zoals Bartels bekend is. Deze vertraging is aan Bartels toe te rekenen. De rechtbank ziet een bijzondere omstandigheid in het feit dat sprake is van een kansloos beroep op betalingsonmacht dat louter leidt tot een nodeloze vertraging [voetnoot: Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562 en de RBGEL van 31 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4950]. De redelijke termijn wordt daarom verlengd met twaalf maanden. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar op 15 maart 2021 ontvangen, zodat de redelijke termijn loopt van 15 maart 2021 tot 15 maart 2024. De (verlengde) redelijke termijn van drie jaar is bij het doen van deze uitspraak nog niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Proceskosten en griffierecht
41. De rechtbank zal het beroep in de zaken AMS 22/6098 en AMS 22/6102 gegrond verklaren en in verband daarmee de heffingsambtenaar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien beide zaken vanwege hun samenhang gezamenlijk zijn behandeld, wordt in het kader van de proceskosten eenmaal een vergoeding toegekend. De rechtbank weegt mee dat het gaat om dezelfde eiser en dezelfde gemachtigde in beide zaken, en dat het gaat om één gecombineerd aanslagbiljet, één uitspraak op bezwaar en één beroepschrift. Zowel het bezwaar als het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden is gezamenlijk behandeld. De werkzaamheden van de gemachtigde zijn nagenoeg gelijk in beide zaken, te weten het indienen van standaardstukken en een korte mondelinge aanvulling daarvan op een (hoor)zitting.
42. De rechtbank berekent de proceskostenvergoeding op een bedrag van € 1.185,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaken). De wegingsfactor is op 0,5 vastgesteld omdat de bewerkelijkheid en de complexiteit van het bezwaar en het beroep inzake de WOZ-waarde van de woningen, en de daarmee verband houdende werkbelasting voor de gemachtigde, gering zijn geweest.
Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
43. De heffingsambtenaar moet aan [belanghebbende] het in deze twee zaken betaalde griffierecht van in totaal € 100,- (2 x € 50,-) vergoeden.
44. In de overige zaken is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een vergoeding van proceskosten of het griffierecht afgewezen.”
5Beoordeling van het geschil
Verzoek heropening onderzoek
5.1.
Het Hof ziet geen reden het onderzoek te heropenen. Belanghebbende heeft ter zitting in twee termijnen alle kansen gekregen om naar voren te brengen wat hij wilde. Het Hof heeft verder kennisgenomen van alle stukken die per post dan wel via Mijn Rechtspraak van partijen zijn ontvangen. Het onderzoek is volledig geweest.
Omvang geschil in hoger beroep
5.2.
Belanghebbende heeft in zijn nader stuk dat op 28 november 2025 is ingekomen bij het Hof een beroep gedaan op overschrijding van de opbrengstlimiet voor wat betreft de rioolheffing 2021. Het is met dat stuk in deze procedure voor het eerst dat belanghebbende opmerkingen maakt over rioolheffing of over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij heffingen zoals de rioolheffing.
5.3.
In deze procedure is geen plaats voor de beoordeling van een klacht over aanslagen rioolheffing voor de objecten die in hetzelfde geschrift als de WOZ-beschikking en de aanslag OZB zijn bekendgemaakt. De rechtbank heeft immers geen uitspraak gedaan op een beroep daarover. En overigens gaan de uitspraak op bezwaar en het bezwaarschrift evenmin over aanslagen rioolheffing. Een bezwaarschrift waarin blijkens de onderwerpaanduiding wordt opgekomen tegen de WOZ-waarden en de aanslagen OZB en dat uitsluitend gronden bevat die op de WOZ-waarden van de onroerende zaken zien, richt zich uitsluitend tegen die WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. Het heeft ook niet van rechtswege betrekking op andere belastingaanslagen die zijn verenigd in één geschrift met de WOZ-beschikkingen. Een en ander wordt niet anders door in zo een bezwaarschrift onder ‘betreft’ na de vermelding van “WOZ/OZB 2021” de zinsnede “en uitdrukkelijk ook alle andere aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook” (zie 2.3) op te nemen. De voor het jaar 2021 opgelegde aanslagen rioolheffing eigenaren zijn immers niet gerelateerd aan de WOZ-waarden (noch aan de aanslagen OZB); de heffingsmaatstaf van deze rioolheffing is op grond van de Verordening Rioolheffing 2021 van de gemeente Amsterdam gesteld op een vast bedrag per perceel.
Wijze van procederen
5.4.
De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde die zeer veel procedeert mag worden verwacht en verlangd, dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt, ook in de onderhavige zaken, is dat de gemachtigde de wederpartij en de rechter in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten. Daartussen bevinden zich dan soms – meestal niet onderbouwde – opmerkingen die wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend voor een gegrondverklaring van het rechtsmiddel. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die argumenten op gedegen wijze verweer te voeren. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van de gemachtigde voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht.
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ
5.5.
De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar in de onderhavige zaken de verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen wordt verworpen, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een voldoende concreet verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde WOZ-waarden. Voor zover belanghebbende met zijn verzoek doelt op iWOZ-rapportages overweegt het Hof als volgt. Voor de heffingsambtenaar is op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ in dit geding geen verplichting om de door belanghebbenden gevraagde iWOZ-rapportages in te brengen, aangezien de heffingsambtenaar onbetwist heeft gesteld dat dergelijke iWOZ-rapportages niet ten grondslag hebben gelegen aan de voor de onroerende zaken vastgestelde WOZ-waarden. Overigens heeft de heffingsambtenaar tijdens de procedure in eerste aanleg voor elk object een taxatierapport (‘Intern waarde-advies’) overgelegd en heeft de taxateur daarin in een aantal taxatierapporten ook gegevens opgenomen (met bronvermelding) die zijn gebaseerd op iWOZ-rapportages. Voor zover de heffingsambtenaar zich bij zijn nadere onderbouwing van de vastgestelde waarden in (hoger) beroep heeft gebaseerd op gegevens ontleend aan iWOZ-rapportages, heeft hij deze gegevens derhalve verstrekt.
WOZ-waarden
5.6.
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank over de vastgestelde WOZ-waarden en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverweging 7 tot en met 38) tot de zijne. Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbende hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarden van de objecten niet te hoog heeft vastgesteld.
5.7.
Met betrekking tot het object [straat 10] 60 overweegt het Hof nog als volgt. Belanghebbende heeft in hoger beroep eerst ter zitting zijn stelling geconcretiseerd dat de WOZ-waarde van dit object te hoog is vastgesteld. Hij heeft erop gewezen dat de heffingsambtenaar bij de herrekening van de gerealiseerde verkoopprijs naar de waarde op de waardepeildatum is uitgegaan van een onjuiste datum van de koopovereenkomst (19 maart 2020 in plaats van 16 januari 2020), onder verwijzing naar de leveringsakte die bij het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport is gevoegd. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de rechtbank in rechtsoverweging 37 van haar uitspraak is uitgegaan van een te lage correctie van de gerealiseerde verkoopprijs voor het bij de koopprijs inbegrepen lidmaatschapsrecht van de Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE), die eigenaar is van een terrein met parkeerplaatsen. Volgens belanghebbende dient deze correctie minimaal € 100.000 te bedragen, gelet op de in de in het taxatierapport opgenomen iWOZ-gegevens, waarin € 125.000 is vermeld als vraagprijs voor een parkeerplaats in de garage. Belanghebbende heeft hierbij opgemerkt dat hij dit standpunt ook reeds ter zitting in eerste aanleg heeft ingenomen. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat belanghebbende hiermee in strijd met een goede procesorde handelt, door in zijn processtukken te volstaan met niet op de zaak betrekking hebbende standaardgrieven en pas ter zitting in hoger beroep zijn standpunt te concretiseren. Voorts heeft hij het standpunt ingenomen dat hij de WOZ-waarde van dit object niet te hoog heeft vastgesteld en dat hij het oordeel hierover van de rechtbank onderschrijft.
5.8.
Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de koopovereenkomst van het object slechts twee weken in plaats van drieënhalve maand na de waardepeildatum tot stand is gekomen, tot gevolg heeft dat de heffingsambtenaar, zoals hij ter zitting ook heeft gesteld, een te hoge correctie in aanmerking heeft genomen voor de waardeontwikkeling (in een stijgende markt) na waardepeildatum. De op 16 januari 2020 gerealiseerde verkoopprijs bedraagt, na correctie voor het in de verkoopprijs begrepen bedrag voor het aandeel in de VvE-reserve, € 2.203.638; de WOZ-waarde (naar de waardepeildatum 1 januari 2020) is vastgesteld op € 2.111.000. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, ook in aanmerking genomen het in de verkoopprijs begrepen lidmaatschapsrecht. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende het door hem gestelde bedrag voor het in de verkoopprijs begrepen lidmaatschapsrecht niet nader heeft geconcretiseerd en heeft volstaan met een verwijzing – voor het eerst ter zitting in hoger beroep – naar de in de iWOZ-gegevens vermelde vraagprijs voor een (optioneel) aan te kopen parkeerplaats. Het betreft hier een vraagprijs en de daaraan te ontlenen informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een hoger correctiebedrag voor het in de gerealiseerde verkoopprijs begrepen lidmaatschapsrecht dan reeds in de vastgestelde WOZ-waarde tot uitdrukking is gekomen. Hetgeen belanghebbende op dit punt overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Vergoeding van immateriële schade
5.9.
De rechtbank heeft de overschrijding van de redelijke termijn verlengd met twaalf maanden vanwege de bijzondere omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende wegens het indienen van een beroep op betalingsonmacht de procedure in eerste aanleg nodeloos heeft vertraagd. Belanghebbende bestrijdt dit oordeel.
5.10.
Het Hof ziet, mede gelet op de overige omstandigheden van het onderhavige geval, in het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op betalingsonmacht griffierecht onvoldoende aanleiding tot verlenging van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in bezwaar en beroep. Dat de gemachtigde van belanghebbende ondanks het verzoek daarom van de rechtbank heeft verzuimd het beroep op betalingsonmacht aan te vullen met de juiste bescheiden, maakt het voorgaande niet anders. Uit het dossier van de rechtbank valt ook voor het overige niet op te maken dat het alleen aan de handelwijze van de gemachtigde van belanghebbende heeft gelegen dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen langer dan twee jaar hebben geduurd. Gelet op de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (15 maart 2021) en de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan (29 februari 2024) is de redelijke termijn in eerste aanleg met afgerond 12 maanden overschreden. Gelet op het financiële belang van ten minste € 15 en het verzoek dat voor 14 juni 2024 is gedaan, komt aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade toe van € 1.000. Van de termijnoverschrijding zijn afgerond 5 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase (de uitspraak op bezwaar is van 31 januari 2022) en 7 maanden aan de beroepsfase, zodat een bedrag van afgerond € 417 voor rekening komt van de heffingsambtenaar en afgerond € 583 voor rekening van de Staat. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
5.11.
Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep af, aangezien het Hof binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep uitspraak doet.
Vergoeding griffierecht in eerste aanleg
5.12.
Aangezien het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan en de redelijke termijn is overschreden voorafgaand aan de datum van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, is het in dat arrest (in r.o. 7.1.2) opgenomen overgangsrecht van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat had moeten gelasten om de door belanghebbende betaalde griffierechten aan hem te vergoeden, voor zover de rechtbank de heffingsambtenaar niet reeds (in de zaken AMS 22/6098 en 22/6102) heeft veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
5.13.
Belanghebbende heeft in beroep in totaal twaalfmaal € 50 griffierecht betaald. Een bedrag ter grootte van € 100 is reeds door de heffingsambtenaar vergoed, waardoor nog een bedrag van € 500 aan te vergoeden griffierechten resteert. Het Hof zal de heffingsambtenaar en de Staat gelasten, ieder voor de helft, dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden.
Kostenvergoeding bezwaar
5.14.
De grief van belanghebbende dat de rechtbank een onjuiste puntwaarde heeft toegepast bij de door haar toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase, te weten € 310, slaagt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (r.o. 5.8.1 en 5.8.2) dient punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) buiten toepassing te blijven. De uitspraak van de rechtbank kan in zoverre niet in stand blijven. Het Hof stelt de op grond van artikel 7:15 Awb en het Besluit toe te kennen kostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 punten (proceshandelingen) x € 666 (waarde per punt) x 0,5 (wegingsfactor) = € 666. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel, op de in rechtsoverweging 41 van de rechtbankuitspraak weergegeven gronden (welke gronden het Hof tot de zijne maakt), dat voor de toe te kennen kostenvergoeding sprake is van één zaak.
Slotsom
5.15.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep gegrond voor zover het betreft de door de rechtbank toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de beslissing van de rechtbank om het verzoek om vergoeding van immateriële schade af te wijzen. Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan weergegeven onder 7.
6Kosten
Aangezien het hoger beroep gegrond is met betrekking tot de toe te kennen vergoedingen van bezwaarkosten en immateriële schade, zal zowel de heffingsambtenaar als de Staat worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep, ieder voor de helft. In hoger beroep is voor de toepassing van het Besluit sprake van één zaak (evenals in beroep, waarin de rechtbank de proceskostenvergoeding waartoe de heffingsambtenaar reeds is veroordeeld, juist heeft berekend). De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt het Hof vast op: 2 punten (proceshandelingen) x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (wegingsfactor) x 0,10 (vermenigvuldigingsfactor artikel 30a, lid 2, Wet WOZ) = € 93,40. Hierbij neemt het Hof wat betreft de toegepaste vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
7Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de toegekende kostenvergoeding voor bezwaar alsmede de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 417;
- veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 583;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar van belanghebbende tot een bedrag van € 666;
- veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat in de kosten van het hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van ieder € 46,70, en
- draagt de heffingsambtenaar en de Staat op het betaalde griffierecht in beroep, voor zover niet reeds vergoed door de heffingsambtenaar (€ 500) en in hoger beroep (€ 138) te vergoeden, ieder voor de helft (€ 319).
De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, N. Djebali en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: