Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2434
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Voldoen met een parkeerapp. Indien de gemeente voldoening van parkeerbelasting met een parkeerapplicatie op de mobiele telefoon toestaat, dan dient zij ervoor zorg te dragen dat de correcte informatie wordt verstrekt over de geldende tarieven en parkeerzones. De parkeerder mag van de juistheid daarvan uitgaan. Op hem rust wel een onderzoeksplicht; de parkeerder dient na te gaan of de plek waarvoor hij het parkeren in de app aanmeldt overeenkomt met de plek waar hij daadwerkelijk parkeert. Doet hij dat niet en meldt hij het parkeren aan voor een parkeerzone die de parkeerapplicatie weliswaar voorstelt, maar die door een onnauwkeurigheid in de GPS-locatiebepaling van zijn mobiele telefoon niet de juiste is, dan dient dat voor zijn rekening te komen. Heeft de parkeerder door die fout te weinig parkeerbelasting voldaan, dan mag de heffingsambtenaar dat tekort naheffen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2020:1014 Hoge Raad 05-06-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1014 Hoge Raad 05-06-2020
- ECLI:NL:HR:2024:1535 Hoge Raad 25-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.644 tekens)
kenmerk 25/1483
25 augustus 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats 2] , de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 25/7 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
de heffingsambtenaar
en
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 81,35 (€ 4,65 parkeerbelasting en € 76,70 kosten) opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag;
geeft verweerder opdracht aan eiser het betaalde griffierecht (€ 51) te vergoeden.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“Op 29 oktober 2024 om 19:36 uur stond de auto van eiser geparkeerd op een parkeerplaats aan de [straat 1] te [plaats 1] binnen de gemeente [plaats 2] . Ter zake van dit parkeren is de naheffingsaanslag opgelegd. In geschil is of dit terecht is.”
2.2.
Het Hof gaat eveneens uit van de hiervoor vermelde feiten.
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“3. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Eiser heeft de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan aan de gemeente waar hij zijn auto had geparkeerd. Een automobilist moet de juiste parkeerzone kiezen als hij gebruik maakt van een betaalapp voor parkeerbelastingen en als hij betaalt aan de verkeerde gemeente of voor een verkeerde parkeerzone, dan komt dat voor zijn risico.
4. De rechtbank overweegt dat een gemeente die parkeerbelasting heft ervoor moet zorgen dat de verplichting om die belasting te betalen voldoende kenbaar is, en dat er voldoende mogelijkheden zoals goed functionerende parkeerautomaten zijn om de verschuldigde belasting te voldoen. Een van de betaalmogelijkheden waarvan de automobilist gebruik kan maken is de parkeerapp op zijn mobiele telefoon. Verschillende markpartijen adverteren met het gemak van hun betaaldienst: ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat, na het parkeren met één druk op de knop direct naar je bestemming, nooit meer te veel betalen want je betaalt alleen voor de werkelijke parkeertijd.’ Op de automobilist rust een onderzoekplicht naar de plaatselijke regels omtrent parkeren, en hij is gehouden de parkeerbelasting te voldoen met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. Een slecht GPS-signaal kan bij de gebruiker van een parkeerapp de verkeerde indruk wekken dat hij zich in een andere gemeente of tariefzone bevindt. Verweerder stelt dat het voor rekening en risico van de automobilist komt als hij met de betaalapp aan de verkeerde gemeente of voor een verkeerde zone parkeerbelasting voldoet. De vraag rijst of deze verdeling van risico’s en verantwoordelijkheden correct is. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van verweerder juist als vaststaat dat de informatie die de parkeerapp aan de automobilist verschaft betrouwbaar is. Is die informatie niet betrouwbaar, dan horen de gevolgen daarvan - zoals het betalen voor een verkeerde zone of aan een verkeerde gemeente - voor rekening van de gemeente te komen (zie ook HR 5 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1014).
5. Tijdens het onderzoek op de zitting is geen informatie bekend geworden op basis waarvan de betrouwbaarheid van een parkeerapp objectief kan worden vastgesteld. Dit in contrast met andere elektronische apparatuur die wordt gebruikt om de plichten van burgers vast te stellen zoals de snelheidsradar of het ademanalyseapparaat waarvoor ijkrapporten zijn voorgeschreven. Er bestaan belangrijke verschillen tussen advertentieteksten van parkeerapps en het verweerschrift. Volgens de advertentieteksten hoeft men ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat,’ terwijl de automobilist volgens het verweerschrift ‘altijd moet controleren of de parkeerzone waar hij parkeert overeenkomt met de parkeerzone die verschijnt in de parkeerapp.’ Tijdens het onderzoek op de zitting is niet bekend geworden of door of namens de gemeente (kwaliteits-) eisen zijn geformuleerd waaraan de parkeerapps en de uitingen van aanbieders van parkeerapps moeten voldoen, en hoe die eventueel luiden.
6. Daar komt bij dat op de dag van de zitting nog zes vergelijkbare zaken zijn behandeld. In drie van deze zeven vergelijkbare zaken is parkeerbelasting betaald in [plaats 2] terwijl de parkeeractie in [plaats 3] plaatsvond, en in vier gevallen was het andersom: betalen in [plaats 3] voor parkeren in [plaats 2] . Deze zeven automobilisten hebben met elkaar gemeen dat zij allemaal parkeerbelasting hebben voldaan. Kennelijk komt het regelmatig voor dat een gezagsgetrouwe automobilist via de parkeerapp in de verkeerde gemeente belasting voldoet. Deze verdeling van drie om vier geeft niet het beeld dat een van deze aangrenzende gemeenten daardoor in betekenende mate in een financieel belang wordt getroffen.
7. In dit geval is niet vast te stellen of de gebruikte parkeerapp juiste en betrouwbare informatie heeft verschaft. Evenmin is vast te stellen of verweerder voldoende zorgvuldigheid heeft betracht door (kwaliteits-) eisen op te leggen aan de aanbieders van parkeerapps. Onder deze omstandigheden is het niet correct om het risico van een onjuiste betaling van parkeerbelasting bij eiser te leggen. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd, en de overige klachten van eiser behoeven geen behandeling meer.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep
5.1.
Niet in geschil is dat belanghebbende de parkeeractie van de auto heeft aangemeld met behulp van een parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon en dat hij de auto daarbij heeft aangemeld voor een parkeerzone in de gemeente [plaats 3] , terwijl de auto op een fiscale parkeerplaats in de gemeente [plaats 2] geparkeerd stond. Hij heeft de parkeerbelasting verschuldigd voor het parkeren in [plaats 2] niet voldaan.
5.2.
Belanghebbende verklaart dat hij de auto heeft aangemeld in de parkeerzone (in [plaats 3] ) die de parkeerapplicatie van [bedrijf] automatisch suggereerde. Achteraf is echter gebleken dat de parkeerapplicatie niet de juiste parkeerzone had gesuggereerd met het niet-voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting in [plaats 2] als gevolg. Belanghebbende betoogt dat onvoldoende duidelijk is in welke parkeerzone (van welke gemeente) hij zich bevond en meent dat de selectie van de onjuiste parkeerzone vermoedelijk is veroorzaakt door een fout in de parkeerapplicatie die niet voor zijn rekening, maar voor rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. De rechtbank heeft hem hierin gevolgd. Daarnaast verklaart belanghebbende dat hij geen opzet had om geen parkeerbelasting te voldoen, maar juist wilde betalen. Ten slotte meent belanghebbende dat de heffingsambtenaar niet bij hem moet zijn, maar het door hem aan de gemeente [plaats 3] betaalde bedrag bij deze laatste dient te innen. Hij wijst er daarbij op dat beide gemeenten op belastinggebied worden vertegenwoordigd door hetzelfde samenwerkingsverband: gemeentebelastingen [plaats 4] Zuid.
5.3.
De heffingsambtenaar betoogt dat het selecteren van de onjuiste locatie niet voor zijn rekening dient te komen. Hij heeft gesteld dat de juiste gegevens omtrent de afbakening van de parkeerzones en de geldende tarieven ten behoeve van de parkeerapplicaties zijn verstrekt. Daarmee heeft hij aan zijn informatieplicht voldaan, aldus de heffingsambtenaar. Op de selectie van de parkeerzone door de parkeerapplicatie heeft hij geen invloed.
5.4.
Het Hof stelt voorop dat, nu zij parkeerders de keuze gaf om parkeerbelasting te voldoen door middel van een parkeerapplicatie, op de gemeente [plaats 2] de verplichting rust de juiste gegevens omtrent de verschuldigde parkeerbelasting voor deze wijze van betaling te verstrekken (vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1014, het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.2-2.4.3). Naar het oordeel van het Hof heeft de gemeente aan deze informatieplicht ook voldaan. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat de juiste zone-indeling en tarieven ten behoeve van de parkeerapplicatie zijn verstrekt. Voorts is gesteld noch gebleken dat deze informatie onjuist is weergegeven in de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende.
5.5.
Anders dan in de casus van het Tilburg-arrest draait het in deze zaak niet om onjuiste informatie over het tarief dat gold op de plek waar geparkeerd werd, maar om een onjuiste zonesuggestie door de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende. De telefoon gaf klaarblijkelijk niet de locatie weer waar de auto geparkeerd was. Het Hof zal zich buigen over de vraag voor wiens rekening dat dient te komen.
5.6.
Over de onjuiste zonesuggestie overweegt het Hof als volgt. Allereerst moet worden bedacht dat de mobiele telefoon slechts (in beginsel) bij het activeren van de parkeerapplicatie de plek van het parkeren weergeeft als deze zich op dat moment in of nabij de auto bevindt. Indien een parkeerder afgaat op de suggestie van een zone waarin hij zich wel, maar de auto zich niet bevindt dient dit naar ’s Hofs oordeel voor rekening van de parkeerder te komen. Ook indien de parkeerapplicatie wordt geactiveerd nabij de auto kan een onjuiste zonesuggestie worden gegeven, bijvoorbeeld door een onnauwkeurigheid in de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Gedacht kan worden aan de kwaliteit van de GPS-antennes van de telefoon, de rekensnelheid van de processor, mogelijkheid tot gebruikmaken van meerdere frequenties voor de GPS signalen (dual-band) en verschillende satellietsystemen (bijvoorbeeld Galileo naast GPS), omgevingsfactoren die het GPS-signaal hinderen (bebouwing) of juist extra plaatsdata geven (wifi- en mobiele netwerken), de gebruikte software en de op de telefoon ingestelde nauwkeurigheid van de plaatsbepaling ten behoeve van de parkeerapplicatie. Het is in dergelijke gevallen echter niet zozeer de werking van de parkeerapplicatie die de onjuiste suggestie veroorzaakt, maar de werking van de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon van de parkeerder die de locatie ten behoeve van de parkeerapplicatie ter beschikking stelt. In dat licht is het door de rechtbank gepercipieerde contrast (zie onderdeel 5 van de rechtbankuitspraak) met elektronische apparatuur die ter beschikking van toezichthouders staat goed te verklaren.
5.7.
Het Hof stelt vast dat de in 5.6 vermelde oorzaken alle omstandigheden zijn waarop de heffingsambtenaar noch de gemeente enige invloed uit kan oefenen. Mede in dat licht rust op dit punt naar het oordeel van het Hof een onderzoeksplicht op belanghebbende. Belanghebbende mag afgaan op de tariefinformatie in de parkeerapplicatie – dat is immers de betaalmethode waarvoor hij gekozen heeft – zonder ook tariefinformatie in de plaatselijke parkeerautomaat en/of op in de omgeving geplaatste borden te raadplegen (vgl. het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.3). Van hem kan echter wel worden gevergd dat hij verifieert of de door zijn mobiele telefoon weergegeven locatie overeenkomt met de fysieke werkelijkheid: de locatie van het parkeren. Doet hij dat niet, dan dienen de gevolgen daarvan voor zijn rekening te komen. Dat betekent dat een belanghebbende, indien hij niet voldoet aan deze onderzoeksplicht, niet aan de gemeente kan tegenwerpen dat hij voor de verkeerde parkeerzone in een andere gemeente parkeerbelasting heeft betaald, ook niet indien hij hierbij afging op een door de parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon op basis van de GPS-locatiebepaling voorgestelde parkeerzone. Dat kan anders zijn indien de onjuiste zonesuggestie is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening van de gemeente dient te komen. Men kan denken aan een onjuist in de parkeerapplicatie weergegeven zonegrens. Dat is hier echter niet het geval.
5.8.
Belanghebbende heeft verklaard dat het voor een parkeerder niet duidelijk is wanneer hij in [plaats 2] staat of in [plaats 3] ; men parkeert bij het strand. Belanghebbende heeft een plattegrond ingebracht die op zijn parkeerapplicatie is weergegeven. Daarop zijn twee afzonderlijke en duidelijk van elkaar te onderscheiden parkeerterreinen zichtbaar: [straat 2] ( [plaats 3] ) en [plaats 2] aan Zee. Alleen al deze weergave stelde belanghebbende naar het oordeel van het Hof voldoende in staat de juiste zone te selecteren, door te verifiëren op welke van deze twee terreinen zijn auto in werkelijkheid geparkeerd stond, ook indien zijn mobiele telefoon hem aanvankelijk een onjuiste zonesuggestie deed. Gelet op het overwogene in 5.7 en nu de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht heeft voldaan (zie 5.4) dient het voor belanghebbendes rekening te komen dat hij onvoldoende aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Dat deze terreinen beide bij het strand gelegen zijn en dat belanghebbende stelt zich op een groot en slecht verlicht parkeerterrein minder goed te kunnen oriënteren, doet niet af aan zijn onderzoeksplicht.
5.9.
De conclusie moet zijn dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd op een plek waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is, zonder deze belasting te voldoen op een wijze bepaald bij de vigerende belastingverordening (de Verordening parkeerbelastingen [plaats 2] 2024-1). Onder de in 5.8 vermelde omstandigheden is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Dat belanghebbende voorts geen opzet had de belasting niet te betalen doet aan het voorgaande niet af. Voor de parkeerbelasting is een verwijt van opzet of schuld van belanghebbende (of zijn goede of kwade trouw) niet van belang (vgl. HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535). Dat belanghebbende wel een bedrag aan een andere gemeente heeft betaald maakt het voorgaande niet anders, ook niet nu beide gemeenten behoren tot het samenwerkingsverband Gemeentebelastingen [plaats 4] Zuid. Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om de belasting op aangifte te voldoen op een bij de belastingverordening voorgeschreven wijze en daartoe behoort niet het via de parkeerapplicatie betalen aan een andere gemeente. Overigens kan van de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof niet worden gevergd dat hij, alvorens een naheffingsaanslag op te leggen, controleert of de parkeerder wellicht in een andere gemeente een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting heeft voldaan.
5.10.
Het Hof voegt overigens toe dat hij de conclusies niet deelt die de rechtbank verbindt aan de omstandigheid dat er meerdere zaken spelen met een vergelijkbaar feitencomplex (zie onderdeel 6 van de rechtbankuitspraak). De parkeeracties van de bedoelde zaken beslaan een periode van ongeveer zes maanden. Gelet op de grootte van beide parkeerterreinen en het aantal parkeeracties dat zich in deze periode aldaar moet hebben voltrokken is dit aantal vergelijkbare zaken naar het oordeel van het Hof te gering om betrouwbare conclusies aan te verbinden.
Slotsom
5.11.
Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond, de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en het beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.
6Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.
7Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en
- verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste raadsheer is deze uitspraak ondertekend door de jongste raadsheer en de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: