Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2429

2026-08-25 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/1466
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1466
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Voldoen met een parkeerapp. Indien de gemeente voldoening van parkeerbelasting met een parkeerapplicatie op de mobiele telefoon toestaat, dan dient zij ervoor zorg te dragen dat de correcte informatie wordt verstrekt over de geldende tarieven en parkeerzones. De parkeerder mag van de juistheid daarvan uitgaan. Op hem rust wel een onderzoeksplicht; de parkeerder dient na te gaan of de plek waarvoor hij het parkeren in de app aanmeldt overeenkomt met de plek waar hij daadwerkelijk parkeert. Doet hij dat niet en meldt hij het parkeren aan voor een parkeerzone die de parkeerapplicatie weliswaar voorstelt, maar die door een onnauwkeurigheid in de GPS-locatiebepaling van zijn mobiele telefoon niet de juiste is, dan dient dat voor zijn rekening te komen. Heeft de parkeerder door die fout te weinig parkeerbelasting voldaan, dan mag de heffingsambtenaar dat tekort naheffen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.661 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1466


25 augustus 2026




uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van




de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats 1] , de heffingsambtenaar,



tegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/7573 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



de heffingsambtenaar



en





[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 81,35 (€ 4,65 parkeerbelasting en € 76,70 kosten) opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):


“De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vernietigt de naheffingsaanslag;


geeft verweerder opdracht aan eiser het betaalde griffierecht (€ 51) te vergoeden.





1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Beide partijen hebben meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen het achterwege laten van een zitting. Hierop heeft het Hof besloten een zitting achterwege te laten, het onderzoek gesloten en partijen bij brief van 10 juli 2026 bericht dat uiterlijk in augustus 2026 schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.







2Feiten


2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:


“1. Op 8 september 2024 om 19:27 uur stond de auto van eiser geparkeerd op een parkeerplaats aan de [straat] te [plaats 1] .”




2.2.
Het Hof gaat eveneens uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt hier het volgende aan toe.



2.3.
Blijkens het tot de gedingstukken behorende betalingsbewijs stond de auto op 8 september 2024 onafgebroken in parkeerzone [#] Zone C (onder de vermelding ‘Parkeren op straat – [plaats 2] ’) aangemeld van 19:00 tot 23:49 en is daarvoor door belanghebbende (via een parkeerapplicatie) € 7,50 aan belasting betaald.






3Geschil in hoger beroep


In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.






4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft het volgende overwogen:



“2. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd komt naar voren dat eiser bij het willen aanmelden van het parkeren via de parkeerapp [bedrijf] , per abuis werd aangemeld voor een parkeerzone in de gemeente [plaats 2] .


3. De rechtbank overweegt dat een gemeente die parkeerbelasting heft ervoor moet zorgen dat de verplichting om die belasting te betalen voldoende kenbaar is, en dat er voldoende mogelijkheden zoals goed functionerende parkeerautomaten zijn om de verschuldigde belasting te voldoen. Een van de betaalmogelijkheden waarvan de automobilist gebruik kan maken is de parkeerapp op zijn mobiele telefoon. Verschillende markpartijen adverteren met het gemak van hun betaaldienst: ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat, na het parkeren met één druk op de knop direct naar je bestemming, nooit meer te veel betalen want je betaalt alleen voor de werkelijke parkeertijd.’ Op de automobilist rust een onderzoekplicht naar de plaatselijke regels omtrent parkeren, en hij is gehouden de parkeerbelasting te voldoen met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. Een slecht GPS-signaal kan bij de gebruiker van een parkeerapp de verkeerde indruk wekken dat hij zich in een andere gemeente of tariefzone bevindt. Verweerder stelt dat het voor rekening en risico van de automobilist komt als hij met de betaalapp aan de verkeerde gemeente of voor een verkeerde zone parkeerbelasting voldoet. De vraag rijst of deze verdeling van risico’s en verantwoordelijkheden correct is. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van verweerder juist als vaststaat dat de informatie die de parkeerapp aan de automobilist verschaft betrouwbaar is. Is die informatie niet betrouwbaar, dan horen de gevolgen daarvan - zoals het betalen voor een verkeerde zone of aan een verkeerde gemeente - voor rekening van de gemeente te komen (zie ook HR 5 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1014).

4. Tijdens het onderzoek op de zitting is geen informatie bekend geworden op basis waarvan de betrouwbaarheid van een parkeerapp objectief kan worden vastgesteld. Dit in contrast met andere elektronische apparatuur die wordt gebruikt om de plichten van burgers vast te stellen zoals de snelheidsradar of het ademanalyseapparaat waarvoor ijkrapporten zijn voorgeschreven. Er bestaan belangrijke verschillen tussen advertentieteksten van parkeerapps en het verweerschrift. Volgens de advertentie hoeft men ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat,’ terwijl de automobilist volgens het verweerschrift ‘altijd moet controleren of de parkeerzone waar hij parkeert overeenkomt met de parkeerzone die verschijnt in de parkeerapp.’ Tijdens het onderzoek op de zitting is niet bekend geworden of door of namens de gemeente (kwaliteits-) eisen zijn geformuleerd waaraan de parkeerapps en de uitingen van aanbieders van parkeerapps moeten voldoen, en hoe die eventueel luiden.

5. Daar komt bij dat op de dag van de zitting nog zes vergelijkbare zaken zijn behandeld. In drie van deze zeven vergelijkbare zaken is parkeerbelasting betaald in [plaats 1] terwijl de parkeeractie in [plaats 2] plaatsvond, en in vier gevallen was het andersom: betalen in [plaats 2] voor parkeren in [plaats 1] . Deze zeven automobilisten hebben met elkaar gemeen dat zij allemaal parkeerbelasting hebben voldaan. Kennelijk komt het regelmatig voor dat een gezagsgetrouwe automobilist via de parkeerapp in de verkeerde gemeente belasting voldoet. Deze verdeling van drie om vier geeft niet het beeld dat een van deze aangrenzende gemeenten daardoor in betekenende mate in een financieel belang wordt getroffen.

6. In dit geval is niet vast te stellen of de gebruikte parkeerapp juiste en betrouwbare informatie heeft verschaft. Evenmin is vast te stellen of verweerder voldoende zorgvuldigheid heeft betracht door (kwaliteits-) eisen op te leggen aan de aanbieders van parkeerapps. Onder deze omstandigheden is het niet correct om het risico van een onjuiste betaling van parkeerbelasting bij eiser te leggen. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd, en de overige klachten van eiser behoeven geen behandeling meer.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.”





5Beoordeling van het geschil in hoger beroep


5.1.
Niet in geschil is dat belanghebbende de parkeeractie van de auto heeft aangemeld met behulp van een parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon en dat hij de auto daarbij heeft aangemeld voor een parkeerzone in de gemeente [plaats 2] , terwijl de auto op een fiscale parkeerplaats in de gemeente [plaats 1] geparkeerd stond. Hij heeft de parkeerbelasting verschuldigd voor het parkeren in [plaats 1] niet voldaan.



5.2.
Belanghebbende verklaart dat hij de auto heeft aangemeld in de parkeerzone (in [plaats 2] ) die de parkeerapplicatie van [bedrijf] automatisch suggereerde. Achteraf is echter gebleken dat de parkeerapplicatie niet de juiste parkeerzone had gesuggereerd met het niet-voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting in [plaats 1] als gevolg. Naar de mening van belanghebbende gaat het hierbij niet om onjuiste tariefinformatie in de parkeerapplicatie, maar om een foutieve locatiebepaling die voor rekening van de heffingsambtenaar dient te blijven, aangezien de parkeerapplicatie van [bedrijf] zowel door de gemeente [plaats 1] als door de gemeente [plaats 2] wordt geaccepteerd. Het is evident dat het samenwerkingsverband gemeentebelastingen [plaats 3] , dat beide gemeenten op belastinggebied vertegenwoordigt, en de aangesloten gemeenten onvoldoende waarborgen hebben getroffen om duidelijk te maken in welke zone of gemeente een parkeerder zich bevindt. [plaats 3] heeft bovendien niet aangetoond dat zij geen fouten heeft gemaakt en/of geen foutieve informatie (zoals parkeerzones en GPS-data) heeft verstrekt aan de aanbieders van parkeerapplicatie. De vele vergelijkbare gevallen bewijzen juist het tegendeel, zo stelt belanghebbende. De rechtbank heeft hem hierin gevolgd. Daarnaast verklaart belanghebbende dat hij geen opzet had om geen parkeerbelasting te voldoen, maar juist te goeder trouw was. Voorts meent belanghebbende dat moet worden meegewogen dat [plaats 3] de betaling aan ‘de verkeerde gemeente’ eenvoudig intern had kunnen oplossen door een doorstorting of verrekening tussen de betrokken gemeenten. Het is onder die omstandigheden onredelijk om aan hem een naheffingsaanslag op te leggen, te meer nu hij meer heeft betaald aan de gemeente [plaats 2] (€ 7,50) dan hij verschuldigd was aan de gemeente [plaats 1] (€ 4,65).



5.3.
De heffingsambtenaar betoogt dat het selecteren van de onjuiste locatie niet voor zijn rekening dient te komen. Hij heeft gesteld dat de juiste gegevens omtrent de afbakening van de parkeerzones en de geldende tarieven ten behoeve van de parkeerapplicaties zijn verstrekt. Daarmee heeft hij aan zijn informatieplicht voldaan, aldus de heffingsambtenaar. Op de selectie van de parkeerzone door de parkeerapplicatie heeft hij geen invloed. Op dit punt heeft belanghebbende een onderzoeksplicht: het is aan de parkeerder om te controleren of de parkeerzone waarin is geparkeerd overeenkomt met de parkeerzone die wordt vermeld in de parkeerapplicatie. Het bestaan van een samenwerkingsverband op het gebied van de heffing en inning van parkeerbelasting brengt geen wijziging in de conclusie dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is betaald; zowel de gemeente [plaats 2] als de gemeente [plaats 1] is een zelfstandige gemeente, aldus de heffingsambtenaar.



5.4.
Het Hof stelt voorop dat, nu zij parkeerders de keuze gaf om parkeerbelasting te voldoen door middel van een parkeerapplicatie, op de gemeente [plaats 1] de verplichting rust de juiste gegevens omtrent de verschuldigde parkeerbelasting voor deze wijze van betaling te verstrekken (vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1014, het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.2-2.4.3). Naar het oordeel van het Hof heeft de gemeente aan deze informatieplicht ook voldaan. Het Hof acht aannemelijk dat – zoals belanghebbende ook zelf heeft verklaard, zie 5.2 – het niet-betalen van de verschuldigde parkeerbelasting is veroorzaakt door een onjuiste locatiebepaling, waardoor de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende een foutieve parkeerzone heeft gesuggereerd. Het Hof acht aannemelijk dat de juiste zone-indeling en tarieven ten behoeve van de parkeerapplicatie zijn verstrekt.



5.5.
Anders dan in de casus van het Tilburg-arrest draait het in deze zaak dus niet om onjuiste informatie over het tarief dat gold op de plek waar geparkeerd werd, maar om een onjuiste zonesuggestie door de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende. De telefoon gaf klaarblijkelijk niet de locatie weer waar de auto geparkeerd was. Het Hof zal zich buigen over de vraag voor wiens rekening dat dient te komen.



5.6.
Over de onjuiste zonesuggestie overweegt het Hof als volgt. Allereerst moet worden bedacht dat de mobiele telefoon slechts (in beginsel) bij het activeren van de parkeerapplicatie de plek van het parkeren weergeeft als deze zich op dat moment in of nabij de auto bevindt. Indien een parkeerder afgaat op de suggestie van een zone waarin hij zich wel, maar de auto zich niet bevindt dient dit naar ’s Hofs oordeel voor rekening van de parkeerder te komen. Ook indien de parkeerapplicatie wordt geactiveerd nabij de auto kan een onjuiste zonesuggestie worden gegeven, bijvoorbeeld door een onnauwkeurigheid in de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Gedacht kan worden aan de kwaliteit van de GPS-antennes van de telefoon, de rekensnelheid van de processor, mogelijkheid tot gebruikmaken van meerdere frequenties voor de GPS signalen (dual-band) en verschillende satellietsystemen (bijvoorbeeld Galileo naast GPS), omgevingsfactoren die het GPS-signaal hinderen (bebouwing) of juist extra plaatsdata geven (wifi- en mobiele netwerken), de gebruikte software en de op de telefoon ingestelde nauwkeurigheid van de plaatsbepaling ten behoeve van de parkeerapplicatie. Het is in dergelijke gevallen echter niet zozeer de werking van de parkeerapplicatie die de onjuiste suggestie veroorzaakt, maar de werking van de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon van de parkeerder die de locatie ten behoeve van de parkeerapplicatie ter beschikking stelt. In dat licht is het door de rechtbank gepercipieerde contrast (zie onderdeel 5 van de rechtbankuitspraak) met elektronische apparatuur die ter beschikking van toezichthouders staat goed te verklaren.



5.7.
Het Hof stelt vast dat de in 5.6 vermelde oorzaken alle omstandigheden zijn waarop de heffingsambtenaar noch de gemeente enige invloed uit kan oefenen. Mede in dat licht rust op dit punt naar het oordeel van het Hof een onderzoeksplicht op belanghebbende. Belanghebbende mag afgaan op de tariefinformatie in de parkeerapplicatie – dat is immers de betaalmethode waarvoor hij gekozen heeft – zonder ook tariefinformatie in de plaatselijke parkeerautomaat en/of op in de omgeving geplaatste borden te raadplegen (vgl. het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.3). Van hem kan echter wel worden gevergd dat hij verifieert of de door zijn mobiele telefoon weergegeven locatie overeenkomt met de fysieke werkelijkheid: de locatie van het parkeren. Doet hij dat niet, dan dienen de gevolgen daarvan voor zijn rekening te komen. Dat betekent dat een belanghebbende, indien hij niet voldoet aan deze onderzoeksplicht, niet aan de gemeente kan tegenwerpen dat hij voor de verkeerde parkeerzone in een andere gemeente parkeerbelasting heeft betaald, ook niet indien hij hierbij afging op een door de parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon op basis van de GPS-locatiebepaling voorgestelde parkeerzone. Dat kan anders zijn indien de onjuiste zonesuggestie is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening van de gemeente dient te komen. Dat is hier echter niet aannemelijk geworden.



5.8.
Belanghebbende heeft verklaard dat hij is afgegaan op de door de parkeerapplicatie automatisch geselecteerde locatie en dat hij heeft aangenomen dat hij daarmee voor de juiste parkeerlocatie parkeerbelasting heeft betaald. Hiermee heeft hij naar het oordeel van het Hof niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Hij had moeten verifiëren of de automatisch geselecteerde locatie overeenkwam met de parkeerzone waarin zijn auto in werkelijkheid geparkeerd stond; dat heeft hij niet gedaan. Gelet op het overwogene in 5.7 en nu de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht heeft voldaan (zie 5.4) dient dit voor belanghebbendes rekening te komen. De omstandigheid dat het parkeerterrein in [plaats 2] (waar zij heeft geparkeerd) en het parkeerterrein in [plaats 1] (dat door de applicatie ten onrechte is geselecteerd) beide bij het strand gelegen zijn, aan weerszijden van de gemeentegrens, brengt geen wijziging in de genoemde onderzoeksplicht van belanghebbende.



5.9.
De conclusie moet zijn dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd op een plek waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is, zonder deze belasting te voldoen op een wijze bepaald bij de vigerende belastingverordening (de Verordening parkeerbelastingen [plaats 1] 2024-1). Onder de in 5.8 vermelde omstandigheden is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Dat belanghebbende geen opzet had de belasting niet te betalen doet aan het voorgaande niet af. Voor de parkeerbelasting is een verwijt van opzet of schuld van belanghebbende (of zijn goede of kwade trouw) niet van belang (vgl. HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535). Dat belanghebbende wel een bedrag aan een andere gemeente heeft betaald maakt het voorgaande niet anders, ook niet nu beide gemeenten behoren tot het samenwerkingsverband [plaats 3] . Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om de belasting op aangifte te voldoen op een bij de belastingverordening voorgeschreven wijze en daartoe behoort niet het via de parkeerapplicatie betalen aan een andere gemeente. In het opleggen van de naheffingsaanslag en het daarbij in rekening brengen van de kosten (zie 1.1) ziet het Hof geen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Overigens kan van de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof niet worden gevergd dat hij, alvorens een naheffingsaanslag op te leggen, controleert of de parkeerder wellicht in een andere gemeente een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting heeft voldaan. Het Hof merkt daarbij op dat de bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte parkeerbelasting het tarief voor één uur bedraagt en niet – zoals belanghebbende kennelijk meent – het tarief voor de periode van ongeveer vijf uur gedurende welk hij de auto via de parkeerapplicatie had aangemeld (zie 2.3).


5.10.
Het Hof voegt overigens toe dat hij de conclusies niet deelt die de rechtbank verbindt aan de omstandigheid dat er meerdere zaken spelen met een vergelijkbaar feitencomplex (zie onderdeel 5 van de rechtbankuitspraak). Hetzelfde geldt voor de conclusie die belanghebbende daaraan verbindt, namelijk dat sprake moet zijn van een structureel gebrek aan duidelijkheid in de informatievoorziening. De parkeeracties van de bedoelde zaken beslaan een periode van ongeveer zes maanden. Gelet op de grootte van beide parkeerterreinen en het aantal parkeeracties dat zich in deze periode aldaar moet hebben voltrokken is dit aantal vergelijkbare zaken naar het oordeel van het Hof te gering om betrouwbare conclusies aan te verbinden.



Slotsom




5.11.
Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond, de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en het beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.






6Kosten


Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.






7Beslissing


Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en
- verklaart het beroep ongegrond.



De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste raadsheer is deze uitspraak ondertekend door de jongste raadsheer en de griffier.






Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.




Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.




Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.



Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: