Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2428

2026-08-27 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/1465
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1465
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Voldoen met een parkeerapp. Indien de gemeente voldoening van parkeerbelasting met een parkeerapplicatie op de mobiele telefoon toestaat, dan dient zij ervoor zorg te dragen dat de correcte informatie wordt verstrekt over de geldende tarieven en parkeerzones. De parkeerder mag van de juistheid daarvan uitgaan. Op hem rust wel een onderzoeksplicht; de parkeerder dient na te gaan of de plek waarvoor hij het parkeren in de app aanmeldt overeenkomt met de plek waar hij daadwerkelijk parkeert. Doet hij dat niet en meldt hij het parkeren aan voor een parkeerzone die de parkeerapplicatie weliswaar voorstelt, maar die door een onnauwkeurigheid in de GPS-locatiebepaling van zijn mobiele telefoon niet de juiste is, dan dient dat voor zijn rekening te komen. Heeft de parkeerder door die fout te weinig parkeerbelasting voldaan, dan mag de heffingsambtenaar dat tekort naheffen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.985 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1465


27 augustus 2026




uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van




de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar,



tegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/7363 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



de heffingsambtenaar



en





[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 80,70 (€ 4,00 parkeerbelasting en € 76,70 kosten) opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):


“De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vernietigt de naheffingsaanslag;


geeft verweerder opdracht aan eiser het betaalde griffierecht (€ 51) te vergoeden.





1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in hoger beroep niet schriftelijk gereageerd.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.






2Feiten


2.1.
Het Hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen. Op 17 augustus 2024 om 20:12 uur parkeerde belanghebbende zijn auto met kenteken [# 1] (hierna: de auto) op een parkeerplaats aan de [straat 1] te [plaats] . Na de auto te hebben geparkeerd heeft belanghebbende met behulp van de parkeerapplicatie van [bedrijf] € 1,17 parkeerbelasting betaald voor parkeren tot 20:40 uur in de parkeerzone met het zonenummer [# 2] . In die zone geldt een tarief van € 2,50 per uur.



2.2.
Om 20:29 uur werd met behulp van een scanauto geconstateerd dat de auto stond geparkeerd in zone [# 3] zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Aan belanghebbende is daarom de naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag bedraagt € 80,70, namelijk € 4,00 parkeerbelasting en € 76,70 kosten.






3Geschil in hoger beroep


In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.






4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft het volgende overwogen:



“3. De rechtbank overweegt dat een gemeente die parkeerbelasting heft ervoor moet zorgen dat de verplichting om die belasting te betalen voldoende kenbaar is, en dat er voldoende mogelijkheden zoals goed functionerende parkeerautomaten zijn om de verschuldigde belasting te voldoen. Een van de betaalmogelijkheden waarvan de automobilist gebruik kan maken is de parkeerapp op zijn mobiele telefoon. Verschillende markpartijen adverteren met het gemak van hun betaaldienst: ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat, na het parkeren met één druk op de knop direct naar je bestemming, nooit meer te veel betalen want je betaalt alleen voor de werkelijke parkeertijd.’ Op de automobilist rust een onderzoekplicht naar de plaatselijke regels omtrent parkeren, en hij is gehouden de parkeerbelasting te voldoen met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. Een slecht GPS-signaal kan bij de gebruiker van een parkeerapp de verkeerde indruk wekken dat hij zich in een andere gemeente of tariefzone bevindt. Verweerder stelt dat het voor rekening en risico van de automobilist komt als hij met de betaalapp aan de verkeerde gemeente of voor een verkeerde zone parkeerbelasting voldoet. De vraag rijst of deze verdeling van risico’s en verantwoordelijkheden correct is. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van verweerder juist als vaststaat dat de informatie die de parkeerapp aan de automobilist verschaft betrouwbaar is. Is die informatie niet betrouwbaar, dan horen de gevolgen daarvan - zoals het betalen voor een verkeerde zone of aan een verkeerde gemeente - voor rekening van de gemeente te komen (zie ook HR 5 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1014).


4. Tijdens het onderzoek op de zitting is geen informatie bekend geworden op basis waarvan de betrouwbaarheid van een parkeerapp objectief kan worden vastgesteld. Dit in contrast met andere elektronische apparatuur die wordt gebruikt om de plichten van burgers vast te stellen zoals de snelheidsradar of het ademanalyseapparaat waarvoor ijkrapporten zijn voorgeschreven. Er bestaan belangrijke verschillen tussen advertentieteksten van parkeerapps en het verweerschrift. Volgens de advertentie hoeft men ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat,’ terwijl de automobilist volgens het verweerschrift ‘altijd moet controleren of de parkeerzone waar hij parkeert overeenkomt met de parkeerzone die verschijnt in de parkeerapp.’ Tijdens het onderzoek op de zitting is niet bekend geworden of door of namens de gemeente (kwaliteits-) eisen zijn geformuleerd waaraan de parkeerapps en de uitingen van aanbieders van parkeerapps moeten voldoen, en hoe die eventueel luiden.

5. In dit geval is niet vast te stellen of de gebruikte parkeerapp juiste en betrouwbare informatie heeft verschaft. Evenmin is vast te stellen of verweerder voldoende zorgvuldigheid heeft betracht door (kwaliteits-) eisen op te leggen aan de aanbieders van parkeerapps. Onder deze omstandigheden is het niet correct om het risico van een onjuiste betaling van parkeerbelasting bij eiser te leggen. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.”





5Beoordeling van het geschil in hoger beroep


5.1.
Niet in geschil is dat belanghebbende de parkeeractie van de auto heeft aangemeld met behulp van een parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon en dat hij de auto daarbij heeft aangemeld voor parkeerzone [# 2] of ‘C’. De parkeerbelasting verschuldigd voor het parkeren in zone C heeft belanghebbende betaald door € 1,17 aan parkeerbelasting op aangifte te voldoen (zie 2.1).



5.2.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de auto geparkeerd stond in parkeerzone [# 3] of ‘A/B’. Ter onderbouwing wijst hij op foto’s gemaakt door de scanauto, waaruit volgt dat de auto net ten noorden van de rotonde [straat 2] in de [straat 1] geparkeerd staat, en op bijlage 1 (de tarieventabel) bij de Verordening Parkeerbelastingen [plaats] 2024, waaruit volgt dat deze locatie is gelegen in zone A/B, waarvoor tijdens het parkeren een tarief van € 4,00 per uur geldt. Hij heeft gesteld dat de juiste gegevens omtrent de afbakening van de parkeerzones en de geldende tarieven ten behoeve van de parkeerapplicaties zijn verstrekt. Daarmee heeft hij aan zijn informatieplicht voldaan, aldus de heffingsambtenaar. Op de selectie van de parkeerzone door de parkeerapplicatie heeft hij geen invloed. Hij concludeert dat belanghebbende parkeerbelasting naar het onjuiste tarief (€ 2,50 per uur voor zone C) heeft betaald en betoogt dat het selecteren van de onjuiste locatie (zone) niet voor rekening van de gemeente dient te komen.



5.3.
Belanghebbende verklaart dat hij de auto heeft aangemeld in de parkeerzone die de parkeerapplicatie van [bedrijf] automatisch suggereerde. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat zijn parkeerapplicatie aldus was ingesteld dat deze een lijst met zones vertoont en dat hij de bovenste zone uit die lijst heeft gekozen. Hij is ervan uitgegaan dat die bovenste zone het dichtstbij gelegen is. Belanghebbende stelt dat hij bij het in werking stellen van de parkeerapplicatie naast de auto stond en dat het onmogelijk is dat de applicatie een onjuiste zonesuggestie doet. Hij was zich er niet bewust van dat de auto geparkeerd stond voor een bord met daarop de vermelding van de (juiste) zone: parkeerzone [# 3] . Hij meent dat hij het juiste bedrag aan parkeerbelasting heeft betaald heeft en – zo begrijpt het Hof hem – dat voor zover sprake is van de selectie van een onjuiste parkeerzone dit niet voor zijn rekening, maar voor rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. De rechtbank heeft hem hierin gevolgd.



5.4.
Het Hof stelt vast dat de parkeerplaats waar de auto stond in zone A/B is gelegen en dat daarvoor ten tijde van het parkeren een tarief gold van € 4,00 per uur, terwijl belanghebbende de auto heeft aangemeld voor het parkeren in parkeerzone C, die de parkeerapplicatie suggereerde. Het gevolg is dat niet het volledige bedrag van de verschuldigde parkeerbelasting door belanghebbende is voldaan.



5.5.
Het Hof stelt voorop dat, nu zij parkeerders de keuze gaf om parkeerbelasting te voldoen door middel van een parkeerapplicatie, op de gemeente de verplichting rust de juiste gegevens omtrent de verschuldigde parkeerbelasting voor deze wijze van betaling te verstrekken (vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1014, het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.2-2.4.3). Naar het oordeel van het Hof heeft de gemeente aan deze informatieplicht ook voldaan. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat de juiste zone-indeling en tarieven ten behoeve van de parkeerapplicatie zijn verstrekt. Voorts is gesteld noch gebleken dat deze informatie onjuist is weergegeven in de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende.



5.6.
Anders dan in de casus van het Tilburg-arrest draait het in deze zaak niet om onjuiste informatie over het tarief dat gold op de plek waar geparkeerd werd, maar om een onjuiste zonesuggestie door de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende. De telefoon gaf klaarblijkelijk niet de locatie weer waar de auto geparkeerd was. Het Hof zal zich buigen over de vraag voor wiens rekening dat dient te komen.



5.7.
Over de onjuiste zonesuggestie overweegt het Hof als volgt. Allereerst moet worden bedacht dat de mobiele telefoon slechts (in beginsel) bij het activeren van de parkeerapplicatie de plek van het parkeren weergeeft als deze zich op dat moment in of nabij de auto bevindt. Indien een parkeerder afgaat op de suggestie van een zone waarin hij zich wel, maar de auto zich niet bevindt dient dit naar ’s Hofs oordeel voor rekening van de parkeerder te komen. Ook indien de parkeerapplicatie wordt geactiveerd nabij de auto kan een onjuiste zonesuggestie worden gegeven, bijvoorbeeld door een onnauwkeurigheid in de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Gedacht kan worden aan de kwaliteit van de GPS-antennes van de telefoon, de rekensnelheid van de processor, mogelijkheid tot gebruikmaken van meerdere frequenties voor de GPS signalen (dual-band) en verschillende satellietsystemen (bijvoorbeeld Galileo naast GPS), omgevingsfactoren die het GPS-signaal hinderen (bebouwing) of juist extra plaatsdata geven (wifi- en mobiele netwerken), de gebruikte software en de op de telefoon ingestelde nauwkeurigheid van de plaatsbepaling ten behoeve van de parkeerapplicatie. Het is in dergelijke gevallen echter niet zozeer de werking van de parkeerapplicatie die de onjuiste suggestie veroorzaakt, maar de werking van de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon van de parkeerder die de locatie ten behoeve van de parkeerapplicatie ter beschikking stelt. In dat licht is het door de rechtbank gepercipieerde contrast (zie onderdeel 4 van de rechtbankuitspraak) met elektronische apparatuur die ter beschikking van toezichthouders staat goed te verklaren.



5.8.
Het Hof stelt vast dat de in 5.7 vermelde oorzaken alle omstandigheden zijn waarop de heffingsambtenaar noch de gemeente enige invloed uit kan oefenen. Mede in dat licht rust op dit punt naar het oordeel van het Hof een onderzoeksplicht op belanghebbende. Belanghebbende mag afgaan op de tariefinformatie in de parkeerapplicatie – dat is immers de betaalmethode waarvoor hij gekozen heeft – zonder ook tariefinformatie in de plaatselijke parkeerautomaat en/of op in de omgeving geplaatste borden te raadplegen (vgl. het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.3). Van hem kan echter wel worden gevergd dat hij verifieert of de door zijn mobiele telefoon weergegeven locatie overeenkomt met de fysieke werkelijkheid: de locatie van het parkeren. Doet hij dat niet, dan dienen de gevolgen daarvan voor zijn rekening te komen. Dat betekent dat een belanghebbende, indien hij niet voldoet aan deze onderzoeksplicht, niet aan de gemeente kan tegenwerpen dat hij voor de verkeerde parkeerzone parkeerbelasting heeft betaald, ook niet indien hij hierbij afging op een door de parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon op basis van de GPS-locatiebepaling voorgestelde parkeerzone. Dat kan anders zijn indien de onjuiste zonesuggestie is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening van de gemeente dient te komen. Men kan denken aan een onjuist in de parkeerapplicatie weergegeven zonegrens. Dat is hier echter niet het geval.



5.9.
Belanghebbende heeft verklaard dat hij simpelweg de bovenste parkeerzone uit de in zijn parkeerapplicatie weergegeven lijst heeft gekozen en aannam dat dit de dichtstbij gelegen parkeerzone en dus de juiste was. Hiermee heeft hij naar het oordeel van het Hof niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Hij had de plattegrond in de parkeerapplicatie moeten raadplegen en moeten verifiëren of de daarin weergegeven locatie overeenkwam met de plek waar zijn auto in werkelijkheid geparkeerd stond; dat heeft hij niet gedaan. Gelet op het overwogene in 5.8 en nu de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht heeft voldaan (zie 5.5) dient dit voor belanghebbendes rekening te komen.



5.10.
De conclusie moet zijn dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd op een plek waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is naar een tarief dat hoger is dan het door hem voldane tarief en dat hij de verschuldigde parkeerbelasting dus niet volledig op aangifte heeft voldaan. De heffingsambtenaar heeft op zichzelf het bedrag aan ten onrechte niet voldane belasting terecht nageheven. De in de naheffingsaanslag begrepen belasting bedraagt echter het gehele bedrag aan verschuldigde parkeerbelasting (€ 4,00), zonder dat daarbij rekening is gehouden met het bedrag (€ 1,17) dat belanghebbende weldegelijk voldaan heeft. In zoverre heeft de heffingsambtenaar teveel nageheven. Het Hof zal dan ook de naheffingsaanslag verminderen door het belastingbedrag dat belanghebbende reeds heeft voldaan daarop in mindering te brengen.



Slotsom




5.11.
Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond. Omdat de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd, is belanghebbendes beroep in eerste aanleg gegrond en dient de naheffingsaanslag te worden verminderd met het bedrag van € 1,17 dat belanghebbende reeds op aangifte had voldaan.






6Kosten


Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. In de onderhavige procedure zijn de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen reiskosten van belanghebbende. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 9,22 (de kosten van een retourreis per openbaar vervoer in verband met het bijwonen van de zitting van het Hof).





7Beslissing


Het Hof:



vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de vernietiging van de naheffingsaanslag;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;


vermindert de naheffingsaanslag met € 1,17 tot € 79,53, en


veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 9,22.





De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 27 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste raadsheer is deze uitspraak ondertekend door de jongste raadsheer en de griffier.








Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.




Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.




Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.



Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: