Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2426

2026-08-25 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/1442
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1442
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

-

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.137 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1442


25 augustus 2026




uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van




de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar,



tegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/6989 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



de heffingsambtenaar



en





[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 80,70 (€ 4,00 parkeerbelasting en € 76,70 kosten) opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):


“De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vernietigt de naheffingsaanslag;


geeft verweerder opdracht aan eiser het betaalde griffierecht (€ 51) te vergoeden.





1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in hoger beroep niet schriftelijk gereageerd.



1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Van de zijde van belanghebbende is zonder bericht van verhindering niemand verschenen. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden op 5 februari 2026 en gericht aan het door belanghebbende vermelde correspondentieadres ( [straat 1] 51 te [Z] ), onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nadat deze aangetekende brief onbestelbaar retour is gekomen heeft de griffier, na controle van de juistheid van het adres in de gemeentelijke basisadministratie, de uitnodiging op 26 februari 2026 nogmaals per gewone post aan belanghebbende verzonden. Belanghebbende is derhalve op de voorgeschreven wijze uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.







2Feiten


2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:


“1. Op 17 augustus 2024 parkeerde eiser zijn auto op een parkeerplaats aan de [straat 2] te [plaats] . Deze parkeerplaats ligt in parkeerzone [# 1] waar een tarief geldt van € 4,00 per uur voor de eerste twee uur en € 7,00 voor elk volgend uur. Nadat hij de auto had geparkeerd heeft eiser het parkeren aangemeld via een parkeerapp. Daarmee werd het parkeren aangemeld voor parkeren in de parkeerzone met het zonenummer [# 2] waar een tarief geldt van € 2,50 per uur.”




2.2.
Het Hof gaat eveneens uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt hier het volgende aan toe.



2.3.
Blijkens het tot de gedingstukken behorende betalingsbewijs stond de auto op 17 augustus 2024 onafgebroken in parkeerzone [# 2] aangemeld van 13:54 tot 19:48 en is daarvoor door belanghebbende (via een parkeerapplicatie) € 15,10 betaald.






3Geschil in hoger beroep


In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.






4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft het volgende overwogen:



“2. Om 15:34 uur werd geconstateerd dat de auto van eiser stond geparkeerd in zone [# 1] zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Aan eiser is daarom de naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag bedraagt € 80,70, namelijk € 4,00 parkeerbelasting en € 76,70 kosten.


3. De rechtbank overweegt dat een gemeente die parkeerbelasting heft ervoor moet zorgen dat de verplichting om die belasting te betalen voldoende kenbaar is, en dat er voldoende mogelijkheden zoals goed functionerende parkeerautomaten zijn om de verschuldigde belasting te voldoen. Een van de betaalmogelijkheden waarvan de automobilist gebruik kan maken is de parkeerapp op zijn mobiele telefoon. Verschillende markpartijen adverteren met het gemak van hun betaaldienst: ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat, na het parkeren met één druk op de knop direct naar je bestemming, nooit meer te veel betalen want je betaalt alleen voor de werkelijke parkeertijd.’ Op de automobilist rust een onderzoekplicht naar de plaatselijke regels omtrent parkeren, en hij is gehouden de parkeerbelasting te voldoen met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. Een slecht GPS-signaal kan bij de gebruiker van een parkeerapp de verkeerde indruk wekken dat hij zich in een andere gemeente of tariefzone bevindt. Verweerder stelt dat het voor rekening en risico van de automobilist komt als hij met de betaalapp aan de verkeerde gemeente of voor een verkeerde zone parkeerbelasting voldoet. De vraag rijst of deze verdeling van risico’s en verantwoordelijkheden correct is. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van verweerder juist als vaststaat dat de informatie die de parkeerapp aan de automobilist verschaft betrouwbaar is. Is die informatie niet betrouwbaar, dan horen de gevolgen daarvan - zoals het betalen voor een verkeerde zone of aan een verkeerde gemeente - voor rekening van de gemeente te komen (zie ook HR 5 juni 2020 ECLI:NL:HR:2020:1014).

4. Tijdens het onderzoek op de zitting is geen informatie bekend geworden op basis waarvan de betrouwbaarheid van een parkeerapp objectief kan worden vastgesteld. Dit in contrast met andere elektronische apparatuur die wordt gebruikt om de plichten van burgers vast te stellen zoals de snelheidsradar of het ademanalyseapparaat waarvoor ijkrapporten zijn voorgeschreven. Er bestaan belangrijke verschillen tussen advertentieteksten van parkeerapps en het verweerschrift. Volgens de advertentie hoeft men ‘nooit meer op zoek naar een parkeerautomaat,’ terwijl de automobilist volgens het verweerschrift ‘altijd moet controleren of de parkeerzone waar hij parkeert overeenkomt met de parkeerzone die verschijnt in de parkeerapp.’ Tijdens het onderzoek op de zitting is niet bekend geworden of door of namens de gemeente (kwaliteits-) eisen zijn geformuleerd waaraan de parkeerapps en de uitingen van aanbieders van parkeerapps moeten voldoen, en hoe die eventueel luiden.

5. In dit geval is niet vast te stellen of de gebruikte parkeerapp juiste en betrouwbare informatie heeft verschaft. Evenmin is vast te stellen of verweerder voldoende zorgvuldigheid heeft betracht door (kwaliteits-) eisen op te leggen aan de aanbieders van parkeerapps. Onder deze omstandigheden is het niet correct om het risico van een onjuiste betaling van parkeerbelasting bij eiser te leggen. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.”





5Beoordeling van het geschil in hoger beroep


5.1.
Niet in geschil is dat belanghebbende de parkeeractie van de auto heeft aangemeld met behulp van een parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon en dat hij de auto daarbij heeft aangemeld voor parkeerzone [# 2] of ‘C’, terwijl de auto op een fiscale parkeerplaats in parkeerzone [# 1] of ‘A/B’ geparkeerd stond. De parkeerbelasting verschuldigd voor het parkeren in zone C heeft belanghebbende voldaan (zie 2.3, gelet op de parkeerduur en het geldende tarief van € 2,50 per uur begrijpt het Hof dat belanghebbende heeft betaald € 14,75 aan parkeerbelasting en € 0,35 aan transactie- of servicekosten van de parkeerapplicatie). De door belanghebbende voldane parkeerbelasting bedraagt minder dan de parkeerbelasting die verschuldigd was, omdat het tarief in zone A/B hoger is dan het voldane tarief van zone C (zie 2.1).



5.2.
Belanghebbende verklaart dat hij de auto heeft aangemeld in de parkeerzone die de parkeerapplicatie automatisch suggereerde. Achteraf is echter gebleken dat de parkeerapplicatie niet de juiste parkeerzone had gesuggereerd met het niet-voldoen van het volledige bedrag van de verschuldigde parkeerbelasting als gevolg. Belanghebbende betoogt dat parkeerzonesysteem in [plaats] erg onduidelijk is, zodat voor hem onvoldoende duidelijk was in welke parkeerzone de auto zich bevond. Hij voegt daaraan toe dat de parkeerapplicatie geen duidelijke waarschuwing geeft bij het kiezen van de verkeerde zone. Hij meent dat de gemeente is tekortgeschoten in haar informatievoorziening en dat dit niet voor zijn rekening, maar voor rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. De rechtbank heeft hem hierin gevolgd. Daarnaast verklaart belanghebbende dat hij geen opzet had om geen parkeerbelasting te voldoen, maar juist wilde betalen. Hij stelt zich op het standpunt dat hem geen nalatigheid kan worden verweten.



5.3.
De heffingsambtenaar betoogt dat het selecteren van de onjuiste locatie (zone) niet voor zijn rekening dient te komen. Hij heeft gesteld dat de juiste gegevens omtrent de afbakening van de parkeerzones en de geldende tarieven ten behoeve van de parkeerapplicaties zijn verstrekt. Daarmee heeft hij aan zijn informatieplicht voldaan, aldus de heffingsambtenaar. Op de selectie van de parkeerzone door de parkeerapplicatie heeft hij geen invloed.



5.4.
Het Hof stelt voorop dat, nu zij parkeerders de keuze gaf om parkeerbelasting te voldoen door middel van een parkeerapplicatie, op de gemeente de verplichting rust de juiste gegevens omtrent de verschuldigde parkeerbelasting voor deze wijze van betaling te verstrekken (vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1014, het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.2-2.4.3). Naar het oordeel van het Hof heeft de gemeente aan deze informatieplicht ook voldaan. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat de juiste zone-indeling en tarieven ten behoeve van de parkeerapplicatie zijn verstrekt. Voorts is gesteld noch gebleken dat deze informatie onjuist is weergegeven in de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende.



5.5.
Anders dan in de casus van het Tilburg-arrest draait het in deze zaak niet om onjuiste informatie over het tarief dat gold op de plek waar geparkeerd werd, maar om een onjuiste zonesuggestie door de parkeerapplicatie op de mobiele telefoon van belanghebbende. De telefoon gaf klaarblijkelijk niet de locatie weer waar de auto geparkeerd was. Het Hof zal zich buigen over de vraag voor wiens rekening dat dient te komen.



5.6.
Over de onjuiste zonesuggestie overweegt het Hof als volgt. Allereerst moet worden bedacht dat de mobiele telefoon slechts (in beginsel) bij het activeren van de parkeerapplicatie de plek van het parkeren weergeeft als deze zich op dat moment in of nabij de auto bevindt. Indien een parkeerder afgaat op de suggestie van een zone waarin hij zich wel, maar de auto zich niet bevindt dient dit naar ’s Hofs oordeel voor rekening van de parkeerder te komen. Ook indien de parkeerapplicatie wordt geactiveerd nabij de auto kan een onjuiste zonesuggestie worden gegeven, bijvoorbeeld door een onnauwkeurigheid in de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Gedacht kan worden aan de kwaliteit van de GPS-antennes van de telefoon, de rekensnelheid van de processor, mogelijkheid tot gebruikmaken van meerdere frequenties voor de GPS signalen (dual-band) en verschillende satellietsystemen (bijvoorbeeld Galileo naast GPS), omgevingsfactoren die het GPS-signaal hinderen (bebouwing) of juist extra plaatsdata geven (wifi- en mobiele netwerken), de gebruikte software en de op de telefoon ingestelde nauwkeurigheid van de plaatsbepaling ten behoeve van de parkeerapplicatie. Het is in dergelijke gevallen echter niet zozeer de werking van de parkeerapplicatie die de onjuiste suggestie veroorzaakt, maar de werking van de GPS-locatiebepaling van de mobiele telefoon van de parkeerder die de locatie ten behoeve van de parkeerapplicatie ter beschikking stelt. In dat licht is het door de rechtbank gepercipieerde contrast (zie onderdeel 4 van de rechtbankuitspraak) met elektronische apparatuur die ter beschikking van toezichthouders staat goed te verklaren.



5.7.
Het Hof stelt vast dat de in 5.6 vermelde oorzaken alle omstandigheden zijn waarop de heffingsambtenaar noch de gemeente enige invloed uit kan oefenen. Mede in dat licht rust op dit punt naar het oordeel van het Hof een onderzoeksplicht op belanghebbende. Belanghebbende mag afgaan op de tariefinformatie in de parkeerapplicatie – dat is immers de betaalmethode waarvoor hij gekozen heeft – zonder ook tariefinformatie in de plaatselijke parkeerautomaat en/of op in de omgeving geplaatste borden te raadplegen (vgl. het Tilburg-arrest, r.o. 2.4.3). Van hem kan echter wel worden gevergd dat hij verifieert of de door zijn mobiele telefoon weergegeven locatie overeenkomt met de fysieke werkelijkheid: de locatie van het parkeren. Doet hij dat niet, dan dienen de gevolgen daarvan voor zijn rekening te komen. Dat betekent dat een belanghebbende, indien hij niet voldoet aan deze onderzoeksplicht, niet aan de gemeente kan tegenwerpen dat hij voor de verkeerde parkeerzone parkeerbelasting heeft betaald, ook niet indien hij hierbij afging op een door de parkeerapplicatie op zijn mobiele telefoon op basis van de GPS-locatiebepaling voorgestelde parkeerzone. Dat kan anders zijn indien de onjuiste zonesuggestie is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening van de gemeente dient te komen. Men kan denken aan een onjuist in de parkeerapplicatie weergegeven zonegrens. Dat is hier echter niet het geval.



5.8.
Belanghebbende heeft verklaard dat het parkeerzonesysteem in [plaats] voor een parkeerder onduidelijk is. Het Hof volgt hem daarin niet. Uit de tot de zaakstukken behorende ‘Kaart A’ volgt dat het grootste deel van de bebouwde kom van de gemeente tot de zone A/B behoort. Slechts een beperkt aantal parkeerplaatsen (nabij winkelcentra, de kust of sportvelden) vormt daarop een uitzondering. De omstandigheid dat de zones en hun grenzen juist in de plattegrond van de parkeerapplicatie zijn weergegeven stelde belanghebbende naar het oordeel van het Hof voldoende in staat de juiste zone te selecteren, door te verifiëren op welke plek zijn auto in werkelijkheid geparkeerd stond, ook indien zijn mobiele telefoon hem aanvankelijk een onjuiste zonesuggestie deed. Gelet op het overwogene in 5.7 en nu de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht heeft voldaan (zie 5.4) dient het voor belanghebbendes rekening te komen dat hij onvoldoende aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Dat de zones aan elkaar grenzen en of de parkeerapplicatie al dan niet een duidelijke waarschuwing geeft, doet niet af aan zijn onderzoeksplicht.



5.9.
De conclusie moet zijn dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd op een plek waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is naar een tarief dat hoger is dan het door hem voldane tarief en dat het bedrag aan nagevorderde belasting in elk geval niet meer bedraagt dan de belasting die ten onrechte niet is betaald (zie 2.1, 2.3 en 5.1). Onder de in 5.8 vermelde omstandigheden is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Dat belanghebbende voorts geen opzet had de belasting niet te betalen, maar juist de intentie had om dit wel te doen doet aan het voorgaande niet af. Voor de parkeerbelasting is een verwijt van opzet of schuld van belanghebbende (of zijn goede of kwade trouw) niet van belang (vgl. HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535).



Slotsom




5.10.
Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond, de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en het beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.






6Kosten


Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.






7Beslissing


Het Hof:



vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en


verklaart het beroep ongegrond.





De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste raadsheer is deze uitspraak ondertekend door de jongste raadsheer en de griffier.







Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.




Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.




Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.



Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: