Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2421

2026-09-01 Civiel recht 200.372.164
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.372.164
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1399; AR-Updates.nl 2026-1399

Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 351 Rv tot schorsing tenuitvoerlegging. Vordering afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.894 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM


afdeling civiel recht en belastingrecht, team I



zaaknummer : 200.372.164/01



zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/787825 / KG ZA 26-398




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026




in de zaak van





1 [appellant 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
2. [appellant 2] ,
wonend in [plaats 2] ,
3. [appellant 3] ,

wonend in [plaats 3] ,
appellanten,
eisers in het incident,
advocaat: mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,



tegen




GRAND RELOCATION B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
verweerster in het incident,
niet verschenen.



Partijen worden hierna [appellanten] en Grand Relocation genoemd.






1Het geding in hoger beroep



[appellanten] zijn bij dagvaarding in spoedappel van 21 juli 2026 met daarin de grieven en met producties in hoger beroep gekomen van een vonnis van 24 juni 2026 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen Grand Relocation als eiseres en [appellanten] als gedaagden.



De dagvaarding bevat een incidentele vordering ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [appellanten] hebben incidenteel gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, althans van de veroordelingen onder 5.2, 5.3 en 5.6, zal schorsen totdat in hoger beroep is beslist, althans aan de tenuitvoerlegging de voorwaarde van zekerheidstelling zal verbinden, althans een zodanige voorziening zal treffen als het hof geraden acht, met veroordeling van Grand Relocation in de kosten van het incident.



De zaak is aangebracht op de rol van 4 augustus 2026. Op deze datum is tegen Grand Relocation verstek verleend.



Arrest in het incident is bepaald op heden.






2Beoordeling



in het incident




2.1.
Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. [appellanten] waren tot 2024 dan wel 2025 werkzaam bij Grand Relocation, een makelaarskantoor in Amsterdam. Grand Relocation heeft op 22 mei 2026 een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt waarin zij – kort gezegd – stelde dat zij erachter is gekomen dat [appellanten] ten tijde van hun dienstverband, vermoedelijk sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en geëxploiteerd. Volgens Grand Relocation hebben [appellanten] klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation weggesluisd naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen.



2.2.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, samengevat en voor zover van belang, [appellanten] op straffe van een per persoon te verbeuren dwangsom veroordeeld om aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van verschillende bescheiden, waaronder boekhoudbestanden en bankafschriften, en opgave te doen van onder meer klanten, deals en ontvangen bedragen (veroordelingen onder 5.2 en 5.3) en heeft de voorzieningenrechter [appellanten] verboden om administratie te verwijderen, gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie van Grand Relocation en relaties van Grand Relocation te benaderen (veroordelingen onder 5.1, 5.4 en 5.5).



2.3.

[appellanten] hebben in een door hen aanhangig gemaakt executiegeschil met op artikel 438 lid 2 Rv en artikel 611 Rv gegronde vorderingen onder meer gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, althans van de dwangsomveroordeling wordt geschorst totdat in hoger beroep is beslist, Grand Relocation wordt verboden het vonnis in die periode te executeren dan wel dat een andere passende voorziening wordt getroffen. Bij kortgedingvonnis van 9 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter op grond van artikel 611 Rv de aan de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 verbonden dwangsom opgeheven voor zover deze ziet op de overlegging van per persoon en per categorie geconcretiseerde bescheiden die niet (meer) kunnen worden afgegeven en overwogen dat betalingen die niets met de zaak van doen hebben op de bankafschriften mogen worden weggelakt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Daarmee is de op artikel 438 lid Rv gegronde vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen.



2.4.
Het hof stelt voorop dat een geëxecuteerde, naast het recht om in kort geding een vordering tot schorsing van de executie in te stellen op grond van artikel 438 lid 2 Rv, in beginsel ook het recht toekomt een soortgelijke vordering door middel van een incident op grond van artikel 351 Rv in te stellen in hoger beroep. Is echter, voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing of staking krachtens artikel 438 lid 2 Rv afgewezen en zijn door de veroordeelde geen feiten of omstandigheden gesteld die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering krachtens artikel 351 Rv niet toekomen omdat deze in dat geval moet worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. In dat geval zou immers dezelfde vordering wederom aan de rechter worden voorgelegd zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat.



2.5.

[appellanten] hebben in deze procedure geen feiten en omstandigheden aangevoerd die een hernieuwde beoordeling van de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid rechtvaardigen. Het hof zal daarom de primaire vordering van [appellanten] strekkend tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad afwijzen wegens strijd met de goede procesorde. Overigens is niet gebleken van een kennelijke misslag en leidt een afweging van de wederzijdse belangen op de voet van artikel 351 Rv niet tot een andere uitkomst. De subsidiaire vordering om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde te stellen dat zekerheid wordt gesteld deelt het lot van de primaire vordering, nog daargelaten dat niet valt in te zien welk belang [appellanten] hebben bij het stellen van zekerheid in de zich hier voordoende situatie waarin hun gesteld belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging met name is gelegen in de onomkeerbaarheid van de bevolen verstrekking van gegevens. Voor het treffen van enige andere voorziening bestaat geen aanleiding.



2.6.
De beslissing over de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.



in de hoofdzaak





2.7.
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 15 september 2026 ten behoeve van beraad zijdens [appellanten] (artikel 2.25 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven).



2.8.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.






3Beslissing


Het hof:




in het incident:



3.1.
wijst de vorderingen af;



3.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;



in de hoofdzaak:




3.3.
verwijst de zaak naar de rol van 15 september 2026 voor beraad;



3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Bosch en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.