Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2411
2026-09-01
Civiel recht
200.361.050
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In deze zaak ligt voor of werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en zo niet of de werknemer recht heeft op loon terwijl hij niet heeft gewerkt. Het hof is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd en dat de werknemer recht heeft op loon tot aan het einde van het dienstverband. De wettelijke verhoging matigt het hof tot 30%.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.242 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.361.050/01
zaaknummer rechtbank : 11695264 \ EA VERZ 25-549
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026
inzake
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Booij te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1De zaak in het kort
In deze zaak ligt voor of werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en zo niet of de werknemer recht heeft op loon terwijl hij niet heeft gewerkt. Het hof is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd en dat de werknemer recht heeft op loon tot aan het einde van het dienstverband. De wettelijke verhoging matigt het hof tot 30%.
2Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 3 november 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 4 augustus 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Op 26 mei 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens incidenteel hoger beroep met een productie van [geïntimeerde] ingekomen. Op 30 juni 2026 is ter griffie van het hof een tweede productie van [geïntimeerde] ingekomen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 8 juli 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Amrani en [geïntimeerde] door mr. Booij, [appellant] aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Uitspraak is bepaald op heden.
3Feiten
De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.5 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde] , geboren 27 augustus 1991, is op 1 november 2023 voor bepaalde tijd in dienst gekomen bij [appellant] . De arbeidsovereenkomst is per 1 november 2024 met één jaar verlengd. De functie van [geïntimeerde] was assistent broodbakker met een bruto uurloon van € 12,50, exclusief 8% vakantiegeld. [geïntimeerde] werkte 130 uur per maand, 6 uur per werkdag.
3.2.
[appellant] heeft [geïntimeerde] aangetekend een brief gestuurd, gedateerd 26 januari 2025, met onder meer de volgende inhoud:
“(…) Geachte heer [geïntimeerde] ,
U heeft aangegeven per 26 januari 2025 uw dienstverband bij ons te willen beëindigen.
Ondanks de niet in acht genomen termijnen inzake uw beëindiging gaan wij akkoord met de beëindiging van uw dienstverband per 26 januari 2025.
U ontvangt de eindafrekening van uw salaris op korte termijn. Per 26 januari 2025 is uw dienstverband bij ons bedrijf met wederzijds goedvinden beëindigd. (…)”
Uit een bij het inleidend verzoekschrift als productie 5 overgelegd track en trace bericht blijkt dat op het adres van [geïntimeerde] op 1 maart 2025 om 13.05 uur een pakket is bezorgd.
3.3.
Op 4 maart 2025 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 682,28 gestort gekregen van [appellant] met als omschrijving ‘eind afrekening inclusief vakantiegeld’.
3.4.
Bij brief van 17 maart 2025 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende bericht. [geïntimeerde] was in verband met de geboorte van zijn kind afwezig en zou tot en met 28 februari 2025 geboorteverlof opnemen en daarna 9 weken betaald ouderschapsverlof, wat tot 1 mei 2025 zou duren. Het UWV heeft deze verlofaanvragen afgewezen omdat volgens het UWV het dienstverband is beëindigd. [geïntimeerde] heeft nooit kenbaar gemaakt het dienstverband te willen beëindigen. Een verzoek tot aanvullend geboorteverlof en ouderschapsverlof is niet op te vatten als een opzegging. Een opzegging moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn en daar is geen sprake van. [geïntimeerde] verzoekt om wedertewerkstelling en uitbetaling van zijn salaris over februari, daarbij verwijzend naar de mogelijkheid voor [appellant] bij het UWV een aanvraag voor betaling van het aanvullend geboorteverlof en het ouderschapsverlof in te dienen. Bij niet-betaling wordt een gerechtelijke procedure opgestart, kondigde de advocaat van [geïntimeerde] aan.
3.5.
Bij kort geding vonnis van de kantonrechter te [plaats 1] van 30 mei 2025 is [appellant] veroordeeld tot betaling van het (restant van het) loon over de maanden januari, februari, maart en april 2025, telkens € 1.795,30 bruto per maand, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten van € 700,50.
3.6.
Op 20 augustus 2025 stuurde de advocaat van [geïntimeerde] een e-mail naar de advocaat van [appellant] waarin onder meer staat:
“Ik heb van cliënt ook vernomen dat hij herhaaldelijk heeft geprobeerd om met uw cliënt in contact te komen om re-integratieafspraken te maken. Uw cliënt is echter onbereikbaar en heeft cliënt en haar partner bovendien zelfs geblokkeerd. Is er een andere mogelijkheid hoe cliënt met uw client in contact kan treden?”
3.7.
Daarop heeft de advocaat van [appellant] per e-mail van 25 augustus 2025 gereageerd met onder meer de opmerking dat [geïntimeerde] zonder toestemming naar Marokko is vertrokken en [appellant] de arbeidsongeschiktheid niet kan laten controleren. Verder staat in de e-mail dat [geïntimeerde] [appellant] een brief kan schrijven of een e-mail kan sturen. In reactie daarop heeft de advocaat van [geïntimeerde] een dag later per e-mail bericht dat [geïntimeerde] geprobeerd heeft via Whatsapp en telefonisch in contact te komen, dat [appellant] geen enkele poging heeft gedaan om in contact te komen en dat [appellant] als werkgever contact moet opnemen met [geïntimeerde] en de arbodienst moet inschakelen. Daarop heeft de advocaat van [appellant] per e-mail op 29 augustus 2025 opnieuw bericht dat [geïntimeerde] zonder toestemming naar Marokko is vertrokken en dat hij ongeoorloofd afwezig is.
4Eerste Aanleg
4.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang verzocht de door [appellant] gegeven opzegging van de arbeidsovereenkomst van 26 januari 2025 te vernietigen en [appellant] te veroordelen het achterstallig loon over de maanden januari 2025 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW) en met de wettelijke rente en proceskosten.
4.2.
De kantonrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:
de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [appellant] vernietigd, voorzover [appellant] met de op 1 maart 2025 door [geïntimeerde] ontvangen brief heeft beoogd de arbeidsovereenkomst op te zeggen;
[appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van het bruto maandloon van € 289,56 over de maand januari 2025 en het bruto maandloon van € 1.795,30 over februari 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
[appellant] veroordeeld tot betaling van het bruto maandloon van € 1.795,30, over maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025 en juli 2025, en over de daarop volgende maanden tot er op 1 november 2025 een rechtsgeldig einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen;
[appellant] veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% ex 7:625 BW over het op dit moment reeds verschuldigde loon;
en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
5Beoordeling
5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van de bestreden beschikking en - naar het hof begrijpt - tot het alsnog afwijzen van de verzoeken van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties te vermeerderen met wettelijke rente. Verder heeft [appellant] verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking op te heffen. Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek heeft [appellant] verzocht om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per 26 januari 2025 en dat de werkgever geen verdere loonaanspraken is verschuldigd vanaf die datum.
5.2.
Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het zelfstandig tegenverzoek omdat [appellant] dit verzoek voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan en een zelfstandig tegenverzoek in hoger beroep ingevolge artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet is toegestaan. Voor zover [appellant] heeft beoogd bij wijze van incident op grond van artikel 360 lid 2 Rv schorsing van de werking van de bestreden beschikking te vragen voor de duur van het hoger beroep, hoeft daarop niet meer te worden beslist omdat heden einduitspraak wordt gedaan waarmee de procedure in hoger beroep is geëindigd.
5.3.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de wettelijke verhoging is gematigd tot 25% en opnieuw rechtdoende de wettelijke verhoging alsnog toe te wijzen tot 50% met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking.
5.4.
[appellant] heeft in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd die het hof hierna gezamenlijk zal behandelen. Met de grieven bestrijdt [appellant] vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de kantonrechter dat zij gehouden is [geïntimeerde] nog loon te betalen.
Opzegging arbeidsovereenkomst
5.5.
[appellant] betoogt ten eerste dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst wel degelijk heeft opgezegd. Bij zijn beoordeling stelt het hof voorop dat voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door een werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist is, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking.
5.6.
Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst mondeling opgezegd op 26 januari 2025. [geïntimeerde] heeft dit betwist. Wat [geïntimeerde] precies heeft gezegd en binnen welke context, heeft [appellant] niet toegelicht. Volgens [appellant] wijzen de feitelijke gedragingen van partijen op een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan wel op een stilzwijgende instemming met beëindiging daarvan.
5.7.
In dit kader heeft [appellant] een transcriptie ingebracht van een telefoongesprek tussen [geïntimeerde] en de directeur van [appellant] . Desgevraagd heeft [appellant] op de zitting in hoger beroep toegelicht dat het gaat om het volgende onderdeel van het bericht van [geïntimeerde] “En als je nu wilt dat ik nu m’n werk laat liggen dan doe ik dat. Vandaag nog. Als je mijn werk niet bevalt zeg dat nu.” Los van het feit dat niet duidelijk is van welke datum dit bericht is, blijkt daaruit niet dat [geïntimeerde] opzegt. Hij geeft aan dat hij zal stoppen wanneer de directeur van [appellant] dat aangeeft. Dat is iets anders dan dat [geïntimeerde] zelf opzegt.
5.8.
Verder heeft [appellant] erop gewezen dat [geïntimeerde] (langere tijd) niet heeft geprotesteerd tegen de bevestiging van de opzegging door [appellant] en tegen de eindafrekening en betaling daarvan. Zoals vastgesteld bij de feiten onder 3.2. en 3.3. heeft [geïntimeerde] de brief van [appellant] gedateerd 26 januari 2025 rond de opzegging van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2025 ontvangen en de betaling van de eindafrekening op 4 maart 2025 ontvangen. [appellant] heeft weliswaar gesteld de brief van 26 januari 2025 eerder per gewone post te hebben verzonden voordat zij de brief ook aangetekend verstuurde, maar [geïntimeerde] heeft de ontvangst van een eerdere brief betwist en [appellant] heeft ter zake geen bewijsaanbod gedaan. [appellant] heeft op de zitting in hoger beroep nog betoogd dat de eindafrekening eerder dan op 4 maart 2025 zou zijn opgemaakt. Daarmee is echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de opgemaakte eindafrekening [geïntimeerde] eerder heeft bereikt. Verder heeft [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep toegelicht dat zijn loon doorgaans enkele dagen in de daaropvolgende maand werd betaald, zodat voor hem ook pas begin maart duidelijk was dat het loon over februari niet was betaald. [appellant] heeft dat niet weersproken. Gezien het voorgaande gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde] pas op 1 maart 2025 ervan op de hoogte was dat de arbeidsovereenkomst volgens [appellant] was geëindigd en pas op 4 maart 2025 ervan op de hoogte was dat [appellant] zijn loon na 26 januari 2025 niet meer uitbetaalde. [geïntimeerde] is daar binnen twee weken tegenop gekomen via zijn advocaat (zie bij de feiten onder 3.4). Van (langere tijd) niet reageren of niet protesteren tegen de bevestiging van de opzegging door [appellant] , tegen de eindafrekening en/of het uitblijven van het over februari verschuldigde loon is daarmee geen sprake. Het feit dat [geïntimeerde] in februari om loonstroken heeft verzocht over de maanden november en december, is naar het oordeel van het hof evenmin een feitelijke gedraging die wijst op een opzegging.
5.9.
Tot slot heeft [appellant] erop gewezen dat [geïntimeerde] na 26 januari 2025 niet meer op het werk is verschenen. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat zijn afwezigheid een andere reden had. In verband met de geboorte van zijn zoon in december 2024 en de gezondheid van zijn partner heeft [geïntimeerde] op 21 januari 2025 verzocht om aanvullend geboorteverlof. Partijen spraken af dat [geïntimeerde] per 26 januari 2025 aanvullend geboorteverlof zou opnemen en daarom is hij vanaf die datum niet op het werk verschenen. [geïntimeerde] heeft producties ingebracht waaruit blijkt dat zijn partner op 21 januari 2025 met de directeur van [appellant] de aanvraag voor het geboorteverlof bij het UWV heeft afgestemd en dat de aanvraag op 22 januari 2025 bij het UWV is ingediend. De directeur van [appellant] heeft op de zitting in hoger beroep weliswaar gemeld dat hij akkoord was met de aanvraag, maar niet met het daadwerkelijk opnemen van het geboorteverlof, maar daaraan gaat het hof voorbij. Als het al niet was afgesproken, dan had [geïntimeerde] uit deze gang van zaken mogen afleiden dat het akkoord was om aanvullend geboorteverlof op te nemen. Uit het feit dat [geïntimeerde] na 26 januari 2025 niet meer op het werk verscheen, kan daarom niet worden afgeleid dat hij de arbeidsovereenkomst had opgezegd.
5.10.
[appellant] heeft gewezen op audiofragmenten, maar heeft die niet in het geding gebracht, zoals ook de kantonrechter al had geconstateerd. Los daarvan is niet toegelicht welk element daaruit om welke reden relevant zou zijn in deze procedure, mede in aanmerking genomen dat het hof reeds over de transcriptie van een audiofragment beschikt waaruit (zoals hierboven in r.o. 5.7. overwogen) in elk geval de gestelde opzegging door [geïntimeerde] niet blijkt. De door de directeur op de zitting in hoger beroep rond de audiofragmenten ingenomen stelling dat [geïntimeerde] hem zou hebben bedreigd, leidt in elk geval niet tot een ander oordeel rond de gestelde opzegging. Desgevraagd op de zitting in hoger beroep heeft [appellant] toegelicht dat uit het vliegticket van de directeur waarnaar in het beroepschrift is verwezen, blijkt dat de directeur niet aanwezig kon zijn bij de zitting in het eerdere kort geding. De relevantie hiervan voor de vraag of de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, ontgaat het hof. Uit alle feiten en omstandigheden op zichzelf en in samenhang bezien kan geenszins worden afgeleid dat [geïntimeerde] zijn arbeidsovereenkomst wilde opzeggen of heeft opgezegd, laat staan dat sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop was gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Bovendien heeft [appellant] met betrekking tot de stelling dat [geïntimeerde] mondeling heeft opgezegd geen bewijsaanbod gedaan. Dat [geïntimeerde] mondeling heeft opgezegd staat daarmee niet vast. De arbeidsovereenkomst is dus pas op 1 november 2025 van rechtswege geëindigd.
Recht op loon
5.11.
Zoals hiervoor overwogen, was [geïntimeerde] geoorloofd afwezig toen hij op 1 maart 2025 de brief ontving waarin [appellant] hem berichtte dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd. Op 17 maart 2025 heeft [geïntimeerde] via zijn advocaat laten weten het daarmee niet eens te zijn en om wedertewerkstelling gevraagd. Dat [appellant] daarop heeft gereageerd in die zin dat aan [geïntimeerde] is gevraagd om te komen werken, is niet gesteld of gebleken. Onder deze omstandigheden kan niet van [geïntimeerde] worden verwacht dat hij op het werk verschijnt en komt het niet-werken voor rekening van [appellant] als werkgever.
Omdat [appellant] het loon niet uitbetaalde, is [geïntimeerde] een kort geding procedure gestart. Kort na de uitspraak in kort geding van 30 mei 2025 heeft [geïntimeerde] zich ziekgemeld en is hij naar Marokko vertrokken. Hij heeft daarover op de zitting in eerste aanleg en op de zitting in hoger beroep toegelicht dat hij zich slecht voelde en dat er in Marokko met familie en zonder wachtlijsten voor psychologische hulp beter voor hem kon worden gezorgd. [appellant] heeft betwist dat [geïntimeerde] ziek was, maar nagelaten de arbodienst in te schakelen en bovendien ook helemaal geen contact opgenomen met [geïntimeerde] . Zelfs nadat de advocaat van [geïntimeerde] op 20 augustus 2025 meldde dat [geïntimeerde] diverse malen had geprobeerd om via bellen en Whatsapp in contact te komen, maar was geblokkeerd, en in contact wilde komen om re-integratie afspraken te maken (zie bij de feiten onder 3.6.), heeft [appellant] daarop geen actie ondernomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] niet ziek was of dat hij onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratieverplichtingen waardoor [appellant] de arbeidsongeschiktheid niet kon laten controleren. Evenmin is komen vast te staan dat [geïntimeerde] zich niet beschikbaar heeft gehouden voor zijn werkzaamheden dan wel anderszins in ernstige mate tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Het beroep op artikel 6:74 jo. artikel 6:248 BW faalt. [geïntimeerde] heeft daarmee recht op loon.
Wettelijke verhoging
5.12.
Desgevraagd heeft [appellant] op de zitting in hoger beroep toegelicht dat de derde grief, waarin wordt betoogd dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen niet is nagekomen, erop is gericht dat de wettelijke verhoging wordt gematigd naar nihil. Van het niet nakomen van verplichtingen door zonder mededeling of toestemming naar Marokko te reizen en onbereikbaar te zijn, is gezien het voorgaande echter geen sprake, zodat er naar het oordeel van het hof geen aanleiding bestaat voor een verdere matiging van de wettelijke verhoging.
5.13.
Volgens [geïntimeerde] dient de wettelijke verhoging van 50% juist volledig te worden toegekend, omdat [appellant] zonder enige aanleiding het standpunt heeft ingenomen dat het dienstverband was beëindigd en ondanks herhaalde verzoeken en zelfs na daartoe door de voorzieningenrechter op 30 mei 2025 te zijn veroordeeld geen loon heeft betaald. De directeur heeft op de zitting in hoger beroep toegelicht dat [appellant] een kleine werkgever is met een relatief lage omzet waarop het loon van een werknemer die niet werkt zwaar drukt. Daardoor kon [appellant] de vordering niet betalen. [geïntimeerde] heeft dat niet betwist. [appellant] heeft toegelicht diverse betalingsregelingen te hebben voorgesteld ook met aanzienlijke bedragen per maand, maar dat [geïntimeerde] dat niet accepteerde. [geïntimeerde] op zijn beurt heeft toegelicht dat een aanbod van minder dan zijn reguliere salaris te weinig was voor hem om van rond te komen en dat zo’n aanbod de vordering alleen maar verder deed oplopen. Rekening houdend met het feit dat [appellant] , ook na het kort geding vonnis, geruime tijd betalingsvoorstellen heeft gedaan die geen recht deden aan de situatie waarin [geïntimeerde] kostwinner was en geen andere inkomsten had en aan de andere kant ook rekening houdend met de beperkte financiële draagkracht van [appellant] , matigt het hof de wettelijke verhoging van 50% naar 30%.
Slotsom
5.14.
De slotsom is dat de grieven in principaal hoger beroep niet slagen en het hof de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen. Het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de veroordeling tot betaling van 25% aan wettelijke verhoging zal vernietigen en in plaats daarvan 30% aan wettelijke verhoging zal toekennen.
5.15.
Het hof zal [appellant] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 4.243,00 (€ 373,00 aan griffiegeld, tweemaal € 1.290,00 (tarief II) aan advocaatkosten in principaal hoger beroep en tweemaal € 645 (de helft van tarief II) aan advocaatkosten in incidenteel hoger beroep). Het hof zal de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals verzocht. Voor zover [appellant] heeft beoogd te verzoeken dat het hof de onderhavige uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaart, gaat het hof daaraan eveneens voorbij omdat dat verzoek niet is gemotiveerd.
6Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het zelfstandig tegenverzoek;
- bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover de opzegging van de arbeidsovereenkomst is vernietigd, de loonvorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten (het dictum onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5);
- vernietigt de bestreden beschikking voor zover [appellant] is veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% ex artikel 7:625 BW over het ten tijde van de bestreden beschikking verschuldigde loon (het dictum onder 5.4);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- wijst de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW alsnog toe tot 30%;
- veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 4.243,00;
- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.L. de Graaff, A.L. Bervoets en S.M.M. Garben en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.361.050/01
zaaknummer rechtbank : 11695264 \ EA VERZ 25-549
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026
inzake
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Booij te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1De zaak in het kort
In deze zaak ligt voor of werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en zo niet of de werknemer recht heeft op loon terwijl hij niet heeft gewerkt. Het hof is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd en dat de werknemer recht heeft op loon tot aan het einde van het dienstverband. De wettelijke verhoging matigt het hof tot 30%.
2Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 3 november 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 4 augustus 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Op 26 mei 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens incidenteel hoger beroep met een productie van [geïntimeerde] ingekomen. Op 30 juni 2026 is ter griffie van het hof een tweede productie van [geïntimeerde] ingekomen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 8 juli 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Amrani en [geïntimeerde] door mr. Booij, [appellant] aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Uitspraak is bepaald op heden.
3Feiten
De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.5 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde] , geboren 27 augustus 1991, is op 1 november 2023 voor bepaalde tijd in dienst gekomen bij [appellant] . De arbeidsovereenkomst is per 1 november 2024 met één jaar verlengd. De functie van [geïntimeerde] was assistent broodbakker met een bruto uurloon van € 12,50, exclusief 8% vakantiegeld. [geïntimeerde] werkte 130 uur per maand, 6 uur per werkdag.
3.2.
[appellant] heeft [geïntimeerde] aangetekend een brief gestuurd, gedateerd 26 januari 2025, met onder meer de volgende inhoud:
“(…) Geachte heer [geïntimeerde] ,
U heeft aangegeven per 26 januari 2025 uw dienstverband bij ons te willen beëindigen.
Ondanks de niet in acht genomen termijnen inzake uw beëindiging gaan wij akkoord met de beëindiging van uw dienstverband per 26 januari 2025.
U ontvangt de eindafrekening van uw salaris op korte termijn. Per 26 januari 2025 is uw dienstverband bij ons bedrijf met wederzijds goedvinden beëindigd. (…)”
Uit een bij het inleidend verzoekschrift als productie 5 overgelegd track en trace bericht blijkt dat op het adres van [geïntimeerde] op 1 maart 2025 om 13.05 uur een pakket is bezorgd.
3.3.
Op 4 maart 2025 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 682,28 gestort gekregen van [appellant] met als omschrijving ‘eind afrekening inclusief vakantiegeld’.
3.4.
Bij brief van 17 maart 2025 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende bericht. [geïntimeerde] was in verband met de geboorte van zijn kind afwezig en zou tot en met 28 februari 2025 geboorteverlof opnemen en daarna 9 weken betaald ouderschapsverlof, wat tot 1 mei 2025 zou duren. Het UWV heeft deze verlofaanvragen afgewezen omdat volgens het UWV het dienstverband is beëindigd. [geïntimeerde] heeft nooit kenbaar gemaakt het dienstverband te willen beëindigen. Een verzoek tot aanvullend geboorteverlof en ouderschapsverlof is niet op te vatten als een opzegging. Een opzegging moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn en daar is geen sprake van. [geïntimeerde] verzoekt om wedertewerkstelling en uitbetaling van zijn salaris over februari, daarbij verwijzend naar de mogelijkheid voor [appellant] bij het UWV een aanvraag voor betaling van het aanvullend geboorteverlof en het ouderschapsverlof in te dienen. Bij niet-betaling wordt een gerechtelijke procedure opgestart, kondigde de advocaat van [geïntimeerde] aan.
3.5.
Bij kort geding vonnis van de kantonrechter te [plaats 1] van 30 mei 2025 is [appellant] veroordeeld tot betaling van het (restant van het) loon over de maanden januari, februari, maart en april 2025, telkens € 1.795,30 bruto per maand, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten van € 700,50.
3.6.
Op 20 augustus 2025 stuurde de advocaat van [geïntimeerde] een e-mail naar de advocaat van [appellant] waarin onder meer staat:
“Ik heb van cliënt ook vernomen dat hij herhaaldelijk heeft geprobeerd om met uw cliënt in contact te komen om re-integratieafspraken te maken. Uw cliënt is echter onbereikbaar en heeft cliënt en haar partner bovendien zelfs geblokkeerd. Is er een andere mogelijkheid hoe cliënt met uw client in contact kan treden?”
3.7.
Daarop heeft de advocaat van [appellant] per e-mail van 25 augustus 2025 gereageerd met onder meer de opmerking dat [geïntimeerde] zonder toestemming naar Marokko is vertrokken en [appellant] de arbeidsongeschiktheid niet kan laten controleren. Verder staat in de e-mail dat [geïntimeerde] [appellant] een brief kan schrijven of een e-mail kan sturen. In reactie daarop heeft de advocaat van [geïntimeerde] een dag later per e-mail bericht dat [geïntimeerde] geprobeerd heeft via Whatsapp en telefonisch in contact te komen, dat [appellant] geen enkele poging heeft gedaan om in contact te komen en dat [appellant] als werkgever contact moet opnemen met [geïntimeerde] en de arbodienst moet inschakelen. Daarop heeft de advocaat van [appellant] per e-mail op 29 augustus 2025 opnieuw bericht dat [geïntimeerde] zonder toestemming naar Marokko is vertrokken en dat hij ongeoorloofd afwezig is.
4Eerste Aanleg
4.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang verzocht de door [appellant] gegeven opzegging van de arbeidsovereenkomst van 26 januari 2025 te vernietigen en [appellant] te veroordelen het achterstallig loon over de maanden januari 2025 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW) en met de wettelijke rente en proceskosten.
4.2.
De kantonrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:
de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [appellant] vernietigd, voorzover [appellant] met de op 1 maart 2025 door [geïntimeerde] ontvangen brief heeft beoogd de arbeidsovereenkomst op te zeggen;
[appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van het bruto maandloon van € 289,56 over de maand januari 2025 en het bruto maandloon van € 1.795,30 over februari 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
[appellant] veroordeeld tot betaling van het bruto maandloon van € 1.795,30, over maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025 en juli 2025, en over de daarop volgende maanden tot er op 1 november 2025 een rechtsgeldig einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen;
[appellant] veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% ex 7:625 BW over het op dit moment reeds verschuldigde loon;
en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
5Beoordeling
5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van de bestreden beschikking en - naar het hof begrijpt - tot het alsnog afwijzen van de verzoeken van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties te vermeerderen met wettelijke rente. Verder heeft [appellant] verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking op te heffen. Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek heeft [appellant] verzocht om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per 26 januari 2025 en dat de werkgever geen verdere loonaanspraken is verschuldigd vanaf die datum.
5.2.
Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het zelfstandig tegenverzoek omdat [appellant] dit verzoek voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan en een zelfstandig tegenverzoek in hoger beroep ingevolge artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet is toegestaan. Voor zover [appellant] heeft beoogd bij wijze van incident op grond van artikel 360 lid 2 Rv schorsing van de werking van de bestreden beschikking te vragen voor de duur van het hoger beroep, hoeft daarop niet meer te worden beslist omdat heden einduitspraak wordt gedaan waarmee de procedure in hoger beroep is geëindigd.
5.3.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de wettelijke verhoging is gematigd tot 25% en opnieuw rechtdoende de wettelijke verhoging alsnog toe te wijzen tot 50% met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking.
5.4.
[appellant] heeft in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd die het hof hierna gezamenlijk zal behandelen. Met de grieven bestrijdt [appellant] vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de kantonrechter dat zij gehouden is [geïntimeerde] nog loon te betalen.
Opzegging arbeidsovereenkomst
5.5.
[appellant] betoogt ten eerste dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst wel degelijk heeft opgezegd. Bij zijn beoordeling stelt het hof voorop dat voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door een werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist is, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking.
5.6.
Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst mondeling opgezegd op 26 januari 2025. [geïntimeerde] heeft dit betwist. Wat [geïntimeerde] precies heeft gezegd en binnen welke context, heeft [appellant] niet toegelicht. Volgens [appellant] wijzen de feitelijke gedragingen van partijen op een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan wel op een stilzwijgende instemming met beëindiging daarvan.
5.7.
In dit kader heeft [appellant] een transcriptie ingebracht van een telefoongesprek tussen [geïntimeerde] en de directeur van [appellant] . Desgevraagd heeft [appellant] op de zitting in hoger beroep toegelicht dat het gaat om het volgende onderdeel van het bericht van [geïntimeerde] “En als je nu wilt dat ik nu m’n werk laat liggen dan doe ik dat. Vandaag nog. Als je mijn werk niet bevalt zeg dat nu.” Los van het feit dat niet duidelijk is van welke datum dit bericht is, blijkt daaruit niet dat [geïntimeerde] opzegt. Hij geeft aan dat hij zal stoppen wanneer de directeur van [appellant] dat aangeeft. Dat is iets anders dan dat [geïntimeerde] zelf opzegt.
5.8.
Verder heeft [appellant] erop gewezen dat [geïntimeerde] (langere tijd) niet heeft geprotesteerd tegen de bevestiging van de opzegging door [appellant] en tegen de eindafrekening en betaling daarvan. Zoals vastgesteld bij de feiten onder 3.2. en 3.3. heeft [geïntimeerde] de brief van [appellant] gedateerd 26 januari 2025 rond de opzegging van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2025 ontvangen en de betaling van de eindafrekening op 4 maart 2025 ontvangen. [appellant] heeft weliswaar gesteld de brief van 26 januari 2025 eerder per gewone post te hebben verzonden voordat zij de brief ook aangetekend verstuurde, maar [geïntimeerde] heeft de ontvangst van een eerdere brief betwist en [appellant] heeft ter zake geen bewijsaanbod gedaan. [appellant] heeft op de zitting in hoger beroep nog betoogd dat de eindafrekening eerder dan op 4 maart 2025 zou zijn opgemaakt. Daarmee is echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de opgemaakte eindafrekening [geïntimeerde] eerder heeft bereikt. Verder heeft [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep toegelicht dat zijn loon doorgaans enkele dagen in de daaropvolgende maand werd betaald, zodat voor hem ook pas begin maart duidelijk was dat het loon over februari niet was betaald. [appellant] heeft dat niet weersproken. Gezien het voorgaande gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde] pas op 1 maart 2025 ervan op de hoogte was dat de arbeidsovereenkomst volgens [appellant] was geëindigd en pas op 4 maart 2025 ervan op de hoogte was dat [appellant] zijn loon na 26 januari 2025 niet meer uitbetaalde. [geïntimeerde] is daar binnen twee weken tegenop gekomen via zijn advocaat (zie bij de feiten onder 3.4). Van (langere tijd) niet reageren of niet protesteren tegen de bevestiging van de opzegging door [appellant] , tegen de eindafrekening en/of het uitblijven van het over februari verschuldigde loon is daarmee geen sprake. Het feit dat [geïntimeerde] in februari om loonstroken heeft verzocht over de maanden november en december, is naar het oordeel van het hof evenmin een feitelijke gedraging die wijst op een opzegging.
5.9.
Tot slot heeft [appellant] erop gewezen dat [geïntimeerde] na 26 januari 2025 niet meer op het werk is verschenen. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat zijn afwezigheid een andere reden had. In verband met de geboorte van zijn zoon in december 2024 en de gezondheid van zijn partner heeft [geïntimeerde] op 21 januari 2025 verzocht om aanvullend geboorteverlof. Partijen spraken af dat [geïntimeerde] per 26 januari 2025 aanvullend geboorteverlof zou opnemen en daarom is hij vanaf die datum niet op het werk verschenen. [geïntimeerde] heeft producties ingebracht waaruit blijkt dat zijn partner op 21 januari 2025 met de directeur van [appellant] de aanvraag voor het geboorteverlof bij het UWV heeft afgestemd en dat de aanvraag op 22 januari 2025 bij het UWV is ingediend. De directeur van [appellant] heeft op de zitting in hoger beroep weliswaar gemeld dat hij akkoord was met de aanvraag, maar niet met het daadwerkelijk opnemen van het geboorteverlof, maar daaraan gaat het hof voorbij. Als het al niet was afgesproken, dan had [geïntimeerde] uit deze gang van zaken mogen afleiden dat het akkoord was om aanvullend geboorteverlof op te nemen. Uit het feit dat [geïntimeerde] na 26 januari 2025 niet meer op het werk verscheen, kan daarom niet worden afgeleid dat hij de arbeidsovereenkomst had opgezegd.
5.10.
[appellant] heeft gewezen op audiofragmenten, maar heeft die niet in het geding gebracht, zoals ook de kantonrechter al had geconstateerd. Los daarvan is niet toegelicht welk element daaruit om welke reden relevant zou zijn in deze procedure, mede in aanmerking genomen dat het hof reeds over de transcriptie van een audiofragment beschikt waaruit (zoals hierboven in r.o. 5.7. overwogen) in elk geval de gestelde opzegging door [geïntimeerde] niet blijkt. De door de directeur op de zitting in hoger beroep rond de audiofragmenten ingenomen stelling dat [geïntimeerde] hem zou hebben bedreigd, leidt in elk geval niet tot een ander oordeel rond de gestelde opzegging. Desgevraagd op de zitting in hoger beroep heeft [appellant] toegelicht dat uit het vliegticket van de directeur waarnaar in het beroepschrift is verwezen, blijkt dat de directeur niet aanwezig kon zijn bij de zitting in het eerdere kort geding. De relevantie hiervan voor de vraag of de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, ontgaat het hof. Uit alle feiten en omstandigheden op zichzelf en in samenhang bezien kan geenszins worden afgeleid dat [geïntimeerde] zijn arbeidsovereenkomst wilde opzeggen of heeft opgezegd, laat staan dat sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop was gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Bovendien heeft [appellant] met betrekking tot de stelling dat [geïntimeerde] mondeling heeft opgezegd geen bewijsaanbod gedaan. Dat [geïntimeerde] mondeling heeft opgezegd staat daarmee niet vast. De arbeidsovereenkomst is dus pas op 1 november 2025 van rechtswege geëindigd.
Recht op loon
5.11.
Zoals hiervoor overwogen, was [geïntimeerde] geoorloofd afwezig toen hij op 1 maart 2025 de brief ontving waarin [appellant] hem berichtte dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd. Op 17 maart 2025 heeft [geïntimeerde] via zijn advocaat laten weten het daarmee niet eens te zijn en om wedertewerkstelling gevraagd. Dat [appellant] daarop heeft gereageerd in die zin dat aan [geïntimeerde] is gevraagd om te komen werken, is niet gesteld of gebleken. Onder deze omstandigheden kan niet van [geïntimeerde] worden verwacht dat hij op het werk verschijnt en komt het niet-werken voor rekening van [appellant] als werkgever.
Omdat [appellant] het loon niet uitbetaalde, is [geïntimeerde] een kort geding procedure gestart. Kort na de uitspraak in kort geding van 30 mei 2025 heeft [geïntimeerde] zich ziekgemeld en is hij naar Marokko vertrokken. Hij heeft daarover op de zitting in eerste aanleg en op de zitting in hoger beroep toegelicht dat hij zich slecht voelde en dat er in Marokko met familie en zonder wachtlijsten voor psychologische hulp beter voor hem kon worden gezorgd. [appellant] heeft betwist dat [geïntimeerde] ziek was, maar nagelaten de arbodienst in te schakelen en bovendien ook helemaal geen contact opgenomen met [geïntimeerde] . Zelfs nadat de advocaat van [geïntimeerde] op 20 augustus 2025 meldde dat [geïntimeerde] diverse malen had geprobeerd om via bellen en Whatsapp in contact te komen, maar was geblokkeerd, en in contact wilde komen om re-integratie afspraken te maken (zie bij de feiten onder 3.6.), heeft [appellant] daarop geen actie ondernomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] niet ziek was of dat hij onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratieverplichtingen waardoor [appellant] de arbeidsongeschiktheid niet kon laten controleren. Evenmin is komen vast te staan dat [geïntimeerde] zich niet beschikbaar heeft gehouden voor zijn werkzaamheden dan wel anderszins in ernstige mate tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Het beroep op artikel 6:74 jo. artikel 6:248 BW faalt. [geïntimeerde] heeft daarmee recht op loon.
Wettelijke verhoging
5.12.
Desgevraagd heeft [appellant] op de zitting in hoger beroep toegelicht dat de derde grief, waarin wordt betoogd dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen niet is nagekomen, erop is gericht dat de wettelijke verhoging wordt gematigd naar nihil. Van het niet nakomen van verplichtingen door zonder mededeling of toestemming naar Marokko te reizen en onbereikbaar te zijn, is gezien het voorgaande echter geen sprake, zodat er naar het oordeel van het hof geen aanleiding bestaat voor een verdere matiging van de wettelijke verhoging.
5.13.
Volgens [geïntimeerde] dient de wettelijke verhoging van 50% juist volledig te worden toegekend, omdat [appellant] zonder enige aanleiding het standpunt heeft ingenomen dat het dienstverband was beëindigd en ondanks herhaalde verzoeken en zelfs na daartoe door de voorzieningenrechter op 30 mei 2025 te zijn veroordeeld geen loon heeft betaald. De directeur heeft op de zitting in hoger beroep toegelicht dat [appellant] een kleine werkgever is met een relatief lage omzet waarop het loon van een werknemer die niet werkt zwaar drukt. Daardoor kon [appellant] de vordering niet betalen. [geïntimeerde] heeft dat niet betwist. [appellant] heeft toegelicht diverse betalingsregelingen te hebben voorgesteld ook met aanzienlijke bedragen per maand, maar dat [geïntimeerde] dat niet accepteerde. [geïntimeerde] op zijn beurt heeft toegelicht dat een aanbod van minder dan zijn reguliere salaris te weinig was voor hem om van rond te komen en dat zo’n aanbod de vordering alleen maar verder deed oplopen. Rekening houdend met het feit dat [appellant] , ook na het kort geding vonnis, geruime tijd betalingsvoorstellen heeft gedaan die geen recht deden aan de situatie waarin [geïntimeerde] kostwinner was en geen andere inkomsten had en aan de andere kant ook rekening houdend met de beperkte financiële draagkracht van [appellant] , matigt het hof de wettelijke verhoging van 50% naar 30%.
Slotsom
5.14.
De slotsom is dat de grieven in principaal hoger beroep niet slagen en het hof de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen. Het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de veroordeling tot betaling van 25% aan wettelijke verhoging zal vernietigen en in plaats daarvan 30% aan wettelijke verhoging zal toekennen.
5.15.
Het hof zal [appellant] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 4.243,00 (€ 373,00 aan griffiegeld, tweemaal € 1.290,00 (tarief II) aan advocaatkosten in principaal hoger beroep en tweemaal € 645 (de helft van tarief II) aan advocaatkosten in incidenteel hoger beroep). Het hof zal de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals verzocht. Voor zover [appellant] heeft beoogd te verzoeken dat het hof de onderhavige uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaart, gaat het hof daaraan eveneens voorbij omdat dat verzoek niet is gemotiveerd.
6Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het zelfstandig tegenverzoek;
- bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover de opzegging van de arbeidsovereenkomst is vernietigd, de loonvorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten (het dictum onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5);
- vernietigt de bestreden beschikking voor zover [appellant] is veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% ex artikel 7:625 BW over het ten tijde van de bestreden beschikking verschuldigde loon (het dictum onder 5.4);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- wijst de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW alsnog toe tot 30%;
- veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 4.243,00;
- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.L. de Graaff, A.L. Bervoets en S.M.M. Garben en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.