Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2334
2026-08-11
Civiel recht
200.362.155
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet. Rechtsmiddelenverbod. Artikel 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet. Motiveringsgebrek is geen doorbrekingsgrond. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (6)
- ECLI:NL:TGDKG:2025:112 Kamer voor Gerechtsdeurwaarders 14-11-2025
- ECLI:NL:HR:1985:AG4989 Hoge Raad 29-03-1985
- ECLI:NL:HR:1999:ZD5266 Hoge Raad 20-04-1999
- ECLI:NL:HR:2014:943 Hoge Raad 18-04-2014
- ECLI:NL:HR:1988:AB8701 Hoge Raad 04-03-1988
- ECLI:NL:HR:1991:ZC0264 Hoge Raad 31-05-1991
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.419 tekens)
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.362.155/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/755044 / DW RK 24/282
C/13/760624 / DW RK 24/421 (verzet)
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 11 augustus 2026
inzake
1 [appellant 1] ,
gevestigd te [plaats] ,
2. [appellant 2],
gevestigd te [plaats] ,
appellanten,
tegen
[geïntimeerde]
,
gerechtsdeurwaarder te Rotterdam,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klagers (respectievelijk klaagster en klager) en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1De zaak in het kort
Klagers zijn in hoger beroep gekomen van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) waarbij het door klagers ingediende verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat tegen deze beslissing van de kamer geen hoger beroep open. Van dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Klagers stellen dat zij wel in hoger beroep kunnen komen omdat de kamer in plaats van het verzet de klacht inhoudelijk zou hebben beoordeeld en omdat zij een beroep doen op een doorbrekingsgrond (motiveringsgebrek). Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van klagers niet-ontvankelijk is.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Klagers hebben op 3 december 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer van 14 november 2025 onder nummer C/13/760624 / DW RK 24/421 (ECLI:NL:TGDKG:2025:112).
2.2.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 31 december 2025 een verweerschrift – met bijlagen – over de ontvankelijkheid van het hoger beroep bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026. Het hof heeft partijen vooraf laten weten tijdens deze zitting alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep te zullen behandelen. Klager is – mede namens klaagster – verschenen en heeft het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. De gerechtsdeurwaarder is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.
2.5.
Na afloop van de mondelinge behandeling is gebleken dat klagers op 29 april 2026 aanvullende producties aan zowel (de griffie van) het hof als de gerechtsdeurwaarder hebben gestuurd, maar dat deze producties – door een administratieve fout – de leden van het hof niet hebben bereikt. Deze aanvullende producties behoorden tijdens de mondelinge behandeling dus niet tot het dossier van het hof. Het hof heeft vervolgens klagers in de gelegenheid gesteld schriftelijk hun zienswijze te geven waarom deze aanvullende producties relevant zijn voor de voorliggende vraag naar de ontvankelijkheid van klagers in het hoger beroep. Deze zienswijze is op 3 juni 2026 door het hof ontvangen. De gerechtsdeurwaarder is daarna in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren. Deze reactie is door het hof ontvangen op 16 juni 2026.
3Ontvankelijkheid
3.1.
Klagers hebben op 7 augustus 2024 bij de kamer een klacht ingediend tegen (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft op 31 oktober 2024 een verweerschrift ingediend. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 19 november 2024 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing hebben klagers tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gdw staat tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open, tenzij dit is uitgesloten. Artikel 39 lid 4 Gdw bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Dit is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken, bijvoorbeeld indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klagers stellen in hoger beroep dat de kamer in de bestreden beslissing niet heeft volstaan met een zuiver procedurele afdoening van het verzet, maar ook inhoudelijk over de klacht heeft geoordeeld. Volgens klagers staat tegen een zelfstandig inhoudelijk oordeel over de klacht wel hoger beroep open op grond van artikel 45 lid 1 Gdw. Het hoger beroep richt zich dus uitdrukkelijk niet tegen de formele afdoening van het verzet, maar uitsluitend tegen het inhoudelijke oordeel over de klacht in de bestreden beslissing. Klagers hebben verder nog een beroep gedaan op een doorbrekingsgrond, namelijk dat de kamer (de beoordeling van) klachtonderdeel B in het geheel niet in de motivering heeft betrokken. Volgens klagers vormt dit motiveringsgebrek van de kamer een schending van een fundamenteel beginsel van procesorde dat de totstandkoming van de beslissing raakt, en vormt het daarmee een doorbrekingsgrond die ook op die grond de mogelijkheid van hoger beroep opent.
3.4.
Het hof oordeelt als volgt. In de bestreden beslissing heeft de kamer de gronden van het verzet beoordeeld. De kamer was het eens met de beslissing van de voorzitter van de kamer en heeft vervolgens het verzet ongegrond verklaard. Uit artikel 39 lid 4 Gdw volgt dat daarmee de beoordeling van de klacht is geëindigd, omdat geen rechtsmiddel openstaat. Een overweging ten overvloede van de kamer over een onderdeel van de klacht maakt niet dat niet meer kan worden gesproken van een beslissing op het verzet en dat de kamer niet het verzet, maar uitsluitend de klacht zou hebben beoordeeld. Op grond van het voorgaande is de hoofdregel van toepassing en staat tegen de bestreden beslissing dus geen hoger beroep open.
3.5.
Klagers hebben daarnaast nog gesteld dat zich een doorbrekingsgrond voordoet. Volgens vaste rechtspraak kunnen wettelijke rechtsmiddelenverboden worden doorbroken indien de rechter (i) buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende bepaling is getreden, (ii) de bepaling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of (iii) bij behandeling van de zaak een zo fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (vgl. HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989; HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD5266 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943). Klagers stellen dat de bestreden beslissing lijdt aan een motiveringsgebrek in de zin van artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze stelling is ontoereikend, want het is vaste rechtspraak dat een motiveringsgebrek geen doorbrekingsgrond oplevert als hiervoor bedoeld (zie bijvoorbeeld HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8701 en HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0264). Omdat klagers geen beroep doen op een in de jurisprudentie als zodanig erkende doorbrekingsgrond, is het hof van oordeel dat de hoofdregel blijft gelden en klagers niet kunnen worden ontvangen in het hoger beroep.
3.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van klagers niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep van klagers niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026 door de rolraadsheer.
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.362.155/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/755044 / DW RK 24/282
C/13/760624 / DW RK 24/421 (verzet)
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 11 augustus 2026
inzake
1 [appellant 1] ,
gevestigd te [plaats] ,
2. [appellant 2],
gevestigd te [plaats] ,
appellanten,
tegen
[geïntimeerde]
,
gerechtsdeurwaarder te Rotterdam,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klagers (respectievelijk klaagster en klager) en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1De zaak in het kort
Klagers zijn in hoger beroep gekomen van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) waarbij het door klagers ingediende verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat tegen deze beslissing van de kamer geen hoger beroep open. Van dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Klagers stellen dat zij wel in hoger beroep kunnen komen omdat de kamer in plaats van het verzet de klacht inhoudelijk zou hebben beoordeeld en omdat zij een beroep doen op een doorbrekingsgrond (motiveringsgebrek). Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van klagers niet-ontvankelijk is.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Klagers hebben op 3 december 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer van 14 november 2025 onder nummer C/13/760624 / DW RK 24/421 (ECLI:NL:TGDKG:2025:112).
2.2.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 31 december 2025 een verweerschrift – met bijlagen – over de ontvankelijkheid van het hoger beroep bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026. Het hof heeft partijen vooraf laten weten tijdens deze zitting alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep te zullen behandelen. Klager is – mede namens klaagster – verschenen en heeft het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. De gerechtsdeurwaarder is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.
2.5.
Na afloop van de mondelinge behandeling is gebleken dat klagers op 29 april 2026 aanvullende producties aan zowel (de griffie van) het hof als de gerechtsdeurwaarder hebben gestuurd, maar dat deze producties – door een administratieve fout – de leden van het hof niet hebben bereikt. Deze aanvullende producties behoorden tijdens de mondelinge behandeling dus niet tot het dossier van het hof. Het hof heeft vervolgens klagers in de gelegenheid gesteld schriftelijk hun zienswijze te geven waarom deze aanvullende producties relevant zijn voor de voorliggende vraag naar de ontvankelijkheid van klagers in het hoger beroep. Deze zienswijze is op 3 juni 2026 door het hof ontvangen. De gerechtsdeurwaarder is daarna in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren. Deze reactie is door het hof ontvangen op 16 juni 2026.
3Ontvankelijkheid
3.1.
Klagers hebben op 7 augustus 2024 bij de kamer een klacht ingediend tegen (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft op 31 oktober 2024 een verweerschrift ingediend. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 19 november 2024 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing hebben klagers tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gdw staat tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open, tenzij dit is uitgesloten. Artikel 39 lid 4 Gdw bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Dit is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken, bijvoorbeeld indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klagers stellen in hoger beroep dat de kamer in de bestreden beslissing niet heeft volstaan met een zuiver procedurele afdoening van het verzet, maar ook inhoudelijk over de klacht heeft geoordeeld. Volgens klagers staat tegen een zelfstandig inhoudelijk oordeel over de klacht wel hoger beroep open op grond van artikel 45 lid 1 Gdw. Het hoger beroep richt zich dus uitdrukkelijk niet tegen de formele afdoening van het verzet, maar uitsluitend tegen het inhoudelijke oordeel over de klacht in de bestreden beslissing. Klagers hebben verder nog een beroep gedaan op een doorbrekingsgrond, namelijk dat de kamer (de beoordeling van) klachtonderdeel B in het geheel niet in de motivering heeft betrokken. Volgens klagers vormt dit motiveringsgebrek van de kamer een schending van een fundamenteel beginsel van procesorde dat de totstandkoming van de beslissing raakt, en vormt het daarmee een doorbrekingsgrond die ook op die grond de mogelijkheid van hoger beroep opent.
3.4.
Het hof oordeelt als volgt. In de bestreden beslissing heeft de kamer de gronden van het verzet beoordeeld. De kamer was het eens met de beslissing van de voorzitter van de kamer en heeft vervolgens het verzet ongegrond verklaard. Uit artikel 39 lid 4 Gdw volgt dat daarmee de beoordeling van de klacht is geëindigd, omdat geen rechtsmiddel openstaat. Een overweging ten overvloede van de kamer over een onderdeel van de klacht maakt niet dat niet meer kan worden gesproken van een beslissing op het verzet en dat de kamer niet het verzet, maar uitsluitend de klacht zou hebben beoordeeld. Op grond van het voorgaande is de hoofdregel van toepassing en staat tegen de bestreden beslissing dus geen hoger beroep open.
3.5.
Klagers hebben daarnaast nog gesteld dat zich een doorbrekingsgrond voordoet. Volgens vaste rechtspraak kunnen wettelijke rechtsmiddelenverboden worden doorbroken indien de rechter (i) buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende bepaling is getreden, (ii) de bepaling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of (iii) bij behandeling van de zaak een zo fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (vgl. HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989; HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD5266 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943). Klagers stellen dat de bestreden beslissing lijdt aan een motiveringsgebrek in de zin van artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze stelling is ontoereikend, want het is vaste rechtspraak dat een motiveringsgebrek geen doorbrekingsgrond oplevert als hiervoor bedoeld (zie bijvoorbeeld HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8701 en HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0264). Omdat klagers geen beroep doen op een in de jurisprudentie als zodanig erkende doorbrekingsgrond, is het hof van oordeel dat de hoofdregel blijft gelden en klagers niet kunnen worden ontvangen in het hoger beroep.
3.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van klagers niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep van klagers niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026 door de rolraadsheer.