Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2279

2026-08-18 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.366.021/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.366.021/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding over terugkeer moeder met kinderen uit Canada. Vader vordert gezagsbeslissing die terugkeer meebrengt. Nederlandse rechter is bevoegd (Brussel II-ter). Vader niet-ontvankelijk voor zover hij beslissingen vordert waarvoor hij voorlopige voorzieningen kon vorderen in de lopende echtscheidingsprocedure.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.890 tekens)
arrest
___________________________________________________________________ _ _



GERECHTSHOF AMSTERDAM




Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)



zaaknummer : 200.366.021/01 SKG



zaaknummer rechtbank : C/13/780621 / KG ZA 25-1042 MK/BB




arrest van de meervoudige familiekamer van 18 augustus 2026




inzake





[de vader]
,
wonend te [plaats A] ,
appellant,
tevens geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist te Oegstgeest,



tegen





[de moeder] ,

wonend te [plaats B] , Canada,
geïntimeerde,
tevens appellante in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam.



Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd.






1De zaak in het kort


De moeder is na een vakantie met de kinderen in de [plaats] van Amerika niet naar Nederland teruggekeerd en vervolgens met de kinderen naar Canada vertrokken. De vader vordert in kort geding onder andere de moeder te gelasten met de kinderen naar Nederland terug te keren. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard om van deze vordering kennis te nemen. De vader heeft bij wege van eiswijziging in hoger beroep gevorderd dat het hof een gezagsbeslissing neemt die de terugkeer van de kinderen naar Nederland meebrengt.



Na de mondelinge behandeling bij het hof zijn de kinderen ingevolge een uitspraak van de Canadese rechter teruggeleid naar Nederland. De vader heeft vervolgens de vorderingen die zien op terugkeer van de moeder met de kinderen naar Nederland ingetrokken. Wat resteert zijn onder meer de vorderingen ten aanzien van het toevertrouwen van de kinderen, het gebruiksrecht van de echtelijke woning, een zorg/contactregeling en een informatieplicht.






2Het geding in hoger beroep


2.1.
De vader is bij dagvaarding van 10 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 29 januari 2026, dat in kort geding gewezen is tussen de vader als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en de moeder als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven.



2.2.
De moeder heeft daarna een memorie van antwoord ingediend, tevens houdende grieven in (voorwaardelijk) incidenteel appel, met producties.



2.3.
Op 21 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daar zijn verschenen de vader met zijn advocaat en de advocaat van de moeder. Het hof heeft de moeder op haar verzoek - en na een reactie van de vader op dat verzoek - in de gelegenheid gesteld om via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen, overwegende dat het hof het van belang acht dat de moeder deelneemt aan de zitting en dat onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van de moeder kan worden verwacht dat zij naar Nederland komt. De moeder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.


De moeder is ter zitting bijgestaan door de heer P. Cuijpers, tolk in de Engelse taal. Ook was aanwezig V.E. Aelbers namens de Raad voor de Kinderbescherming.



Partijen hebben de zaak ter zitting doen bepleiten, de advocaat van de vader aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht, de moeder de producties 6 tot en met 18 en de vader de producties 10 en 11.




2.4.
Het hof heeft ter zitting, gehoord partijen, beslist dat de op 21 mei 2026 ingediende producties 12 en 13 van de vader buiten beschouwing dienen te blijven vanwege strijd met de goede procesorde. Wel is de vader in de gelegenheid gesteld om, indien de Canadese rechter eerder uitspraak doet dan het hof in deze zaak, deze uitspraak te overleggen.



2.5.
Ten slotte is arrest gevraagd.



2.6.
Op 17 juni 2026 heeft de vader als productie 14 het vonnis van de rechtbank in Canada van 15 juni 2026 overgelegd. Vervolgens heeft de vader bij bericht van 3 juli 2026 te kennen gegeven dat het handhaven van de verzoeken I tot en met III, V, IX en X geen doel meer treft.



2.7.
Het hof heeft vervolgens de moeder in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.


Daarna heeft het hof nog de volgende stukken ontvangen:

- bericht van de zijde van de moeder van 7 juli 2026;
- bericht van de zijde van de vader van 7 juli 2026.


Het hof heeft op 6 augustus 2026 nog een bericht van de zijde van de vader ontvangen. Dit bericht wordt buiten beschouwing gelaten, omdat het hof partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld nog nadere stukken te overleggen.







3Feiten


3.1.
Partijen zijn blijkens de Basisregistratie Personen [in] 2012 in [plaats C] (Pakistan) met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2015 te [plaats A] , en
- [minderjarige 2] , [in] 2021 te [plaats A] (hierna gezamenlijk: de kinderen).
Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen.



3.2.
Partijen hebben de Pakistaanse en de Nederlandse nationaliteit en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.



3.3.
Partijen woonden tot de zomer van 2025 met de kinderen in een woning waar ook de ouders van de vader en zijn broer met echtgenote wonen.



3.4.
Op 4 augustus 2025 is de moeder met de kinderen naar de [plaats] van Amerika (hierna: de [plaats] ) gereisd om bij familie te verblijven. De vader heeft met het ondertekende toestemmingsformulier toestemming gegeven voor een verblijf van de kinderen in de [plaats] tot en met 3 september 2025.



3.5.
De moeder en de kinderen zijn na 3 september 2025 niet teruggekeerd naar Nederland. Zij zijn op enig moment doorgereisd naar Canada.



3.6.
De moeder heeft op 31 oktober 2025 via haar advocaat aangekondigd van de vader te willen scheiden. De vader heeft op 25 november 2025 bij de rechtbank Amsterdam een echtscheidingsverzoek ingediend.



3.7.
De vader heeft op 17 december 2025 bij de Nederlandse Centrale Autoriteit een een verzoek tot het (doen) teruggeleiden van de kinderen ingediend.



3.8.
De Supreme Court of [plaats B] in Canada heeft op 15 juni 2026 geoordeeld dat de kinderen uiterlijk 26 juni 2026 naar Nederland moeten zijn teruggeleid.



3.9.
De kinderen verblijven thans, na hun teruggeleiding, bij de vader.






4Vordering in hoger beroep


4.1.

De vader heeft bij zijn dagvaarding geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair een gezagsbeslissing zal nemen die de terugkeer van de kinderen naar Nederland meebrengt;
II. subsidiair de moeder zal gelasten om binnen drie werkdagen na de datum van het arrest (met de kinderen) terug te verhuizen naar Nederland en haar te verbieden om tussentijds naar een ander land of staat binnen de [plaats] dan wel Canada af te reizen, behoudens een tussenstop om de kinderen terug te laten keren;
III. meer subsidiair de moeder zal gelasten om binnen drie werkdagen na de datum van het arrest (met de kinderen) terug te keren naar Nederland en haar te verbieden om tussentijds naar een ander land of staat binnen de [plaats] dan wel Canada af te reizen, behoudens een tussenstop om de kinderen terug te laten keren;
IV. althans zal bepalen dat de kinderen voorlopig en per direct dienen te worden toevertrouwd aan de vader, dan wel aan hem dienen te worden afgegeven, totdat in de bodemprocedure is beslist, waarbij hij zo nodig de sterke arm kan inschakelen;
V. zal bepalen dat de moeder de voorlopige verblijfplaats van de kinderen bekend maakt aan de vader en bij wijziging hem direct informeert over het nieuwe tijdelijke adres;
VI. het gebruiksrecht van de echtelijke woning te [plaats A] toe zal kennen aan de vader, voor in ieder geval de duur van de echtscheidingsprocedure;
VII. voor het geval de kinderen niet aan de vader zullen worden toevertrouwd of worden afgegeven, zal bepalen dat een fysieke zorgregeling van een weekend per veertien dagen zal gaan gelden en dat de kinderen, totdat zij daadwerkelijk zijn teruggekeerd, (video)belcontact met de vader en zijn/hun familie moeten hebben van minimaal een uur per keer, elke dag van de week doch minimaal drie keer per week, op een gezette gangbare tijd, in goed overleg vast te stellen;
VIII. de voorlopige informatieregeling zal bekrachtigen;
IX. een certificaat zal afgeven waaruit het gezagsrecht blijkt, althans in de overwegingen zal opnemen dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag zijn belast en derhalve enkel tezamen over de werkelijke verblijfplaats van de kinderen kunnen beslissen;
X. zal bepalen dat de moeder binnen drie dagen na terugkeer in Nederland het identiteitsbewijs en/of de paspoorten van de kinderen aan de vader dient af te geven;
XI. zal bepalen dat het de moeder, voor zover vereist of in ieder geval op te nemen in het lichaam, vanaf het moment dat zij met de kinderen in Nederland aankomt, wordt verboden om zich met de kinderen buiten Nederland te (doen) begeven zonder voorafgaande toestemming van de vader of de rechter;
XII. de beslissingen, voor zover die vatbaar zijn voor een last onder dwangsom, zal bekrachtigen met een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan, voor elke dag of gedeelte daarvan dat de moeder de beslissingen niet of niet geheel nakomt;
XIII. althans zodanige beslissingen te nemen als het hof juist zal achten.




4.2.

De moeder heeft geconcludeerd dat het hof:
I. de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn vorderingen zal afwijzen;
II. het bestreden vonnis zal bekrachtigen; en
III. in het geval dat de Nederlandse rechter bevoegd is, zal bepalen:

a. dat het gezag van de vader over de kinderen wordt geschorst totdat in de echtscheidingsprocedure over het namens de moeder te verzoeken eenhoofdig gezag over de kinderen zal zijn beslist;
b. dat de kinderen aan de moeder worden toevertrouwd voor de duur van de echtscheidingsprocedure;
c. dat de vader zijn medewerking zal verlenen aan de taxatie en de verkoop van de echtelijke woning en dat de overwaarde daarvan bij helfte zal worden verdeeld;
IV. de vader in het principaal en incidenteel hoger beroep zal veroordelen in de proceskosten.






5Beoordeling



Eerste aanleg




5.1.
De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering van de vader die zag op de terugkeer van de kinderen naar Nederland, kort gezegd omdat een op het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (HKOV) gebaseerde vordering niet tot de Nederlandse rechter moet worden gericht, maar tot de rechter van de lidstaat waar de kinderen zich bevinden (Canada).


Ten aanzien van de vordering van de vader die zag op de toevertrouwing van de kinderen aan hem, alsook de overige vorderingen, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat die vallen onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter). De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is gebleven en dat de Nederlandse rechter dus bevoegd is om van deze vorderingen kennis te nemen. De vordering tot toevertrouwing heeft de voorzieningenrechter vervolgens afgewezen, daartoe - samengevat - overwegende dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de moeder niet (meer) in staat is om goed voor de kinderen te zorgen en dat de kinderen beter af zijn bij de vader.



Voor de periode dat de kinderen niet in Nederland zijn, heeft de voorzieningenrechter een contact- en informatieregeling bepaald tussen hen en de vader.



De overige vorderingen van de vader (gebruik echtelijke woning, afgifte certificaat gezag, afgifte ID-kaarten/paspoorten kinderen en verbod buiten Nederland begeven) zijn afgewezen en de door de moeder in reconventie gevraagde voorzieningen (schorsing gezag vader, voorlopige toevertrouwing kinderen aan de moeder) zijn geweigerd.




5.2.
Tegen de beslissingen in conventie en de daaraan ten grondslag gelegde motivering is de vader met zeven grieven opgekomen. Na de mondelinge behandeling heeft de vader het hof bericht dat het handhaven van de vorderingen I tot en met III, V, IX en X geen doel meer treft. Het hof begrijpt dat deze vorderingen geen bespreking meer behoeven. Het hof zal de man in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat in het navolgende alleen de vorderingen onder IV, VI tot en met VIII en XI tot en met XIII ter beoordeling voor liggen.





Rechtsmacht





5.3.

De voorzieningenrechter heeft met recht geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is wat betreft de vorderingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Voor het bepalen van de bevoegdheid op het gebied van beslissingen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid zijn de Verordening Brussel II-ter en het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (HKV ’96) van belang. De zaak die thans aan de orde is, valt zowel materieel, formeel als temporeel onder het toepassingsgebied van zowel Brussel II-ter als het HKV ’96. Daarom zal op grond van de in artikel 97 Brussel II-ter neergelegde samenloopregeling dienen te worden bepaald welke regeling in dat specifieke geval van toepassing is. Daarbij is in dit geval - waar de uitzonderingen van lid 2 van artikel 97 Brussel II-ter zich niet voordoen - van belang vast te stellen of de kinderen op het moment van aanhangig maken van de onderhavige procedure (19 december 2025) hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van een EU-lidstaat hadden.




5.4.
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ dient volgens vaste rechtspraak aldus te worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechter dient bij het invullen van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ rekening te houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Daartoe moet onder andere rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat.



5.5.

Vast staat dat de kinderen tot hun vakantie naar de [plaats] op 4 augustus 2025 met de vader, de moeder en de familie van de vader in Nederland woonden. De kinderen stonden ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente [plaats A] . Zij zijn in Nederland geboren, hebben de Nederlandse nationaliteit, spreken Nederlands en gingen in [plaats A] naar school. Onweersproken is dat de kinderen voor hun vertrek een sociaal leven hadden en buitenschoolse activiteiten. Op grond daarvan komt het hof tot het oordeel dat de kinderen vanaf hun geboorte hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
Tot en met 3 september 2025 gold het verblijf in de [plaats] als een vakantie, de vader had hiertoe ook toestemming verleend, ervan uitgaande dat de kinderen na de vakantie terug zouden komen naar Nederland. Na 4 september 2025 verbleven de kinderen zonder toestemming van de vader buiten Nederland.




5.6.
Op grond van al die omstandigheden is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de gewone verblijfplaats van de kinderen op het moment dat de vader de onderhavige procedure aanhangig heeft gemaakt (3 december 2025) was gewijzigd. Hoewel de duur van het verblijf op het grondgebied van de ontvangende lidstaat bij de beoordeling of de gewone verblijfplaats is gewijzigd een aanwijzing kan vormen, acht het hof in deze zaak van belang dat de kinderen op dat moment (de vakantie buiten beschouwing latend) pas ongeveer 3,5 maand buiten Nederland verbleven, waarbij zij eerst enige tijd in de [plaats] hebben verbleven voordat de moeder met de kinderen naar Canada is vertrokken. Onvoldoende is gesteld of gebleken dat zij in die korte periode dat zij in Canada verbleven aldaar een nieuw bestaan hebben opgebouwd. Dat de vader de kinderen om hem moverende redenen heeft uitgeschreven, zowel in [plaats A] als op school, maakt dat niet anders.



5.7.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen op 19 december 2025 zich in Nederland bevond, op grond van de in artikel 97 Brussel II-ter neergelegde samenloopregeling Brussel II-ter van toepassing is.



5.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat, nu zich geen zogenaamde uitzondering op de hoofdregel voordoet, de Nederlandse rechter bevoegd is ten aanzien van de vorderingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Welke vorderingen van de vader daaronder vallen, zal hierna aan de orde komen.



5.9.
Met betrekking tot de vordering ten aanzien van het gebruiksrecht van de echtelijke woning geldt dat ingevolge het bepaalde in artikel 4, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft tot het treffen van een voorlopige of bewarende maatregel.



Toepasselijk recht





5.10.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het Nederlandse recht van toepassing is. Nu hiertegen niet is gegriefd en de moeder in eerste aanleg niet iets anders heeft betoogd, gaat ook het hof hiervan uit.



Inhoudelijke beoordeling





Toevertrouwing (vordering IV)





5.11.
De vader kan in het kader van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid een beslissing vorderen ten aanzien van het toevertrouwen van de kinderen aan hem. In dit geval heeft echter te gelden dat tussen partijen een echtscheidingsprocedure loopt en dat de wet een bijzondere rechtsgang kent voor het verkrijgen van een voorlopige voorziening hangende een bodemprocedure in een echtscheidingszaak, te weten in de artikelen 821 tot en met 826 Rv. Hetgeen de vader wil bereiken had hij met een verzoek via die bijzondere procesgang aanhangig moeten maken en niet via de weg van een procedure in kort geding. Voor hem stond immers een speciale met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang open, terwijl gesteld noch gebleken is dat sprake is van een uitzonderingsgeval waarin geen voorlopige voorzieningen-procedure kan worden gevoerd (of afgewacht). De omstandigheid dat ook nog andere vorderingen aanhangig zijn gemaakt, die niet vallen onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv, levert niet een dergelijk uitzonderingsgeval op. De vader dient dan ook alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen ten aanzien van de toevertrouwing van de kinderen (IV).




Gebruiksrecht echtelijke woning (vordering VI) en regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (vordering VII)





5.12.
Hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.11 geldt eveneens ten aanzien van de vorderingen inzake het gebruiksrecht van de echtelijke woning en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Ook hier stond voor de vader immers een speciale met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang open en ook hier is gesteld noch gebleken dat sprake is van een uitzonderingsgeval waarin geen voorlopige-voorzieningenprocedure kan worden gevoerd (of afgewacht). De vader zal dan ook ten aanzien van deze vorderingen alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard.



Informatieregeling (vordering VIII)




5.13.
De vader vordert dat het hof de informatieregeling uit het bestreden vonnis zal bekrachtigen, maar nu geen grief is gericht tegen dit onderdeel van het bestreden vonnis, ligt dit punt in hoger beroep niet voor, nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken wat het (spoedeisend) belang nog is bij deze vordering, nu - onweersproken - de kinderen na de teruggeleiding bij de vader verblijven. Het hof zal deze vordering afwijzen.



Verbod buitenland (vordering XI)





5.14.
De vader vordert dat het hof zal bepalen dat het de moeder wordt verboden, vanaf het moment dat zij met de kinderen in Nederland aankomt, zich met de kinderen buiten Nederland te (doen) begeven zonder voorafgaande toestemming van de vader of de rechter. Nu de kinderen inmiddels bij de vader verblijven, is het spoedeisend belang bij deze voorziening komen te ontbreken. Het hof zal de vordering dan ook bij gebrek aan belang afwijzen.



Dwangsommen (vordering XII)





5.15.
De vader heeft gevorderd dat het hof een dwangsom verbindt aan de door het hof te geven beslissingen. Nu de vorderingen onder VIII en IX worden afgewezen wegens gebrek aan belang, wijst het hof ook deze vordering af.



Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep





5.16.
De memorie van antwoord van de moeder bevat een incidenteel appel. Zij verzoekt daarin om, als de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de vader, alsnog haar vorderingen in reconventie (ten aanzien van de schorsing van het gezag van de vader (a), toevertrouwing van de kinderen aan haar (b) en medewerking van de vader aan de verkoop van de echtelijke woning (c)) toe te wijzen.



5.17.
Nu het hof bevoegd is en daarmee op dat punt is voldaan aan de voorwaarde waaronder de vrouw haar voorwaardelijke hoger beroep heeft ingesteld, zal het hof de vorderingen van de moeder beoordelen.



5.18.
De vorderingen van de moeder onder a en b zijn gebaseerd op artikel 822 Rv. Ook ten aanzien van deze vorderingen heeft te gelden dat een speciale met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstond terwijl gesteld noch gebleken is dat sprake is van een uitzonderingsgeval waarin geen voorlopige-voorzieningenprocedure kan worden gevoerd of afgewacht (zie r.o. 5.11). De moeder dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in deze vorderingen.



5.19.
De moeder heeft tot slot gevorderd dat de vader zijn medewerking zal verlenen aan de taxatie en de verkoop van de echtelijke woning en dat de overwaarde daarvan bij helfte zal worden verdeeld (vordering sub c).Nu de moeder niet heeft onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij een dergelijke voorziening en dat zij de echtscheidingsbeschikking niet kan afwachten, wijst het hof deze vordering af.



Proceskosten





5.20.
De moeder heeft verzocht de vader in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen. Nadat de vader te kennen had gegeven geen belang meer te hebben bij het handhaven van een deel van zijn vorderingen, heeft de moeder naar voren gebracht dat, aangezien de vader zijn vordering in een zeer laat stadium van de procedure had prijsgegeven, op een moment dat de moeder reeds kosten had moeten maken voor het voeren van verweer, de proceskosten voor rekening van de vader dienen te komen.



5.21.
De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.



5.22.
In het feit dat partijen (nog) echtgenoten van elkaar zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat de vader na de mondelinge behandeling een deel van zijn vorderingen heeft ingetrokken, doet daaraan niet af. Daarbij neemt het hof in overweging dat de aanleiding voor het intrekken van een deel van de vorderingen op 17 juni jl. is gelegen in het feit dat de rechter in Canada op 15 juni jl. heeft geoordeeld dat het vasthouden door de moeder van de kinderen in [plaats B] onrechtmatig is (“the retention of the Children in [plaats B] is wrongful under art. 3 of the Hague Convention) en dat de kinderen dienden te worden teruggeleid naar Nederland.






6Beslissing


Het hof:




In principaal hoger beroep




6.1.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn vorderingen I tot en met VII, IX en X;



6.2.
wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af;



In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep





6.3.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar vordering onder a en b;




6.4.
wijst de vordering onder c van de moeder af;



In beide zaken





6.5.
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten betaalt.


Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Troost, mr. A.R. Sturhoofd en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.