Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2273

2026-08-18 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.368.670/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.368.670/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot vaststelling voorlopige zorgregeling. Het hof kan nu niet vaststellen of omgang op veilige wijze kan plaatsvinden; afwachten raadsonderzoek is nodig. Artikel 223 Rv.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.087 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)


zaaknummer: 200.368.670/01
zaaknummer rechtbank: C/13/783533 / FA RK 26-1357 (FL/KL)



beschikking van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak van





[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. B.N. Voogd te Amsterdam,



en





[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C.M. Suurmeijer te Utrecht.



Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .



In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.






1De zaak in het kort


De zaak gaat over de vraag of een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] (8 maanden oud) moet gelden. De rechtbank heeft afgewezen het verzoek van de vader om, totdat er in de bodemprocedure is beslist over de omgang, een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] – kort gezegd – eerst een periode wekelijks drie dagdelen bij de vader verblijft en daarna elke week van woensdagmiddag tot donderdagmiddag en om de week van zaterdagochtend tot zondagmiddag. De vader is het daarmee niet eens. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.






2De procedure in hoger beroep


2.1
De vader is op 6 mei 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 april 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).



2.2
De moeder heeft op 4 juni 2026 een verweerschrift ingediend.


2.3

Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de moeder van 10 juli 2026 met bijlagen.




2.4
De mondelinge behandeling is op 15 juli 2026 aangevangen. Vanwege de afwezigheid van een tolk voor de moeder heeft het hof de zaak toen aangehouden en de behandeling op 16 juli 2026 voortgezet. Toen waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door T. Koc, tolk Engels,
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.






3De feiten


3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2025 te [plaats A] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .




3.2
De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Mozambikaanse nationaliteit.



3.3
Bij – de in zoverre niet bestreden – beschikking van 2 april 2026 heeft de rechtbank in de bodemprocedure de raad verzocht onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren, zoals onder rechtsoverweging 4.9 van die beschikking is overwogen en in afwachting daarvan de beslissing over de (definitieve) zorgregeling en de informatieregeling pro forma aangehouden tot 2 december 2026.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), inhoudende het vaststellen van een zorgregeling voor hem met [minderjarige] , afgewezen.



4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de voorlopige voorziening betreft, (alsnog) te bepalen dat:
- [minderjarige] iedere dinsdag en donderdag in de ochtend bij de vader verblijft van 09.00 uur tot 12.00 uur en iedere zondagmiddag van 14.00 uur tot 16.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
- na ommekomst van een periode van zes maanden, of zoveel eerder als de vader over zelfstandige woonruimte beschikt, [minderjarige] iedere andere week van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagmiddag 15.00 uur bij de vader verblijft, alsmede iedere week van woensdagmiddag 12.00 uur tot donderdagmiddag 17.00 uur.



4.3

De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarin het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige zorgregeling ex artikel 223 Rv is afgewezen.
Ter zitting heeft de moeder haar verweer om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep ingetrokken.

5. De motivering van de beslissing





Rechtsmacht en toepasselijk recht





5.1
Zoals de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over de verzoeken van de ouders. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.



De standpunten





5.2
De vader is van mening dat de rechtbank zijn verzoek tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling met [minderjarige] ten onrechte heeft afgewezen. De vader betwist al moeders beschuldigingen rondom de totstandkoming van hun relatie en de gebeurtenissen daarna. De zwangerschap van de moeder is op consensuele wijze tot stand gekomen, zoals ook blijkt uit de triage van Veilig Thuis, en de ouders hebben voordat [minderjarige] werd geboren gezamenlijk afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg voor haar. Daarbij is co-ouderschap de intentie van de ouders geweest, zoals blijkt uit het ouderschapsplan en moeders verzoek aan het COA tot overplaatsing van [plaats B] naar [plaats A] om het co-ouderschap te kunnen uitvoeren. Vanaf [minderjarige] geboorte heeft de vader wekelijks contact met haar gehad, waarna dat na twee maanden door de moeder is stopgezet. Het contactverlies is schadelijk voor [minderjarige] en haar identiteitsontwikkeling. Het raadsonderzoek, dat de rechtbank in de bodemzaak heeft gelast, kan niet worden afgewacht en er moet al op korte termijn omgang plaatsvinden. [minderjarige] bevindt zich nu in een levensfase waarin de hechting zeer belangrijk is. Er zijn geen gronden voor ontzegging van de omgang. Veilig Thuis heeft geconcludeerd dat geen sprake is van onveiligheid voor [minderjarige] in relatie tot de vader en de politie heeft geen signalen van mensenhandel of een zedendelict gezien, zoals door de moeder is betoogd. Daarnaast heeft de vader geen rol gehad in de gestelde onenigheden tussen de moeder en vaders ex-partner. Zij zal ook niet aanwezig zijn bij de omgang.



5.3
De moeder voert aan dat zij ernstige bezwaren heeft tegen omgang tussen de vader en [minderjarige] . Zij betwist dat de gebeurtenissen in het verleden zijn gegaan zoals de vader stelt. Tussen de ouders is nooit sprake geweest van een relatie. De vader heeft de moeder misbruikt en uitgebuit, op een moment dat zij zich in een kwetsbare situatie bevond en van hem afhankelijk was. Ten aanzien van de situatie rondom de zwangerschap en de afspraken over de zorgverdeling was sprake van dwang door de vader jegens de moeder. Ook de IND, het COA, de politie en Veilig Thuis hadden zorgen en in dat kader zijn verschillende meldingen gedaan bij/door de instanties. Verder kan de veiligheid van [minderjarige] niet worden gewaarborgd bij de vader thuis, nu hij daar met zijn ex-partner woont en zij de moeder heeft bedreigd. Gezien de voorgeschiedenis tussen de ouders, waardoor de moeder is getraumatiseerd, kan nu niet van haar worden verwacht dat zij meewerkt aan omgang. Dat zou een negatief effect op haar hebben en daarmee ook op [minderjarige] . Omgang is op dit moment dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Het is eerst nodig dat de raad onderzoekt of en zo ja onder welke voorwaarden contact tussen de vader en [minderjarige] in haar belang is.



Het advies van de raad





5.4
De raad adviseert het hof om geen voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen. De ouders hebben compleet andere verklaringen over de gebeurtenissen in het verleden. Voordat een beslissing kan worden genomen over de omgang, moet eerst meer duidelijkheid komen over de situatie. Daarvoor is nodig dat de raad onderzoek doet. Vanwege de lange wachtlijsten duurt het echter nog zeven tot acht maanden voordat een raadsonderzoek in het kader van de omgang kan worden gestart en vervolgens nog twee tot drie maanden tot het onderzoek is afgerond. Het duurt te lang om dat af te wachten, aangezien de situatie zeer zorgelijk is. Moeders verklaringen zijn erg verontrustend en tegelijkertijd kan er geen enkel zicht worden verkregen op wat er precies is gebeurd. [minderjarige] is nog heel jong en dat maakt haar kwetsbaar. Om haar veiligheid te waarborgen moet er op korte termijn meer zicht komen op [minderjarige] opvoedsituatie, haar veiligheid en ontwikkeling. De raad ziet daarom noodzaak om reeds nu een kinderbeschermingsonderzoek te gaan uitvoeren. Daarin kan ook de omgangskwestie worden meegenomen. De raad kan dan eerder onderzoek doen; in dat geval duurt het, inclusief wachttijd, ongeveer vijf maanden totdat het onderzoek is afgerond. Gezien de zorgen over de verstoorde verhouding tussen de ouders en het ontbreken van zicht op de situatie is het niet in [minderjarige] belang om vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek een zorgregeling met de vader vast te stellen.



De beoordeling door het hof





5.5

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Volgens vaste jurisprudentie leent dit artikel zich voor overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures. Van de beslissing op een dergelijk verzoek staat, met overeenkomstige toepassing van art. 337 lid 1 Rv, direct hoger beroep open.
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling samenhangt met de verzoeken in de bodemprocedure bij de rechtbank, waarin de zorgregeling eveneens onderwerp van geschil is.




5.6
Het hof ziet dat er veel speelt tussen de ouders. Hun verhalen over de wijze waarop zij elkaar hebben ontmoet en de gebeurtenissen daarna staan haaks op elkaar. Wat wel vaststaat is dat de moeder, samen met haar moeder, in juli 2023 vanuit Mozambique naar Nederland is gekomen. Vervolgens is [minderjarige] in december 2025 geboren. De moeder woont op dit moment met haar moeder en [minderjarige] in een asielzoekerscentrum (AZC) en zij is in afwachting van de uitkomst van haar asielprocedure. De vader woont samen met zijn ex-partner, van wie hij gescheiden is, en hun vijf kinderen. Ter zitting bij het hof heeft de vader verklaard dat hij op zoek is naar zelfstandige woonruimte en daarvoor ingeschreven staat bij WoningNet. Verder is uit de stukken en uit wat is besproken op de zitting gebleken dat eerder verschillende meldingen zijn gedaan door/bij instanties, te weten de IND, het COA, de politie en Veilig Thuis, rondom problemen tussen de ouders, en dat de instanties daarover zorgen hebben.



5.7
Het hof overweegt dat de situatie tussen de ouders zorgelijk is. De verhouding tussen hen is ernstig verstoord en kenmerkt zich door onderling wantrouwen. Het feit dat de standpunten en de ideeën van de ouders zo ver uit elkaar liggen en zij elkaar hierbij diskwalificeren is problematisch voor [minderjarige] . De verklaringen van de moeder zijn ernstig en zorgelijk van inhoud en bij de moeder bestaat op dit moment geen enkele ruimte om mee te werken aan een (voorlopige) contactregeling. Het hof kan op basis van de stellingen van de ouders en de stukken echter onvoldoende zicht krijgen op de situatie rond [minderjarige] en de gevolgen van contact met de vader voor [minderjarige] . Dat betekent dat het hof nu niet kan vaststellen of omgang tussen de vader en [minderjarige] op veilige wijze kan plaatsvinden. Verder is ook onvoldoende zicht op de gevolgen van vaders gezinssituatie op het contact. Eén van de bezwaren die de moeder tegen de omgang aanvoert is dat de vader nog samenwoont met zijn ex-partner, die haar heeft bedreigd. Uit de stukken blijkt dat de ex-partner van de vader dreigende e-mails naar de moeder heeft gestuurd. De vader voert aan dat dit geen rol speelt bij de omgangskwestie, aangezien hij daarbij niet betrokken was en zijn ex-partner niet aanwezig zal zijn bij een mogelijk contact. Het hof ziet dat wel als een knelpunt in het kader van een voorlopige zorgregeling. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat hij wil dat ook contact tussen [minderjarige] en zijn andere kinderen tot stand komt. Dat zou betekenen dat het contact binnen de context van zijn huidige gezin zou plaatsvinden, waarvan de ex-partner in feite nog deel uitmaakt. Ook daarvoor geldt dat het hof nu geen zicht erop heeft hoe [minderjarige] belangen daarbij voldoende kunnen worden gewaarborgd. Gelet op het feit dat er nu onvoldoende zicht is op de situatie rond [minderjarige] en de bestaande zorgen, acht het hof het van belang dat eerst onderzoek door de raad wordt gedaan naar de mogelijkheden en de mogelijke gevolgen van contact tussen de vader en [minderjarige] . Hoewel dat betekent dat de huidige situatie waarin al geruime tijd geen contact is tussen de vader en [minderjarige] nog zal voortduren, acht het hof het gezien hetgeen hiervoor is overwogen noodzakelijk dat eerst onderzoek door de raad wordt gedaan. Al met al acht het hof bij de huidige stand van zaken omgang voorshands strijdig met zwaarwegende belangen van [minderjarige] .



5.8
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het raadsonderzoek in het kader van de omgang door de lange wachtlijsten nog niet is gestart en dat het nog minimaal negen maanden duurt voordat een dergelijk onderzoek afgerond zal zijn. Het hof acht het, evenals de raad, van belang dat er eerder meer duidelijkheid komt. Dit vanwege [minderjarige] jonge leeftijd en haar ontwikkelingsfase, de ernst van de zorgen en de wens van de vader om in deze belangrijke ontwikkelingsfase van [minderjarige] contact met haar te kunnen opbouwen. In dit verband heeft de raad ter zitting in hoger beroep verklaard op kortere termijn een beschermingsonderzoek te zullen beginnen om meer zicht te krijgen op [minderjarige] veiligheid en haar ontwikkeling. De omgang kan worden meegenomen in dat onderzoek. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om dit traject te doorkruisen door nu een voorlopige zorgregeling vast te stellen en evenmin door nu een bijzondere curator te benoemen, zoals door het hof ter zitting nog aan de orde is gesteld.



5.9
Met betrekking tot vaders beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) overweegt het hof als volgt. Uit het voorgaande blijkt dat het in [minderjarige] belang noodzakelijk is om de resultaten van het raadsonderzoek af te wachten, voordat een beslissing over de omgang wordt genomen. Daardoor is de inbreuk op het familie- en gezinsleven van de vader en [minderjarige] , die het doen voortduren van de huidige situatie vormt, in elk geval voor de komende periode gerechtvaardigd. Daarbij komt dat het raadsonderzoek juist tot doel heeft om te onderzoeken of contact tot stand kan komen.



5.10
De conclusie is dat het hof het verzoek van de vader zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen.






6De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.




Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.N. van de Beek en mr. A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.