Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2181
2026-08-06
Strafrecht
23-000929-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
mishandeling, beroep op noodweer verworpen, TS 40 uur waarvan 20 uur VW, met een PT 2 jaar, beslissing opp vordering BNP ( materieel en immaterieel)
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.940 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000929-25
datum uitspraak: 6 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-313117-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 24 februari 2024 te Haarlem [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een elleboogstoot in het gezicht te geven, althans in/tegen het gezicht/hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter, mede gebaseerd op het bekijken van camerabeelden ter terechtzitting in hoger beroep.
Bespreking bewijsverweer
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit omdat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit de bewegende beelden blijkt dat de verdachte, nadat hij zag dat de aangever een klap uitdeelde aan een vriend, de aangever naar de uitgang van de betreffende horecagelegenheid wilde dirigeren. Vlakbij de uitgang zag de verdachte dat de aangever zijn vuist balde en zijn spieren aanspande. De verdachte vreesde dat aangever naar hem zou uithalen en reageerde instinctief op deze dreigende wederrechtelijke aanval door hem een tik met zijn elleboog in zijn gezicht te geven. Aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan, aldus de verdediging.
Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of een ander zijn lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dringend gevaar daarvoor.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast op grond van het procesdossier, de bewegende beelden zoals getoond ter terechtzitting en het verhandelde ter terechtzitting.
Op 24 februari 2024 bevond de verdachte zich in café [plek] aan de [adres 2] in Haarlem. Ook de aangever bevond zich in dit café. Er ontstond een conflict waarbij NN1 een drankje over aangever heen gooide, waarna de aangever NN1 een stoot in het gezicht gaf. Na het uitdelen van deze klap, keerde de aangever zich van NN1 af om zijn weg door het drukke café te vervolgen. Tegelijkertijd begaf de verdachte zich richting de aangever en dreef hem richting de uitgang van het café. Dit deed hij door vlak achter de aangever aan te lopen en in die richting te wijzen. Daarbij liet hij zich niet tegenhouden door de vriendin van de aangever die probeerde de verdachte en de aangever bij elkaar weg te houden. Op de beelden is verder te zien dat de verdachte de aangever – die steeds bij hem wegloopt - richting de uitgang nog een trapje op duwt. Vlakbij de uitgang van het café draait de aangever zich om en beweegt hij zijn rechterarm naar voren. Op dat moment heeft de verdachte de aangever met zijn linkerarm een elleboogstoot in het gezicht gegeven.
Anders dan door de verdediging betoogd, kan het hof aan de hand van de bewegende beelden niet vaststellen dat de aangever voordat de verdachte hem een elleboogstoot in het gezicht gaf zijn vuist balde om uit te halen richting de verdachte. Het hof ziet in de armbeweging eerder een poging de verdachte, die aangever op een dwingende en vrij agressief ogende manier opdreef richting de uitgang, op veilige afstand te houden. Deze activiteit van de aangever kan in de gegeven omstandigheden niet worden beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dringend gevaar daarvoor. De door de verdediging gestelde noodweersituatie acht het hof daarom niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het beroep op noodweer.
Voor zover de verdediging een beroep op putatief noodweer heeft willen doen, verwerpt het hof dit eveneens, omdat op grond van de geschetste omstandigheden geen sprake was van een situatie waarin de verdachte er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij door de aangever werd aangevallen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 24 februari 2024 te Haarlem [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een elleboogstoot in het gezicht te geven.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 750,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer in een druk bezochte uitgaansgelegenheid. De verdachte heeft het slachtoffer een dusdanig harde elleboogstoot in het gezicht gegeven dat diens neus is gebroken. Hiermee heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Uit de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer blijkt dat het geweld zowel lichamelijk als psychisch veel impact op hem heeft gehad en dat hij er nog steeds last van heeft.
Delicten als de onderhavige versterken de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid, zeker als deze plaatsvinden in het bijzijn van uitgaanspubliek in een drukbezocht café.
De door de advocaat-generaal gevorderde straf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. De bewezenverklaarde mishandeling valt daarbij tussen de categorie die nog met een hoge geldboete wordt gestraft en de categorie waarbij een aanzienlijke werkstraf wordt opgelegd.
Het hof heeft verder kennis genomen van een op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 juli 2026 en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Alles afwegend vindt het hof, met name gelet op de ernst, de situering en het gevolg van de bewezenverklaarde geweldshandeling, te weten het geven van een elleboogstoot in een druk bezochte uitgaansgelegenheid met een gebroken neus tot gevolg, de oplegging van een taakstraf passend en geboden. Daarvan zal een deel in voorwaardelijke zin worden opgelegd, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nogmaals in de fout te gaan.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering van de benadeelde partij is als volgt opgebouwd:
materiële schade
eigen risico € 482,16
kosten fysiotherapie € 389,75
schade aan kleding € 150,07
immateriële schade € 1.300,00
Totaal € 2.321,98
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.382,23, bestaande uit
€ 632,23 aan materiële schade (eigen risico en beschadiging kleding) en € 750,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit de kosten met betrekking tot fysiotherapie voor de nek en rug af te wijzen evenals de politierechter, omdat deze klachten niet kunnen worden toegeschreven aan het strafbaar feit. Ook is verzocht de schade aan kleding af te wijzen gezien de reinigingsmogelijkheid van bloedsporen op kleding en omdat de overige truibeschadiging niet in causaal verband staat met het strafbare feit. Verder wordt verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen gelet op de eigen schuld van het slachtoffer.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
materiële schade
Eigen risico: de gevorderde vergoeding voor de eigen bijdrage aan de ziektekostenverzekering
(€ 482,16) is onderbouwd en toewijsbaar, gelet op de medische nasleep van de neusbreuk als gevolg van de elleboogstoot.
Beschadiging kleding: het hof vindt dat de benadeelde, nu vaststaat dat als rechtstreeks gevolg van de mishandeling de neus brak, met veel bloed tot gevolg, ook in het licht van de betwisting, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door dat bloed verontreinigde kleding voor hem onbruikbaar is geraakt en begroot deze zaakschade naar redelijkheid op het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van
€ 150,07.
Kosten fysiotherapie: de gevorderde kosten van fysiotherapie vanwege pijn aan nek en rug zal het hof afwijzen. De politierechter had deze post niet toegewezen. Deze post en het verweer op dit punt zijn gehandhaafd in hoger beroep. Gegeven de hiervoor beschreven beelden, waarop geen fysiek geweld op rug of nek van de benadeelde zichtbaar is, en de gemotiveerde betwisting van een rechtstreeks verband met het strafbare feit, had het op de weg gelegen van de benadeelde nadere (medische) aanknopingspunten te geven ter onderbouwing van zijn stelling dat deze klachten te wijten (kunnen) zijn aan de elleboogstoot door de verdachte. De benadeelde had hiertoe de mogelijkheid in hoger beroep, maar heeft hier evenwel van afgezien. De benadeelde is aldus genoegzaam in de gelegenheid gesteld deze vordering (nader) te onderbouwen. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanknopingspunten die nopen tot nader onderzoek. De ongegrondheid van deze vordering staat voor het hof dan ook voldoende vast. Daarom wijst het hof deze gevorderde schade af.
Daarmee is een totaalbedrag aan materiële schadevergoeding van € 632,23 toewijsbaar.
immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending en het letsel en de bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit onder andere een gebroken neus heeft opgelopen. Zoals toegelicht in het schadeformulier en niet weersproken door de verdediging, moest de neus van de benadeelde door een KNO arts een aantal weken na het ontstaan van het letsel opnieuw gebroken worden. Zowel deze ingreep als het herstel nadien gingen met veel pijn en ongemak gepaard. Ook heeft de benadeelde partij zwellingen en verkleuringen in het gezicht opgelopen. Bovendien heeft hij psychische gevolgen ondervonden als gevolg van het door de verdachte toegepaste geweld, waarvoor hij meermaals de praktijkondersteuner van zijn huisarts heeft bezocht.
Het hof ziet hierin aanleiding aan te sluiten bij de Rotterdamse Schaal, deel A ‘Lichamelijk letsel’, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’, categorie b) ‘Herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden’, met een bandbreedte van € 725,00 tot € 2.175,00. Alles afwegend, acht het hof het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 1.300,00 als billijke vergoeding voor immateriële schade toewijsbaar.
Het verweer van de verdediging strekkende tot matiging van het toewijsbare schadevergoedingsbedrag vanwege de gestelde eigen schuld van de benadeelde partij vindt zijn weerlegging in de hiervoor weergegeven bewijsmotivering en de verwerping van het (putatief) noodweer verweer. Niet gebleken is dat de hiervoor vastgestelde schade mede het gevolg is van enige aan het slachtoffer toerekenbare omstandigheid als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW. Het eigen schuld verweer wordt verworpen.
conclusie
De verdachte is tot vergoeding van de hiervoor vastgestelde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van totaal € 1.932,23 zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.932,23 (duizend negenhonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 632,23 (zeshonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.932,23 (duizend negenhonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 632,23 (zeshonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. P.J. van Eekeren en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 augustus 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
parketnummer: 23-000929-25
datum uitspraak: 6 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-313117-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 24 februari 2024 te Haarlem [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een elleboogstoot in het gezicht te geven, althans in/tegen het gezicht/hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter, mede gebaseerd op het bekijken van camerabeelden ter terechtzitting in hoger beroep.
Bespreking bewijsverweer
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit omdat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit de bewegende beelden blijkt dat de verdachte, nadat hij zag dat de aangever een klap uitdeelde aan een vriend, de aangever naar de uitgang van de betreffende horecagelegenheid wilde dirigeren. Vlakbij de uitgang zag de verdachte dat de aangever zijn vuist balde en zijn spieren aanspande. De verdachte vreesde dat aangever naar hem zou uithalen en reageerde instinctief op deze dreigende wederrechtelijke aanval door hem een tik met zijn elleboog in zijn gezicht te geven. Aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan, aldus de verdediging.
Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of een ander zijn lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dringend gevaar daarvoor.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast op grond van het procesdossier, de bewegende beelden zoals getoond ter terechtzitting en het verhandelde ter terechtzitting.
Op 24 februari 2024 bevond de verdachte zich in café [plek] aan de [adres 2] in Haarlem. Ook de aangever bevond zich in dit café. Er ontstond een conflict waarbij NN1 een drankje over aangever heen gooide, waarna de aangever NN1 een stoot in het gezicht gaf. Na het uitdelen van deze klap, keerde de aangever zich van NN1 af om zijn weg door het drukke café te vervolgen. Tegelijkertijd begaf de verdachte zich richting de aangever en dreef hem richting de uitgang van het café. Dit deed hij door vlak achter de aangever aan te lopen en in die richting te wijzen. Daarbij liet hij zich niet tegenhouden door de vriendin van de aangever die probeerde de verdachte en de aangever bij elkaar weg te houden. Op de beelden is verder te zien dat de verdachte de aangever – die steeds bij hem wegloopt - richting de uitgang nog een trapje op duwt. Vlakbij de uitgang van het café draait de aangever zich om en beweegt hij zijn rechterarm naar voren. Op dat moment heeft de verdachte de aangever met zijn linkerarm een elleboogstoot in het gezicht gegeven.
Anders dan door de verdediging betoogd, kan het hof aan de hand van de bewegende beelden niet vaststellen dat de aangever voordat de verdachte hem een elleboogstoot in het gezicht gaf zijn vuist balde om uit te halen richting de verdachte. Het hof ziet in de armbeweging eerder een poging de verdachte, die aangever op een dwingende en vrij agressief ogende manier opdreef richting de uitgang, op veilige afstand te houden. Deze activiteit van de aangever kan in de gegeven omstandigheden niet worden beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dringend gevaar daarvoor. De door de verdediging gestelde noodweersituatie acht het hof daarom niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het beroep op noodweer.
Voor zover de verdediging een beroep op putatief noodweer heeft willen doen, verwerpt het hof dit eveneens, omdat op grond van de geschetste omstandigheden geen sprake was van een situatie waarin de verdachte er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij door de aangever werd aangevallen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 24 februari 2024 te Haarlem [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een elleboogstoot in het gezicht te geven.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 750,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer in een druk bezochte uitgaansgelegenheid. De verdachte heeft het slachtoffer een dusdanig harde elleboogstoot in het gezicht gegeven dat diens neus is gebroken. Hiermee heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Uit de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer blijkt dat het geweld zowel lichamelijk als psychisch veel impact op hem heeft gehad en dat hij er nog steeds last van heeft.
Delicten als de onderhavige versterken de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid, zeker als deze plaatsvinden in het bijzijn van uitgaanspubliek in een drukbezocht café.
De door de advocaat-generaal gevorderde straf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. De bewezenverklaarde mishandeling valt daarbij tussen de categorie die nog met een hoge geldboete wordt gestraft en de categorie waarbij een aanzienlijke werkstraf wordt opgelegd.
Het hof heeft verder kennis genomen van een op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 juli 2026 en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Alles afwegend vindt het hof, met name gelet op de ernst, de situering en het gevolg van de bewezenverklaarde geweldshandeling, te weten het geven van een elleboogstoot in een druk bezochte uitgaansgelegenheid met een gebroken neus tot gevolg, de oplegging van een taakstraf passend en geboden. Daarvan zal een deel in voorwaardelijke zin worden opgelegd, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nogmaals in de fout te gaan.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering van de benadeelde partij is als volgt opgebouwd:
materiële schade
eigen risico € 482,16
kosten fysiotherapie € 389,75
schade aan kleding € 150,07
immateriële schade € 1.300,00
Totaal € 2.321,98
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.382,23, bestaande uit
€ 632,23 aan materiële schade (eigen risico en beschadiging kleding) en € 750,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit de kosten met betrekking tot fysiotherapie voor de nek en rug af te wijzen evenals de politierechter, omdat deze klachten niet kunnen worden toegeschreven aan het strafbaar feit. Ook is verzocht de schade aan kleding af te wijzen gezien de reinigingsmogelijkheid van bloedsporen op kleding en omdat de overige truibeschadiging niet in causaal verband staat met het strafbare feit. Verder wordt verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen gelet op de eigen schuld van het slachtoffer.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
materiële schade
Eigen risico: de gevorderde vergoeding voor de eigen bijdrage aan de ziektekostenverzekering
(€ 482,16) is onderbouwd en toewijsbaar, gelet op de medische nasleep van de neusbreuk als gevolg van de elleboogstoot.
Beschadiging kleding: het hof vindt dat de benadeelde, nu vaststaat dat als rechtstreeks gevolg van de mishandeling de neus brak, met veel bloed tot gevolg, ook in het licht van de betwisting, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door dat bloed verontreinigde kleding voor hem onbruikbaar is geraakt en begroot deze zaakschade naar redelijkheid op het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van
€ 150,07.
Kosten fysiotherapie: de gevorderde kosten van fysiotherapie vanwege pijn aan nek en rug zal het hof afwijzen. De politierechter had deze post niet toegewezen. Deze post en het verweer op dit punt zijn gehandhaafd in hoger beroep. Gegeven de hiervoor beschreven beelden, waarop geen fysiek geweld op rug of nek van de benadeelde zichtbaar is, en de gemotiveerde betwisting van een rechtstreeks verband met het strafbare feit, had het op de weg gelegen van de benadeelde nadere (medische) aanknopingspunten te geven ter onderbouwing van zijn stelling dat deze klachten te wijten (kunnen) zijn aan de elleboogstoot door de verdachte. De benadeelde had hiertoe de mogelijkheid in hoger beroep, maar heeft hier evenwel van afgezien. De benadeelde is aldus genoegzaam in de gelegenheid gesteld deze vordering (nader) te onderbouwen. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanknopingspunten die nopen tot nader onderzoek. De ongegrondheid van deze vordering staat voor het hof dan ook voldoende vast. Daarom wijst het hof deze gevorderde schade af.
Daarmee is een totaalbedrag aan materiële schadevergoeding van € 632,23 toewijsbaar.
immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending en het letsel en de bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit onder andere een gebroken neus heeft opgelopen. Zoals toegelicht in het schadeformulier en niet weersproken door de verdediging, moest de neus van de benadeelde door een KNO arts een aantal weken na het ontstaan van het letsel opnieuw gebroken worden. Zowel deze ingreep als het herstel nadien gingen met veel pijn en ongemak gepaard. Ook heeft de benadeelde partij zwellingen en verkleuringen in het gezicht opgelopen. Bovendien heeft hij psychische gevolgen ondervonden als gevolg van het door de verdachte toegepaste geweld, waarvoor hij meermaals de praktijkondersteuner van zijn huisarts heeft bezocht.
Het hof ziet hierin aanleiding aan te sluiten bij de Rotterdamse Schaal, deel A ‘Lichamelijk letsel’, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’, categorie b) ‘Herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden’, met een bandbreedte van € 725,00 tot € 2.175,00. Alles afwegend, acht het hof het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 1.300,00 als billijke vergoeding voor immateriële schade toewijsbaar.
Het verweer van de verdediging strekkende tot matiging van het toewijsbare schadevergoedingsbedrag vanwege de gestelde eigen schuld van de benadeelde partij vindt zijn weerlegging in de hiervoor weergegeven bewijsmotivering en de verwerping van het (putatief) noodweer verweer. Niet gebleken is dat de hiervoor vastgestelde schade mede het gevolg is van enige aan het slachtoffer toerekenbare omstandigheid als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW. Het eigen schuld verweer wordt verworpen.
conclusie
De verdachte is tot vergoeding van de hiervoor vastgestelde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van totaal € 1.932,23 zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.932,23 (duizend negenhonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 632,23 (zeshonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.932,23 (duizend negenhonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 632,23 (zeshonderdtweeëndertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. P.J. van Eekeren en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 augustus 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]