Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2172

2026-08-05 Civiel recht; Ondernemingsrecht 200.341.149/01 OK
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
200.341.149/01 OK
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ondernemingskamer; enquêterecht; beëindiging enquête; belangenafweging in het licht van de doeleinden van het enquêterecht; opheffing onmiddellijke voorzieningen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.924 tekens)
beschikking
___________________________________________________________________




GERECHTSHOF AMSTERDAM


ONDERNEMINGSKAMER





zaaknummer: 200.341.149/01 OK



beschikking van de Ondernemingskamer van 5 augustus 2026



inzake






[certificaathouder 1]
,
wonende te [plaats] ,

VERZOEKSTER,
advocaat thans: mr. A. Al-Musawi, kantoorhoudende te Ede, voorheen bijgestaan door mr. J.M. Blanco Fernández en daarvoor door mr. J.P. Barth, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,




t e g e n




de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidHOAD HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,
advocaat: mr. L.Z. Bosman, kantoorhoudende te Amsterdam,





e n t e g e n






1.de stichtingSTICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR STADHOUDER, gevestigd te Amsterdam,

2. [bestuurder],
wonende te [plaats] ,

BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. L.Z. Bosman voornoemd,




e n t e g e n






3 [zoon bestuurder] , wonende te [plaats] ,


BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.



In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:



verzoekster als [certificaathouder 1] ;


verweerster als Hoad Holding;


belanghebbende sub 1 als STAK Stadhouder;


belanghebbende sub 2 als [bestuurder] ;


Hoad Holding en [bestuurder] gezamenlijk als Hoad c.s.;


belanghebbende sub 3 als [zoon bestuurder] .


1. Het verloop van het geding


1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 27 februari 2025, 4 maart 2025, 22 juli 2025 en 21 oktober 2025 in deze zaak.



1.2
Bij de beschikking van 27 februari 2025 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Hoad Holding over de periode vanaf 31 december 2016. Daarnaast heeft zij bij wijze van onmiddellijke voorziening, met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure [bestuurder] geschorst als bestuurder van Hoad Holding en een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van Hoad Holding. Verder is bepaald dat de door STAK Stadhouder gehouden aandelen in Hoad Holding ten titel van beheer worden overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon. De benoeming van de onderzoeker is bij die beschikking aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te beproeven.



1.3
Bij de beschikking van 4 maart 2025 heeft de Ondernemingskamer mr. E.L. Zetteler (hierna: Zetteler) aangewezen als bestuurder en mr. E.M. Soerjatin (hierna: Soerjatin) aangewezen als beheerder van de aandelen van STAK Stadhouder in Hoad Holding (gezamenlijk aan te duiden als de OK-functionarissen). Bij de beschikking van 22 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer op gezamenlijk verzoek van partijen en de OK-functionarissen met ingang van de datum van de beschikking de benoeming van een derde persoon als bestuurder van Hoad Holding opgeheven, de schorsing van [bestuurder] als bestuurder opgeheven en Zetteler, in afwijking van de statuten, benoemd als commissaris van Hoad Holding. Bij beschikking van 21 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer Zetteler op eigen verzoek ontheven als commissaris en Soerjatin op eigen verzoek ontheven als beheerder van de aandelen in Hoad Holding. Bij e-mail van de Ondernemingskamer van dezelfde datum zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de voortzetting van de procedure. Bij e-mails van 23 oktober 2025 hebben partijen een eenstemmig verzoek gedaan tot een nadere aanhouding.



1.4
Mr. Al-Musawi heeft bij brief van 13 februari 2026 de Ondernemingskamer bericht dat partijen niet zijn geslaagd in het treffen van een minnelijke regeling en namens [certificaathouder 1] verzocht alsnog over te gaan tot aanwijzing van een onderzoeker voor het verrichten van het onderzoek dat werd bevolen in de beschikking van 27 februari 2025.



1.5
Bij akte van 27 februari 2026 heeft Hoad c.s. de Ondernemingskamer verzocht de enquêteprocedure te beëindigen waarmee ook de onmiddellijke voorzieningen ten einde zullen komen.



1.6
De zaak is – gelijktijdig met de tussen partijen onder zaaknummer 200.349.592/01 OK lopende uittredingsprocedure – behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 16 juli 2026. De advocaten hebben daarbij de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en onder overlegging van tevoren toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.







2De gronden van de beslissing


2.1
De OK-functionarissen hebben na hun benoeming de mogelijkheden verkend om tot een minnelijke regeling tussen partijen te komen. De bevindingen van deze verkenning hebben de OK-functionarissen neergelegd in een memorandum van 30 juni 2025.



2.2
Uit dit memorandum blijkt dat partijen hun geschil willen oplossen door middel van de overdracht van de door [certificaathouder 1] gehouden certificaten tegen een redelijke prijs. Om te komen tot een redelijke prijs is op initiatief van de OK-bestuurder, financieel deskundige A. Bijman van Custom Management B.V. (hierna: Bijman) door Hoad Holding aangesteld. Bijman werd verzocht om nader inzicht te geven in de financiën van Hoad Holding en haar deelnemingen (hierna ook: Hoad-groep) en om een waarderingsoverzicht te maken van de Hoad-groep.



2.3
In het memorandum hebben de OK-functionarissen beschreven hoe het traject van informatievoorziening aan partijen tussen april en juni 2025 is verlopen en hoe [certificaathouder 1] en haar advocaat gedurende dit traject op de hoogte zijn gehouden en in de gelegenheid zijn gesteld vragen te stellen, te reageren en/of input te leveren. Op 20 mei 2025 is een conceptversie van het waarderingsoverzicht van Bijman met [certificaathouder 1] gedeeld. Haar advocaat heeft daarop zonder inhoudelijke toelichting laten weten dat het overzicht een deugdelijke grondslag ontbeerde en dat het ongeschikt was om te dienen als basis voor een waardering. In contacten tussen (de financiële adviseurs van) partijen in mei en juni 2025 zijn zij niet nader tot elkaar gekomen. De toenmalige advocaat van [certificaathouder 1] heeft daarbij laten weten dat het [certificaathouder 1] sinds 12 juni 2025 niet meer vrijstond om in haar eentje een schikking te treffen. Achteraf is gebleken dat procesfinancier Phageas Investments B.V. (hierna: Phageas) vanaf dat moment aan de zijde van [certificaathouder 1] bij deze procedure betrokken is geraakt en [certificaathouder 1] beslissingen over het treffen van een schikking met Phageas diende af te stemmen. Op 25 juni 2025 heeft een gezamenlijke bespreking van het waarderingsoverzicht van Bijman plaatsgevonden. Uit het memorandum van de OK-functionarissen blijkt dat (de advocaat van) [certificaathouder 1] geen kennis heeft willen nemen van het waarderingsoverzicht, maar eerst alle daaraan grondslag liggende informatie over de onderneming wilde ontvangen zonder enig embargo (zoals ten aanzien van de derden met wie de informatie mocht worden gedeeld). Tussen partijen is geen overeenstemming bereikt.


2.4
De OK-functionarissen sluiten hun memorandum af met hun bevindingen ten aanzien van drie kwesties die wat hen betreft spelen:


a) De OK-functionarissen concluderen dat de onmiddellijke voorzieningen hun effect hebben gehad en dat het bestuur en de governance binnen de onderneming op orde is. De gesprekken met partijen hebben duidelijk gemaakt dat het geschil is terug te brengen tot een kwestie van waardering van de over te dragen certificaten. Dit is een louter vermogensrechtelijk geschil. De daarvoor benodigde financiële informatie is met behulp van Bijman boven tafel gekomen. De stelling van [certificaathouder 1] dat zij nog altijd niet beschikt over relevante informatie over de toestand van de vennootschap is wat de OK-functionarissen betreft ongegrond. Samengevat concluderen zij dat de discussie over de waardering afgewikkeld kan worden in de tussen partijen al lopende procedure over het uittredingsverzoek met inachtneming van de waarborgen die de Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling daarvoor geeft.


b) De OK-functionarissen menen verder dat er geen basis of rechtvaardiging bestaat voor de onbeperkte informatieuitvraag van [certificaathouder 1] , (i) zonder dat er daarbij oog is voor de belangen van Hoad Holding en (ii) zolang niet helder is met welk doel deze informatie wordt opgevraagd en aan welke partij deze informatie ter beschikking wordt gesteld. Wat de OK-functionarissen betreft beschikt [certificaathouder 1] inmiddels over de relevante informatie. In de geschillenregeling zal een te benoemen deskundige bovendien eventueel voor de waardering relevante nog ontbrekende informatie ook kunnen opvragen.


c) Tot slot wijzen zij erop dat [certificaathouder 1] bedrijfsvertrouwelijke informatie van Hoad Holding heeft gedeeld met een derde zonder dat toegelicht is wie deze derde is en dat de niet nader genoemde derde mogelijk iemand is met een eigen belang bij de financiële informatie van Hoad Holding.





2.5
Op 18 juli 2025 heeft een comparitie van partijen ten overstaan van een raadsheer-commissaris plaatsgevonden met als doel te onderzoeken hoe vooruitgang in deze zaak kan worden geboekt. Er is toen overeenstemming bereikt over een wijziging van de getroffen onmiddellijke voorzieningen, wat heeft geleid tot die wijziging bij beschikking van 22 juli 2025 (zie 1.3). Verder zijn afspraken gemaakt over nader overleg tussen partijen over een redelijke prijs. Tijdens de daarop gevolgde bespreking onder leiding van de OK-functionarissen op 1 september 2025 zijn partijen niet tot elkaar gekomen.



2.6
Op 21 oktober 2025 hebben de OK-functionarissen zich gewend tot de Ondernemingskamer met het verzoek om met onmiddellijke ingang te worden ontheven van hun functie. Zij hebben dit verzoek gedaan omdat een schuldeiser van Hoad Holding (BNP Paribas Fortis N.V.) het faillissement van de vennootschap had aangevraagd. Nadat de Ondernemingskamer dit verzoek had ingewilligd heeft de Ondernemingskamer partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de voortzetting van de enquêteprocedure en de gelaste voorzieningen en met name ook over de manier waarop in de kosten daarvan voorzien zou moeten worden. Partijen hebben vervolgens gezamenlijk de Ondernemingskamer verzocht de beslissing over het voortzetten van de enquêteprocedure aan te houden en opnieuw geprobeerd toch nog tot overeenstemming te komen. Toen dat niet lukte, hebben zij zich over de voortzetting van de enquêteprocedure uitgelaten bij de onder 1.4 genoemde brief van [certificaathouder 1] van 13 februari 2026, de onder 1.5 genoemde akte van Hoad c.s. van 27 februari 2026 en op de zitting van 16 juli 2026.



2.7

[certificaathouder 1] verzoekt een onderzoeker aan te wijzen die zal worden belast met het verrichten van het onderzoek als bevolen in de beschikking van 27 februari 2025. Ter zitting is van de zijde van [certificaathouder 1] erkend dat zij met deze procedure uiteindelijk beoogt te bewerkstelligen dat de door haar gehouden certificaten worden overgedragen aan [bestuurder] tegen betaling van een redelijke prijs. Partijen zijn volgens [certificaathouder 1] nog slechts verdeeld over de hoogte van de prijs die zal moeten worden betaald. De waardering van Bijman kan daarbij niet tot uitgangspunt dienen. Omdat geen eerlijke procedure is gevolgd en onvoldoende transparantie is betracht, kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de financiële informatie waarop die waardering is gebaseerd. [certificaathouder 1] heeft H. Haanappel van Vantage Valuation B.V. (hierna: Haanappel) als deskundige ingeschakeld. Haanappel komt op basis van de informatie van Bijman en uitgaande van hetzelfde rekenmodel op een waardering van € 39.120.000 voor 100% van de aandelen waar Bijman uitkomt op € 5.470.000. Bovendien moet bij de prijs die [certificaathouder 1] voor haar certificaten wil ontvangen rekening worden gehouden met de gedragingen van [bestuurder] die de waarde ervan hebben gedrukt. Deze gedragingen zijn voor een deel al aan de orde geweest in de beschikking van 27 februari 2025. Een enquêteonderzoek kan nadere informatie verschaffen over deze gedragingen. [certificaathouder 1] erkent dat een dergelijk onderzoek tijd en geld kost, terwijl het geschil zich inmiddels heeft versmald tot een waarderingsexercitie, en [certificaathouder 1] ook tot een afronding van het geschil wenst te komen. Desgevraagd heeft [certificaathouder 1] laten weten dat zij niet bereid is de kosten van het onderzoek en de onmiddellijke voorzieningen voor te schieten.



2.8
Hoad c.s. pleit voor het beëindigen van de enquêteprocedure als gevolg waarvan de onmiddellijke voorzieningen per direct komen te eindigen en stelt daartoe het volgende. De financiële situatie van de Hoad-groep staat sinds de beschikking van 27 februari 2025 onder druk. Als gevolg van de getroffen onmiddellijke voorzieningen is een dochtervennootschap van Hoad Holding vooralsnog niet in staat gebleken om een belangrijke onroerende zaak te herfinancieren. Met deze herfinanciering zou niet alleen de huidige financiering worden afgelost, maar zouden ook andere activiteiten van de groep gefinancierd worden. Er is sprake van liquiditeitskrapte. De enige activa met enige substantiële waarde zijn onroerende zaken die niet eenvoudig of op korte termijn liquide te maken zijn. Ook de kosten van de OK-functionarissen hebben gedrukt op de liquiditeitspositie van Hoad Holding. Hiervoor heeft [bestuurder] uit privémiddelen een bedrag van circa € 200.000 moeten lenen aan Hoad Holding. De groep heeft een saneringsverzoek ingediend bij de Belastingdienst na een gesprek met de Belastingdienst over de daar uitstaande schulden. Er is dan ook een melding van betalingsonmacht gedaan bij de Belastingdienst. BNP Paribas Fortis N.V., die een deel van het onroerend goed had gefinancierd, heeft in oktober 2025 aangekondigd het faillissement van Hoad Holding te gaan aanvragen. Ter afwending van het faillissement heeft Hoad Holding een lening moeten aantrekken tegen een aanzienlijk hogere rente en waarvoor [bestuurder] zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft moeten verbinden. De hogere rente van die financiering drukt de beschikbare liquiditeit en de hoofdsom moet uiterlijk in maart 2027 worden terugbetaald. Hoad Holding hoopt nu drie dochtervennootschappen te kunnen verkopen zodat met de opbrengsten die resteren na aflossing van de betreffende financieringen en betaling van de belastingen, schuldeisers kunnen worden betaald. Dit is tot op heden nog niet gelukt. Van al deze omstandigheden is [certificaathouder 1] op de hoogte. Hoad Holding kan als gevolg van het gebrek aan liquiditeit op dit moment de kosten van een onderzoek en de onmiddellijke voorzieningen niet dragen. De OK-functionarissen hebben geconcludeerd dat de onmiddellijke voorzieningen hun effect hebben gehad en dat alle informatie die gedeeld moest worden, is gedeeld. Net als de OK-functionarissen en [certificaathouder 1] is Hoad c.s. van mening dat het geschil tussen partijen zich nu beperkt tot de vraag of en, zo ja, tegen welke prijs de certificaten moeten worden overgedragen en dat dit in de uittredingsprocedure dient te worden opgelost.


2.9
De Ondernemingskamer stelt voorop dat de bevoegdheid een enquête te bevelen indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, een discretionaire is: bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De belangenafweging moet steunen op de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij naast de doeleinden van het enquêterecht mede moeten worden betrokken de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil en de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon en bij de belangenafweging staat dat belang daarom voorop (Hoge Raad 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1705). Diezelfde afweging zal de Ondernemingskamer moeten maken indien, zoals hier het geval, wordt verzocht een eenmaal bevolen enquête weer te beëindigen in verband met gewijzigde omstandigheden.



2.10
Bij die afweging moet als gezegd worden betrokken of de doeleinden van het enquêterecht met een voorzetting nog worden gediend. Tot de doeleinden van het enquêterecht behoren de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, het verkrijgen van opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan (Hoge Raad 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234 (Ogem II)). Tot de doeleinden van het enquêterecht behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen (Hoge Raad 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465 (Unilever)).



2.11
De OK-functionarissen hebben geconcludeerd dat het geschil tussen partijen zich in dit stadium beperkt tot een vermogensrechtelijk geschil over de overdracht van de door [certificaathouder 1] gehouden certificaten van aandelen en de daarvoor door [bestuurder] of Hoad Holding te betalen prijs en dat dit geschil in de uittredingsprocedure kan worden beslecht. Uit de hiervoor weergegeven standpunten van partijen blijkt dat zij deze conclusie delen. Voor zover [certificaathouder 1] nog heeft verwezen naar gedragingen van [bestuurder] die nader onderzocht zouden moeten worden, heeft zij dit vooral aangevoerd in het kader van de billijke verhoging waarom zij in de uittredingsprocedure heeft verzocht. Partijen onderkennen dat (de gevolgen van) die gedragingen ook onderwerp kunnen zijn van het onderzoek door een eventueel in die procedure te benoemen waarderingsdeskundige



2.12
Tegen deze achtergrond moet worden geconcludeerd dat het doel dat [certificaathouder 1] met deze procedure nastreeft nog slechts is de overdracht van de door haar gehouden certificaten tegen een redelijke prijs en dat met voortzetting van de enquêteprocedure niet langer het herstel van gezonde verhoudingen binnen de rechtspersoon wordt beoogd. Zo nodig kan de in de lopende uittredingsprocedure te benoemen waarderingsdeskundige onderzoek doen naar omstandigheden die relevant zijn voor de prijsbepaling. Vaststelling van eventueel wanbeleid en de vraag wie daarvoor verantwoordelijk is, draagt aan de door partijen beoogde scheiding der wegen niet bij.



2.13
Tegelijkertijd heeft Hoad c.s. voldoende aannemelijk gemaakt dat binnen de Hoad-groep sprake is van ernstige liquiditeitskrapte en dat een ingrijpende herfinanciering van het onroerend goed noodzakelijk is. Onbetwist is gebleven dat [bestuurder] om die reden de kosten van de getroffen voorzieningen vooralsnog uit eigen middelen heeft moeten betalen en in dat kader tot op heden circa € 200.000 heeft voorgeschoten. Dat de kosten van het onderzoek door Hoad Holding kunnen worden voldaan is daarmee bepaald onzeker. Verder is niet bestreden dat [bestuurder] zich hoofdelijk heeft moeten verbinden voor een aangetrokken tijdelijke lening ter afwending van de dreigende faillissementsaanvraag door BNP Paribas Fortis N.V. en dat deze lening in maart 2027 moet worden afgelost. Ter zitting is toegelicht dat ook de door Triodos bank verstrekte financiering inmiddels per 1 juli 2026 is geëindigd, waarbij de hoofdsom is afgeboekt in rekening-courant waardoor ook over deze lening een aanzienlijk hogere rente verschuldigd is. De Hoad-groep is om die reden genoodzaakt om op korte termijn een zeer omvangrijke herfinanciering aan te trekken voor haar onroerendgoed-portefeuille en aannemelijk is dat de Hoad-groep die herfinanciering niet, of slechts tegen zeer ongunstige voorwaarden zal kunnen verkrijgen zolang er onduidelijkheid blijft bestaan over de voortgang van deze enquêteprocedure, het voortduren van de getroffen voorzieningen en daarmee over de zeggenschap binnen de onderneming.



2.14
De Ondernemingskamer is van oordeel dat bij deze stand van zaken, waarbij in de kern nog slechts sprake is van een vermogensrechtelijk geschil en de doeleinden van het enquêterecht met een onderzoek nog maar zeer beperkt gediend kunnen worden, het belang van Hoad Holding en door haar gedreven onderneming bij beëindiging van het onderzoek en de onmiddellijke voorzieningen de doorslag moet geven. De Ondernemingskamer zal om die reden het bij beschikking van 27 februari 2025 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Hoad Holding en de getroffen voorzieningen met onmiddellijke ingang beëindigen.



2.15
De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding voor een verdere kostenveroordeling.






3De beslissing


De Ondernemingskamer:



beëindigt met ingang van heden, het bij beschikking van 27 februari 2025 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Hoad Holding B.V.;



heft op, met ingang van heden, de getroffen onmiddellijke voorzieningen;



verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.




Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Wessels, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. C.H. Rombouts, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink en drs. A.G. Thomassen, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.C.W. Wijffels, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.