Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2151
2026-08-04
Civiel recht
200.364.466/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondkapjesdeal’. Herroepingsverzoek met betrekking tot ECLI:NL:GHAMS:2025:3001 vanwege na het arrest verkregen informatie. Het verzoek wordt afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.889 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.466/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2026
inzake
1STICHTING HULPTROEPEN ALLIANTIE,
2. HULPTROEPEN ALLIANTIE B.V.,
beide gevestigd te Amsterdam,
eiseressen,
advocaat mr. I. Spinath te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] ,
2. LABORARE OMNIA VINCIT B.V.,
gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
gedaagden,
advocaat: mr. S.M. Bartman te Baambrugge,
Partijen worden aangeduid als SHA, HA (tezamen: SHA c.s.), [geïntimeerde] en LOV (tezamen: [geïntimeerden] ).
1De zaak in het kort
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam zijn [geïntimeerden] met een aantal andere personen en entiteiten hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SHA van een voorschot van € 20.733.550. Dit hof heeft bij arrest van 7 november 2025 geoordeeld dat SHA c.s. in de gegeven omstandigheden misbruik maken van hun bevoegdheid als executoriaal beslaglegger door niet mee te werken aan gedeeltelijke opheffing van het beslag tot een bedrag van € 100.000, om [geïntimeerden] in staat te stellen hun advocatenkosten te betalen in het hoger beroep van het vonnis.
SHA c.s. menen dat er grond is voor herroeping van dit arrest. Zij stellen op grond van nadien verkregen informatie dat dit arrest berust op bedrog door [geïntimeerden] in het geding gepleegd zoals bedoeld in art. 382 sub a Rv en het achterhouden van stukken van beslissende aard in de zin van art. 382 sub c Rv.
Het hof wijst de herroepingsvordering af.
2Het verdere verloop van het geding
Op 12 mei 2026 is arrest gewezen in het door SHA c.s. opgeworpen incident tot voeging ex art. 222 Rv. Daarin is het procesverloop vermeld tot aan het wijzen van arrest in het incident.
Vervolgens is arrest gevraagd in de hoofdzaak.
3De feiten
Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
3.1.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2025 zijn [geïntimeerden] en een aantal andere personen en entiteiten hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SHA van een voorschot van € 20.733.550,-. Voor het vaststellen van de schade is de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. De vorderingen van SHA c.s. vloeien voort uit de zogenaamde ‘mondkapjesdeal’. De Staat had in verband daarmee eveneens vorderingen ingesteld, die zijn afgewezen in het vonnis. In het vonnis zijn [geïntimeerde] en een aantal andere personen en entiteiten verder, in het kader van proceskostenveroordelingen, veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen aan SHA respectievelijk HA. Verschillende partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Deze hoger beroepsprocedure wordt hierna aangeduid als: het Hoger Beroep.
3.2.
SHA c.s. hebben executoriaal beslag gelegd ten laste van [geïntimeerden] en de andere personen en entiteiten die in het vonnis zijn veroordeeld tot betaling van het voorschot. Dit beslag heeft in totaal voor een bedrag van ruim € 16,5 miljoen doel getroffen, waarvan in ieder geval ongeveer € 5,7 miljoen ten laste van [geïntimeerden] (hierna: het Beslag).
3.3.
Bij arrest van 7 november 2025 (hierna: het Arrest) is de vordering van [geïntimeerden] strekkend tot opheffing van het Beslag tot een bedrag van € 100.000,- toewijsbaar geacht. Het hof oordeelde dat sprake was van een zodanige onevenredigheid tussen de belangen van partijen dat SHA c.s. in de gegeven omstandigheden misbruik maken van hun bevoegdheid als executoriaal beslaglegger door niet mee te werken aan gedeeltelijke opheffing van het Beslag tot een bedrag van € 100.000,- om [geïntimeerden] in staat te stellen hun advocatenkosten in het Hoger Beroep te betalen.
4Beoordeling
4.1.
SHA c.s. vorderen herroeping van het Arrest. Zij stellen dat uit nadien verkregen informatie (hierna: de Informatie) blijkt dat het Arrest berust op bedrog door [geïntimeerden] in het geding gepleegd zoals bedoeld in art. 382 sub a Rv en het achterhouden van stukken van beslissende aard in de zin van art. 382 sub c Rv. [geïntimeerden] betwisten dit gemotiveerd.
4.2.
SHA c.s. stellen dat [geïntimeerden] in de procedure waarin het Arrest is gewezen hebben aangevoerd dat hun financiële middelen zijn uitgeput, terwijl uit de Informatie blijkt dat [geïntimeerden] daarbij hebben verhuld dat zij beschikken over niet door SHA c.s. beslagen vermogensbestanddelen, te weten:
a. een 100% aandelenbelang van LOV in Woov Seed B.V. (hierna: Woov), ter waarde van € 360.000,-;
b. een door LOV aan Woov verstrekte converteerbare lening, waaruit LOV in de maanden mei, juli, augustus, september en oktober 2025 aflossingstermijnen van telkens € 1.250,- heeft ontvangen;
c. een vordering in rekening-courant van LOV op Woov van € 6.805,60,-;
d. door [geïntimeerde] gehouden certificaten van aandelen in “Oneteam Flex-Appeal” met een waarde van € 19.538, -.
4.3.
[geïntimeerden] weerspreken niet dat de onder 4.2. bedoelde gegevens op zichzelf juist zijn, maar wel dat het niet noemen hiervan grond kan zijn voor herroeping van het Arrest.
In de begeleidende brief bij het verstrekken van de Informatie hebben [geïntimeerden] erop gewezen dat het LOV het onder a. bedoelde aandelenbelang indirect, via Woov Holding B.V., houdt. Bij de waardering van € 360.000,- staat vermeld dat deze dateert uit 2017-2018 en wordt opgemerkt dat de commerciële waarde van deze deelneming nagenoeg nihil is door verwatering van de waarde per aandeel door aandelenuitgiftes, structureel verlies en grote schulden. [geïntimeerden] hebben erop gewezen dat tijdens de AVA van 6 maart 2024 die was bijeengeroepen voor de uitgifte van nieuwe aandelen de ‘pre-money valuation’ lag op slechts € 250.000,-.
4.4.
Dit verweer snijdt hout. Het geschil waarin het Arrest is gewezen ging over de vraag of het door SHA c.s. ten laste van [geïntimeerden] gelegde executoriaal beslag gedeeltelijk moest worden opgeheven om [geïntimeerden] in staat te stellen zijn onbetwist zeer omvangrijke advocatenkosten in het Hoger Beroep te voldoen. De kern van het door [geïntimeerden] gevoerde betoog was dat dat zij niet over voldoende liquide middelen daarvoor beschikten.
Het komt dus, in het onderhavige geschil, erop aan of [geïntimeerden] het hof hebben misleid, omdat zij, anders dan gesteld, toch over voldoende substantiële liquide middelen konden beschikken.
4.5.
SHA c.s. stellen geen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het door hen genoemde bedrag van € 360.000,- (toch) de eind 2025 reëel te achten waarde van de door LOV indirect gehouden aandelen in Woov vertegenwoordigt. Verder gaat het, net als bij de onder d. bedoelde certificaten om een deelname in een start-up die niet zonder meer eenvoudig liquide te maken is, net als (naar aannemelijk is, bij gebreke van onderbouwing in andere zin) de lening waarop de aflossingen onder b. zien. Ook als deze liquide gemaakt kunnen worden, is de waarde van de onder a., c. en d. genoemde vermogensbestanddelen voorts gering in verhouding tot de onbetwist hoge advocatenkosten die [geïntimeerden] moeten maken in verband met het Hoger Beroep. Dat laatste geldt ook voor de wel liquide, kennelijk doorlopende maandelijkse aflossing onder b., waarvan [geïntimeerden] overigens betwisten dat die hen ten goede komen.
4.6.
Gezien het in rov. 4.5.. overwogene, tast de Informatie het betoog van [geïntimeerden] dat zij over onvoldoende liquide middelen konden beschikken om hun advocatenkosten te kunnen betalen niet aan en werpt het in essentie geen ander licht op de voor het Arrest relevante feiten en omstandigheden. SHA c.s. menen dan ook ten onrechte dat [geïntimeerden] , door de Informatie niet te verstrekken, hebben belet dat in de procedure waarin het Arrest is gewezen feiten aan het licht zijn gekomen die tot een voor SHA c.s. gunstiger afloop van die procedure hadden kunnen leiden en dat [geïntimeerden] daarmee stukken van beslissende aard hebben achtergehouden. De herroepingsvordering is niet toewijsbaar.
4.7.
SHA c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] zoals vermeld in het dictum.
4.8.
Het in de memorie van antwoord opgenomen verzoek van [geïntimeerden] om een voorziening te treffen op de voet van art. 223 Rv, ertoe strekkende dat SHA c.s. worden bevolen om alsnog een aanvullend bedrag van € 50.000,- vrij te maken uit het beslag genoemd onder het dictum van het Arrest van 7 november 2025, onder gelijke voorwaarden als daarin genoemd, ligt voor onmiddellijke afwijzing gereed. In dit arrest wordt immers een eindoordeel gegeven in de herroepingsprocedure en het art. 223 Rv verzoek kan slechts zien op deze procedure. De door [geïntimeerden] aan SHA c.s. te betalen proceskosten worden op nihil gesteld omdat zij geen kosten hebben gemaakt in dit incident.
4.9.
Tot slot merkt het hof ten overvloede op dat niet kan worden uitgesloten dat de grenzen van de goede procesorde in zicht zullen kunnen komen indien partijen over en weer voortgaan met het voeren van nieuwe procedures en het opwerpen van incidenten, terwijl in het Hoger Beroep afspraken zijn gemaakt over het verloop van die procedure.
5Beslissing
Het hof:
In het incident ex art. 223 Rv
wijst de door [geïntimeerden] gevraagde voorziening ex art. 223 Rv af;
bepaalt dat de door [geïntimeerden] aan SHA c.s. te betalen proceskosten nihil bedragen;
in de herroepingszaak
wijst de vordering af;
veroordeelt SHA c.s. in de proceskosten van [geïntimeerden] die, met inbegrip van de kosten in het incident, worden bepaald op nihil aan verschotten en € 3.797,-. voor kosten advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, L. Alwin en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.466/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2026
inzake
1STICHTING HULPTROEPEN ALLIANTIE,
2. HULPTROEPEN ALLIANTIE B.V.,
beide gevestigd te Amsterdam,
eiseressen,
advocaat mr. I. Spinath te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] ,
2. LABORARE OMNIA VINCIT B.V.,
gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
gedaagden,
advocaat: mr. S.M. Bartman te Baambrugge,
Partijen worden aangeduid als SHA, HA (tezamen: SHA c.s.), [geïntimeerde] en LOV (tezamen: [geïntimeerden] ).
1De zaak in het kort
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam zijn [geïntimeerden] met een aantal andere personen en entiteiten hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SHA van een voorschot van € 20.733.550. Dit hof heeft bij arrest van 7 november 2025 geoordeeld dat SHA c.s. in de gegeven omstandigheden misbruik maken van hun bevoegdheid als executoriaal beslaglegger door niet mee te werken aan gedeeltelijke opheffing van het beslag tot een bedrag van € 100.000, om [geïntimeerden] in staat te stellen hun advocatenkosten te betalen in het hoger beroep van het vonnis.
SHA c.s. menen dat er grond is voor herroeping van dit arrest. Zij stellen op grond van nadien verkregen informatie dat dit arrest berust op bedrog door [geïntimeerden] in het geding gepleegd zoals bedoeld in art. 382 sub a Rv en het achterhouden van stukken van beslissende aard in de zin van art. 382 sub c Rv.
Het hof wijst de herroepingsvordering af.
2Het verdere verloop van het geding
Op 12 mei 2026 is arrest gewezen in het door SHA c.s. opgeworpen incident tot voeging ex art. 222 Rv. Daarin is het procesverloop vermeld tot aan het wijzen van arrest in het incident.
Vervolgens is arrest gevraagd in de hoofdzaak.
3De feiten
Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
3.1.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2025 zijn [geïntimeerden] en een aantal andere personen en entiteiten hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SHA van een voorschot van € 20.733.550,-. Voor het vaststellen van de schade is de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. De vorderingen van SHA c.s. vloeien voort uit de zogenaamde ‘mondkapjesdeal’. De Staat had in verband daarmee eveneens vorderingen ingesteld, die zijn afgewezen in het vonnis. In het vonnis zijn [geïntimeerde] en een aantal andere personen en entiteiten verder, in het kader van proceskostenveroordelingen, veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen aan SHA respectievelijk HA. Verschillende partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Deze hoger beroepsprocedure wordt hierna aangeduid als: het Hoger Beroep.
3.2.
SHA c.s. hebben executoriaal beslag gelegd ten laste van [geïntimeerden] en de andere personen en entiteiten die in het vonnis zijn veroordeeld tot betaling van het voorschot. Dit beslag heeft in totaal voor een bedrag van ruim € 16,5 miljoen doel getroffen, waarvan in ieder geval ongeveer € 5,7 miljoen ten laste van [geïntimeerden] (hierna: het Beslag).
3.3.
Bij arrest van 7 november 2025 (hierna: het Arrest) is de vordering van [geïntimeerden] strekkend tot opheffing van het Beslag tot een bedrag van € 100.000,- toewijsbaar geacht. Het hof oordeelde dat sprake was van een zodanige onevenredigheid tussen de belangen van partijen dat SHA c.s. in de gegeven omstandigheden misbruik maken van hun bevoegdheid als executoriaal beslaglegger door niet mee te werken aan gedeeltelijke opheffing van het Beslag tot een bedrag van € 100.000,- om [geïntimeerden] in staat te stellen hun advocatenkosten in het Hoger Beroep te betalen.
4Beoordeling
4.1.
SHA c.s. vorderen herroeping van het Arrest. Zij stellen dat uit nadien verkregen informatie (hierna: de Informatie) blijkt dat het Arrest berust op bedrog door [geïntimeerden] in het geding gepleegd zoals bedoeld in art. 382 sub a Rv en het achterhouden van stukken van beslissende aard in de zin van art. 382 sub c Rv. [geïntimeerden] betwisten dit gemotiveerd.
4.2.
SHA c.s. stellen dat [geïntimeerden] in de procedure waarin het Arrest is gewezen hebben aangevoerd dat hun financiële middelen zijn uitgeput, terwijl uit de Informatie blijkt dat [geïntimeerden] daarbij hebben verhuld dat zij beschikken over niet door SHA c.s. beslagen vermogensbestanddelen, te weten:
a. een 100% aandelenbelang van LOV in Woov Seed B.V. (hierna: Woov), ter waarde van € 360.000,-;
b. een door LOV aan Woov verstrekte converteerbare lening, waaruit LOV in de maanden mei, juli, augustus, september en oktober 2025 aflossingstermijnen van telkens € 1.250,- heeft ontvangen;
c. een vordering in rekening-courant van LOV op Woov van € 6.805,60,-;
d. door [geïntimeerde] gehouden certificaten van aandelen in “Oneteam Flex-Appeal” met een waarde van € 19.538, -.
4.3.
[geïntimeerden] weerspreken niet dat de onder 4.2. bedoelde gegevens op zichzelf juist zijn, maar wel dat het niet noemen hiervan grond kan zijn voor herroeping van het Arrest.
In de begeleidende brief bij het verstrekken van de Informatie hebben [geïntimeerden] erop gewezen dat het LOV het onder a. bedoelde aandelenbelang indirect, via Woov Holding B.V., houdt. Bij de waardering van € 360.000,- staat vermeld dat deze dateert uit 2017-2018 en wordt opgemerkt dat de commerciële waarde van deze deelneming nagenoeg nihil is door verwatering van de waarde per aandeel door aandelenuitgiftes, structureel verlies en grote schulden. [geïntimeerden] hebben erop gewezen dat tijdens de AVA van 6 maart 2024 die was bijeengeroepen voor de uitgifte van nieuwe aandelen de ‘pre-money valuation’ lag op slechts € 250.000,-.
4.4.
Dit verweer snijdt hout. Het geschil waarin het Arrest is gewezen ging over de vraag of het door SHA c.s. ten laste van [geïntimeerden] gelegde executoriaal beslag gedeeltelijk moest worden opgeheven om [geïntimeerden] in staat te stellen zijn onbetwist zeer omvangrijke advocatenkosten in het Hoger Beroep te voldoen. De kern van het door [geïntimeerden] gevoerde betoog was dat dat zij niet over voldoende liquide middelen daarvoor beschikten.
Het komt dus, in het onderhavige geschil, erop aan of [geïntimeerden] het hof hebben misleid, omdat zij, anders dan gesteld, toch over voldoende substantiële liquide middelen konden beschikken.
4.5.
SHA c.s. stellen geen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het door hen genoemde bedrag van € 360.000,- (toch) de eind 2025 reëel te achten waarde van de door LOV indirect gehouden aandelen in Woov vertegenwoordigt. Verder gaat het, net als bij de onder d. bedoelde certificaten om een deelname in een start-up die niet zonder meer eenvoudig liquide te maken is, net als (naar aannemelijk is, bij gebreke van onderbouwing in andere zin) de lening waarop de aflossingen onder b. zien. Ook als deze liquide gemaakt kunnen worden, is de waarde van de onder a., c. en d. genoemde vermogensbestanddelen voorts gering in verhouding tot de onbetwist hoge advocatenkosten die [geïntimeerden] moeten maken in verband met het Hoger Beroep. Dat laatste geldt ook voor de wel liquide, kennelijk doorlopende maandelijkse aflossing onder b., waarvan [geïntimeerden] overigens betwisten dat die hen ten goede komen.
4.6.
Gezien het in rov. 4.5.. overwogene, tast de Informatie het betoog van [geïntimeerden] dat zij over onvoldoende liquide middelen konden beschikken om hun advocatenkosten te kunnen betalen niet aan en werpt het in essentie geen ander licht op de voor het Arrest relevante feiten en omstandigheden. SHA c.s. menen dan ook ten onrechte dat [geïntimeerden] , door de Informatie niet te verstrekken, hebben belet dat in de procedure waarin het Arrest is gewezen feiten aan het licht zijn gekomen die tot een voor SHA c.s. gunstiger afloop van die procedure hadden kunnen leiden en dat [geïntimeerden] daarmee stukken van beslissende aard hebben achtergehouden. De herroepingsvordering is niet toewijsbaar.
4.7.
SHA c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] zoals vermeld in het dictum.
4.8.
Het in de memorie van antwoord opgenomen verzoek van [geïntimeerden] om een voorziening te treffen op de voet van art. 223 Rv, ertoe strekkende dat SHA c.s. worden bevolen om alsnog een aanvullend bedrag van € 50.000,- vrij te maken uit het beslag genoemd onder het dictum van het Arrest van 7 november 2025, onder gelijke voorwaarden als daarin genoemd, ligt voor onmiddellijke afwijzing gereed. In dit arrest wordt immers een eindoordeel gegeven in de herroepingsprocedure en het art. 223 Rv verzoek kan slechts zien op deze procedure. De door [geïntimeerden] aan SHA c.s. te betalen proceskosten worden op nihil gesteld omdat zij geen kosten hebben gemaakt in dit incident.
4.9.
Tot slot merkt het hof ten overvloede op dat niet kan worden uitgesloten dat de grenzen van de goede procesorde in zicht zullen kunnen komen indien partijen over en weer voortgaan met het voeren van nieuwe procedures en het opwerpen van incidenten, terwijl in het Hoger Beroep afspraken zijn gemaakt over het verloop van die procedure.
5Beslissing
Het hof:
In het incident ex art. 223 Rv
wijst de door [geïntimeerden] gevraagde voorziening ex art. 223 Rv af;
bepaalt dat de door [geïntimeerden] aan SHA c.s. te betalen proceskosten nihil bedragen;
in de herroepingszaak
wijst de vordering af;
veroordeelt SHA c.s. in de proceskosten van [geïntimeerden] die, met inbegrip van de kosten in het incident, worden bepaald op nihil aan verschotten en € 3.797,-. voor kosten advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, L. Alwin en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.