Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2131

2026-06-09 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/778
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/778
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WOZ. De gevraagde ‘percentages waarmee wordt gecorrigeerd’ (KOUDVL-correcties) zijn geen gegevens als bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.485 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM


kenmerk 25/778



9 juni 2026




uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende]
, wonende te [plaats] , belanghebbende,
gemachtigde: D. van der Locht (Juist, onderdeel van Previcus B.V.)



tegen de uitspraak van 10 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/4375 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



belanghebbende



en




de heffingsambtenaar van de gemeente Wormerland, de heffingsambtenaar.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 517.000 (hierna: de WOZ-waarde). In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023 aan belanghebbende bekendgemaakt.



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft op 24 maart 2025 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Daarbij is een machtiging van belanghebbende van 22 februari 2023 overgelegd. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 24 april 2025 verzocht om een recente machtiging van belanghebbende. Daarop is een machtiging van belanghebbende overgelegd met dagtekening 27 mei 2025.



1.6.

Partijen hebben het Hof laten weten dat zij geen bezwaren hebben tegen het achterwege laten van een zitting. Hierop heeft het Hof besloten een zitting achterwege te laten. Het Hof heeft partijen vervolgens bij brief van 20 mei 2026 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten





2.1.
Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht – voor zover in hoger beroep van belang – om verstrekking van de correctiefactoren voor kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (hierna: KOUDVL-correcties) die bij de initiële waardebepaling zijn gebruikt met betrekking tot de woning en de vergelijkingsobjecten.



2.2.
De heffingsambtenaar heeft op dit verzoek gereageerd door bij e-mail van 10 mei 2025 onder meer een waardematrix toe te zenden met daarin vermeld de gehanteerde KOUDVL-correcties (de afwijkingen ten opzichte van de gemiddelde factor van 3) voor de woning en de bij de waardebepaling gebruikte vergelijkingsobjecten. Een medewerker van het kantoor van de gemachtigde heeft de ontvangst van deze gegevens bevestigd bij e-mailbericht van 10 mei 2025.



2.3.
Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de gemachtigde zijn informatieverzoek met betrekking tot de KOUDVL-correcties als volgt gespecificeerd:


“Graag ontvangen wij inzicht in de manier waarop en de percentages waarmee gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelde KOUDV- en liggingswaardering.”







3Geschil in hoger beroep


Primair is de ontvankelijkheid van het hoger beroep in geschil. Indien het hoger beroep ontvankelijk is, is tussen partijen in geschil of de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De vastgestelde WOZ-waarde van de woning is in hoger beroep niet langer in geschil.






4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):



“13. Eiser heeft voorts gesteld dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden, omdat verweerder geen inzicht heeft gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Hierdoor zou eiser niet in de gelegenheid zijn gesteld de onderbouwing en de daaruit voortkomende WOZ-waarde van de woning te controleren. Uit de stukken komt naar voren dat verweerder per
e-mailbericht van 10 mei 2023 de door eiser gevraagde KOUDVL-factoren (matrix) en het kavelmodel heeft verstrekt. De heer [naam] heeft de ontvangst van deze stukken op 10 mei 2023 bevestigd. Dat eiser de gevraagde stukken niet zou hebben ontvangen volgt de rechtbank daarom niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het toezenden van deze stukken aan zijn wettelijke verplichtingen voldaan. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het is de rechtbank bovendien niet gebleken dat tijdens de hoorzitting is geklaagd over het ontbreken van stukken.”







5Beoordeling van het geschil



Ontvankelijkheid hoger beroep



5.1.
De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de bij het hogerberoepschrift overgelegde machtiging meer dan twee jaar oud is. Bovendien heeft het hoger beroep uitsluitend nog betrekking op de gevraagde vergoeding van proceskosten die niet aan belanghebbende, maar aan de gemachtigde ten goede komt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844 (r.o. 2.3.2) leidt de heffingsambtenaar af dat het hoger beroep ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.



5.2.

Naar het oordeel van het Hof is het hoger beroep ontvankelijk. Na een verzoek daartoe van het Hof heeft de gemachtigde een ondertekende machtiging met dagtekening 27 mei 2025 overgelegd (zie 1.5), waaruit blijkt dat degene die zich bij het indienen van het hoger beroep als gemachtigde heeft gesteld (de in de aanhef van deze uitspraak vermelde rechtsbijstandverlener), daartoe op rechtsgeldige wijze door belanghebbende is gemachtigd.
Aangezien het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende in het onderhavige geval in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht en bovendien is voldaan aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het hoger beroep ontvankelijk worden geacht (zie Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2).




Artikel 40, lid 2, Wet WOZ




5.3.
Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank ten onrechte geen schending van het voorschrift van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft aangenomen. In de bezwaarfase heeft belanghebbende aan de heffingsambtenaar verzocht om informatie over de wijze waarop bij de waardevaststelling rekening is gehouden met verschillen in KOUDVL-kwalificaties. Deze gegevens/correcties zijn niet verstrekt bij de onder 2.2 vermelde e-mail van 10 mei 2023. Dat een kantoorgenoot van de gemachtigde de ontvangst van deze e-mail heeft bevestigd, zegt volgens belanghebbende dan ook niets. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep en hoger beroep.



5.4.
De heffingsambtenaar is van mening dat hij heeft voldaan aan de ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ op hem rustende verplichtingen. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende onder meer verzocht om het verstrekken van een aantal gegevens, waaronder de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde KOUDVL-correcties. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde zijn verzoek op dit punt gespecificeerd en heeft hij gevraagd om het ontvangen van inzicht in de manier waarop en de percentages waarmee gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelde KOUDVL-waardering (zie 2.3). Met de toezending van de onder 2.2 vermelde gegevens stelt de heffingsambtenaar aan het informatieverzoek van belanghebbende te hebben voldaan. De omstandigheid dat belanghebbende de toegepaste KOUDVL-correcties niet inzichtelijk acht, maakt dit niet anders, omdat artikel 40, lid 2, Wet WOZ slechts de verplichting bevat tot het verstrekken van bepaalde gegevens en niet tot het bieden van inzicht in de wijze waarop die gegevens bij de waardevaststelling zijn gebruikt.



5.5.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat
de bij de waardevaststelling gehanteerde KOUDVL-factoren niets anders zijn dan “rapportcijfers”, variërend van 1 tot en met 5, die aan diverse taxatieonderdelen worden gegeven. Deze zijn voor de taxateur een indicatie dat een bepaald objectdeel afwijkt van het gemiddelde, zodat hij hiermee bij zijn taxatie rekening kan houden. De waarde van een objectdeel wijzigt niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wanneer een KOUDVL-factor wordt bijgesteld. De gevolgen die deze factoren hebben voor de eindwaarde berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn ervaring en kennis, waarbij hij mede gebruik maakt van de marktanalyse en die hij doet in samenhang met de gebruikte vergelijkingsobjecten. Aldus de heffingsambtenaar, die concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.




5.6.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient de heffingsambtenaar aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, op verzoek een afschrift te verstrekken van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Deze informatieverplichting van de heffingsambtenaar geldt alleen voor zover de belanghebbende een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. De beperking tot gegevens die zijn opgenomen in stukken brengt mee dat uit artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet een algemene verplichting voortvloeit om op verzoek inzicht te geven in de wijze waarop de waarde van een onroerende zaak in het desbetreffende geval is bepaald. Het gaat in deze bepaling om een verplichting tot het verstrekken van afschriften, niet tot het geven van uitleg. Indien een bij de waardevaststelling gebruikt gegeven is bepaald of gecorrigeerd op basis van kennis en ervaring, kan artikel 40, lid 2, niet worden toegepast op die kennis en ervaring, noch op de bronnen daarvan. Kennis en ervaring van een deskundige vormen geen gegeven waarvan een afschrift kan worden verstrekt (zie Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (hierna: het arrest van 27 februari 2026), r.o. 5.5, 5.6 en 5.16.12). Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van de bij de waardevaststelling voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde KOUDVL-correcties. Belanghebbendes verzoek om ‘inzicht’ in de manier waarop gecorrigeerd wordt bij afwijking van gemiddelden kan niet worden beschouwd als een verzoek om gegevens die zijn opgenomen in stukken en faalt reeds daarom (r.o. 5.4 tot en met 5.6 van het arrest van 27 februari 2026).



5.7.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die meebrengen dat door hem gevraagde gegevens die aan de vaststelling van de waarde ten grondslag hebben gelegen en daarom onder de werking van artikel 40, lid 2, Wet WOZ vallen, niet zijn verstrekt. De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de onder 2.2 vermelde gegevens, waarvan de ontvangst door de gemachtigde is bevestigd, verstrekt. Voorts heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de wijze van waardevaststelling onvoldoende weersproken gesteld (i) dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer een KOUDVL-factor afwijkt van het gemiddelde, en (ii) dat de gevolgen die deze factoren voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Dat dit anders zou zijn, is uit de overgelegde matrix niet af te leiden. Gelet op wat hiervoor onder 5.6 is overwogen, moet daarom worden aangenomen dat de gevraagde ‘percentages waarmee gecorrigeerd wordt’ geen gegevens zijn als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ (vgl. het arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, r.o. 5.16.3, 5.16.12 en 6.2.1).




Slotsom




5.8.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.






6Kosten


Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.






7Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.




De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, R.C.H.M. Lips en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.







Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:



bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.




Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.




Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.




Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.