Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2073
2026-07-14
Civiel recht
200.366.765
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoger beroep van vonnis waarbij vordering tot herroeping is afgewezen; op grond van artikel 388 lid 2 Rv is een beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar voor hoger beroep; niet-ontvankelijk; geen (analoge) toepassing van artikel 73 Rv.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.834 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.366.765/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/771966 / HA ZA 25-1255
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
inzake
[appellant]
,
wonend te [plaats 1] (België),
appellant,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] (Zweden),
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.
1Het geding in hoger beroep
Bij dagvaarding van 16 maart 2026 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen onder bovengenoemd zaaknummer gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2025.
Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 14 april 2026.
Bij rolbeslissing van 14 april 2026 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 28 april 2026 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 388 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), en is bepaald dat geïntimeerde bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellant heeft zich, na een aanhouding van twee weken, op de rol van 12 mei 2026 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.
Geïntimeerde heeft op de rol van 26 mei 2026 een antwoordakte genomen.
Arrest is bepaald op heden.
2Beoordeling
2.1.
Bij dagvaarding van 25 april 2025 heeft appellant op de voet van artikel 382 Rv herroeping gevorderd van het door de rechtbank tussen haar en een rechtsvoorganger van geïntimeerde gewezen verstekvonnis van 30 januari 2013. De rechtbank heeft bij verstekvonnis van 18 juni 2025 het vonnis van 30 januari 2013 herroepen en vernietigd. Tegen dit vonnis heeft geïntimeerde bij dagvaarding van 27 juni 2025 verzet ingesteld. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank het verstekvonnis van 18 juni 2015 vernietigd en de vordering tot herroeping afgewezen, omdat die vordering buiten de daarvoor geldende termijn van artikel 383 lid 1 Rv is ingesteld. Tegen dat vonnis richt appellant zich met het onderhavige hoger beroep.
2.2.
Op grond van artikel 388 lid 2 Rv is een beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar voor hoger beroep. Het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv ziet zowel op de beslissing waarbij het geding wordt heropend als op de beslissing, zoals in het onderhavige geval, waarbij de vordering tot herroeping wordt afgewezen, met als noodzakelijk gevolg dat het geding niet wordt heropend. Appellant kan daarom niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.
2.3.
Artikel 388 lid 2 Rv bevat geen algeheel rechtsmiddelenverbod, zodat tegen de beslissing tot heropening van het geding wel cassatieberoep openstaat. Gelet daarop heeft appellant bij zijn akte verzocht de zaak op de voet van artikel 73 Rv naar de Hoge Raad te verwijzen.
2.4.
In artikel 73 Rv is bepaald dat wanneer de rechter zich onbevoegd verklaart en een andere gewone rechter wel bevoegd is, hij de zaak naar deze rechter verwijst. Die situatie doet zich hier niet voor. In deze zaak is het hof immers niet onbevoegd, maar is appellant niet-ontvankelijk. Voor analoge toepassing in dit geval leent artikel 73 Rv zich niet. Het hof zal het verzoek tot verwijzing naar de Hoge Raad dan ook afwijzen.
2.5.
Het hof is van oordeel dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet worden veroordeeld. Voor het hanteren van een hoger liquidatietarief, zoals geïntimeerde heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.
3De beslissing
Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
wijst het verzoek tot verwijzing naar de Hoge Raad af;
veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 851,- aan verschotten en € 645,- aan salaris advocaat en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.366.765/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/771966 / HA ZA 25-1255
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
inzake
[appellant]
,
wonend te [plaats 1] (België),
appellant,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] (Zweden),
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.
1Het geding in hoger beroep
Bij dagvaarding van 16 maart 2026 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen onder bovengenoemd zaaknummer gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2025.
Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 14 april 2026.
Bij rolbeslissing van 14 april 2026 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 28 april 2026 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 388 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), en is bepaald dat geïntimeerde bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellant heeft zich, na een aanhouding van twee weken, op de rol van 12 mei 2026 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.
Geïntimeerde heeft op de rol van 26 mei 2026 een antwoordakte genomen.
Arrest is bepaald op heden.
2Beoordeling
2.1.
Bij dagvaarding van 25 april 2025 heeft appellant op de voet van artikel 382 Rv herroeping gevorderd van het door de rechtbank tussen haar en een rechtsvoorganger van geïntimeerde gewezen verstekvonnis van 30 januari 2013. De rechtbank heeft bij verstekvonnis van 18 juni 2025 het vonnis van 30 januari 2013 herroepen en vernietigd. Tegen dit vonnis heeft geïntimeerde bij dagvaarding van 27 juni 2025 verzet ingesteld. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank het verstekvonnis van 18 juni 2015 vernietigd en de vordering tot herroeping afgewezen, omdat die vordering buiten de daarvoor geldende termijn van artikel 383 lid 1 Rv is ingesteld. Tegen dat vonnis richt appellant zich met het onderhavige hoger beroep.
2.2.
Op grond van artikel 388 lid 2 Rv is een beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar voor hoger beroep. Het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv ziet zowel op de beslissing waarbij het geding wordt heropend als op de beslissing, zoals in het onderhavige geval, waarbij de vordering tot herroeping wordt afgewezen, met als noodzakelijk gevolg dat het geding niet wordt heropend. Appellant kan daarom niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.
2.3.
Artikel 388 lid 2 Rv bevat geen algeheel rechtsmiddelenverbod, zodat tegen de beslissing tot heropening van het geding wel cassatieberoep openstaat. Gelet daarop heeft appellant bij zijn akte verzocht de zaak op de voet van artikel 73 Rv naar de Hoge Raad te verwijzen.
2.4.
In artikel 73 Rv is bepaald dat wanneer de rechter zich onbevoegd verklaart en een andere gewone rechter wel bevoegd is, hij de zaak naar deze rechter verwijst. Die situatie doet zich hier niet voor. In deze zaak is het hof immers niet onbevoegd, maar is appellant niet-ontvankelijk. Voor analoge toepassing in dit geval leent artikel 73 Rv zich niet. Het hof zal het verzoek tot verwijzing naar de Hoge Raad dan ook afwijzen.
2.5.
Het hof is van oordeel dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet worden veroordeeld. Voor het hanteren van een hoger liquidatietarief, zoals geïntimeerde heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.
3De beslissing
Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
wijst het verzoek tot verwijzing naar de Hoge Raad af;
veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 851,- aan verschotten en € 645,- aan salaris advocaat en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.