Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2067

2026-07-28 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.362.107/01 en 200.364.439/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.362.107/01 en 200.364.439/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gezag en kinderalimentatie. Bekrachtiging beschikking rechtbank.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.090 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)


zaaknummers: 200.362.107/01 en 200.364.439/01
zaaknummer rechtbank: C/13/765825 FA RK 25/1756 (LH/MD)



beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van





[de vader] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland (briefadres te [plaats A] ),
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. T.T. Robijn te Amsterdam,



en





[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Imdahl te Amsterdam.



Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .



In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.






1De zaak in het kort


De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (13 jaar). De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder (hierna samen ook: de ouders) over [minderjarige] beëindigd en de moeder voortaan alleen met het gezag over hem belast. De vader is het daar niet mee eens. Hij wil samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] belast zijn. De moeder is het wel eens met deze beslissing van de rechtbank. Verder heeft de rechtbank een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) van € 150,- per maand vastgesteld. De vader is het daar niet mee eens. Hij wil minder kinderalimentatie betalen, omdat hij een laag inkomen heeft. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking op dit punt.









2De procedure in hoger beroep


2.1
De vader is op 28 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Het hof heeft op 16 december 2025 de bij het beroepschrift ontbrekende stukken ontvangen.



2.2
De moeder heeft op 6 februari 2026 een verweerschrift ingediend.



2.3
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.



2.4
De zitting heeft op 10 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door R. Dahman, een tolk in de Marokkaanse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw I. Stuifbergen.






3De feiten


3.1
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 28 juli 2017 gescheiden. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [in] 2012.



3.2
De ouders hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.



3.3
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2017 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, die inhoudt dat de vader [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van zaterdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij zich heeft.



3.4
Bij vonnis van 20 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de moeder toestemming (ter vervanging van die van de vader) verleend om [minderjarige] mee te nemen op vakantie naar Marokko in de periode van 30 juli tot en met 23 augustus 2024.



3.5
Bij vonnis van 23 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de moeder toestemming (ter vervanging van die van de vader) verleend om [minderjarige] mee te nemen op vakantie naar Marokko in de periode van 3 tot en met 24 augustus 2025.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de moeder het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder voortaan alleen belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten. Verder heeft de rechtbank op verzoek van de moeder bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 3 maart 2025 een kinderalimentatie van € 150,- per maand moet betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



4.2
De vader verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende, bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel haar verzoeken af te wijzen;
- een kinderalimentatie van € 25,- per maand vast te stellen.



4.3

De moeder verzoekt in hoger beroep:
I. het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel enkel de gronden te verbeteren voor zover nodig, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist vindt;
II. de vader te veroordelen in de proceskosten van dit geding.







5De motivering van de beslissing



Rechtsmacht en toepasselijk recht




5.1
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de verzoeken met betrekking tot het gezag en de kinderalimentatie. Tussen partijen is niet in geschil dat het Nederlandse recht op deze verzoeken van toepassing is, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.



Gezag





Het wettelijk kader





5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253n juncto 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.



De standpunten





5.3
De vader meent dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat de moeder voortaan alleen met het gezag over hem wordt belast. Hij betwist dat [minderjarige] door gezamenlijk gezag tussen de ouders klem komt te zitten. De vader staat open voor overleg en samenwerking met de moeder. Hij is niet structureel onbereikbaar. De vader heeft altijd meegewerkt aan beslissingen die in het belang van [minderjarige] zijn, zoals vakanties en andere belangrijke zaken. Vanaf januari 2025 is de situatie plotseling veranderd. [minderjarige] is zijn vader gaan ontwijken en de moeder blokkeert vrijwel alle vormen van contact met de vader. De vader weet op dit moment niet wat [minderjarige] doet, hoe het met hem gaat en waar hij mee bezig is. Gezamenlijk gezag stelt de vader in staat om als ouder betrokken te blijven bij belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige] . Als de vader het gezag over [minderjarige] niet kan uitoefenen, zal hun onderlinge band verslechteren, wat niet in het belang van [minderjarige] is.



5.4
De moeder is van mening dat de rechtbank haar terecht met het eenhoofdig gezag heeft belast. Zij stelt dat, hoewel zij steeds open heeft gestaan voor overleg met de vader, feitelijke communicatie tussen de ouders onmogelijk is gebleken door de structurele onbereikbaarheid en afwezigheid van de vader. De vader heeft maandenlang in het buitenland verbleven en hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen, zonder dat de moeder hiervan op de hoogte was. Daarbij komt dat de vader onbereikbaar is of niet reageert op verzoeken van de moeder. De moeder weet niet waar de vader verblijft; hij heeft geen vaste woonplek. De moeder heeft zich voor vervangende toestemming voor schoolinschrijving en vakanties tot de rechtbank moeten wenden. De vader speelt feitelijk geen rol in het leven van [minderjarige] . De moeder heeft jarenlang geprobeerd het contact tussen de vader en [minderjarige] te stimuleren, maar de vader heeft in 2024 slechts enkele uren contact gehad met [minderjarige] en daarna heeft de vader geen initiatief tot contact genomen en niet op berichten van [minderjarige] gereageerd. Sinds januari 2025 heeft de vader [minderjarige] niet meer gezien. [minderjarige] is klem en verloren geraakt tussen de ouders. Hij is teleurgesteld in zijn vader en hij voelt de onzekerheid rondom belangrijke beslissingen, waardoor hij in zijn ontwikkeling wordt belemmerd.



Het advies van de raad





5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Er is al geruime tijd geen contact tussen de vader en [minderjarige] en er is ook geen contact tussen de ouders. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat het nemen van beslissingen over hem moeizaam verloopt. De vader weet niet hoe het met [minderjarige] gaat, zodat het ook moeilijk is om beslissingen te nemen die in zijn belang zijn. De raad spreekt de hoop uit dat de vader en [minderjarige] in de toekomst weer contact met elkaar zullen hebben.



De beoordeling





5.6
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en de zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader en [minderjarige] sinds januari 2025 geen contact meer met elkaar hebben gehad. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, sprake van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253n BW.



5.7
Voorop wordt gesteld dat gezamenlijk gezag van de ouders over hun minderjarig kind het uitgangspunt van de wetgever is. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.



5.8

Het hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank en hetgeen daartoe in de bestreden beschikking is overwogen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige] bij de moeder woont en dat de dagelijkse zorg voor [minderjarige] geheel voor haar rekening komt. De vader en [minderjarige] hebben sinds januari 2025 geen contact meer met elkaar gehad. Verder is gebleken dat de vader, in het geval belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten worden genomen, niet bereikbaar is voor de moeder dan wel niet (tijdig) de benodigde toestemming verleent. In dit verband is van belang dat de vader meermaals periodes afwezig is geweest zonder dat hij dit met de moeder had afgestemd, waardoor de vader voor de moeder onbereikbaar was en de communicatie tussen hen moeizaam is verlopen. Zo was de vader wel akkoord met de zomervakantie in 2024, maar heeft hij het formulier ‘Toestemming voor reizen met een minderjarige naar het buitenland’, waarmee de moeder [minderjarige] kon meenemen op vakantie naar Marokko in de periode van 30 juli 2024 tot en met 23 augustus 2024, niet ondertekend. Evenmin heeft hij een toestemmingsformulier ondertekend waarmee de moeder met [minderjarige] naar Marokko op vakantie kon gaan in de periode van 3 tot en met 24 augustus 2025. Hierdoor was de moeder genoodzaakt om de voorzieningenrechter om vervangende toestemming voor deze vakanties te verzoeken, welke toestemming haar bij de hiervoor onder 3.4 en 3.5 vermelde vonnissen van 20 juni 2024 en 23 juni 2025 is verleend. Ook heeft de vader geen medewerking verleend aan de schriftelijke vastlegging van zijn toestemming om [minderjarige] met ingang van 1 september 2025 op een middelbare school (het [X] ) in te schrijven. Het belang van [minderjarige] vergt dat de moeder voortvarend de noodzakelijke beslissingen over hem kan nemen, bijvoorbeeld betreffende schoolkeuze, medische zorg en vakanties, zonder dat het op cruciale momenten ontbreken van de mogelijkheid tot communicatie met de vader daarbij roet in het eten gooit.
Daarbij komt dat er al lange tijd geen enkel contact is tussen de vader en [minderjarige] en dat de communicatie tussen de ouders gebrekkig verliep, waardoor de vader niet op de hoogte is van de ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] . De vader heeft in zijn beroepschrift zelf ook gesteld dat hij op dit moment niet weet wat [minderjarige] doet, hoe het met hem gaat en waar hij mee bezig is. Om – samen met de moeder – verantwoorde beslissingen over [minderjarige] te kunnen nemen, is dit echter wel noodzakelijk. De vader moet daarvoor dan wel gelegenheid bieden door zich beschikbaar te houden voor communicatie met de moeder over de aangelegenheden die [minderjarige] aangaan. Het hof constateert aan de hand van wat beide partijen hierover hebben meegedeeld dat het al lange tijd aan die beschikbaarheid heeft ontbroken, waardoor niet alleen het contact tussen de vader en [minderjarige] is verwaterd, maar ook zijn zicht op de belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] is weggevallen.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de ouders niet in staat zijn beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen, en evenmin in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige] voordoen. De ouders zijn derhalve niet tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening in staat. De vader stelt weliswaar dat hij openstaat voor overleg en samenwerking met de moeder, maar hij heeft geen concrete aanknopingspunten verschaft op grond waarvan het hof ervan kan uitgaan dat hij in de toekomst wel bereikbaar is voor overleg met de moeder en dat hij wel (tijdig) zijn medewerking aan belangrijke beslissingen over [minderjarige] zal verlenen. Wijziging van het gezag is daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk.




5.9

De vader voert nog aan dat de ouders desalniettemin gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast moeten zijn. Volgens hem is in een geval als het onderhavige, waarin de met het gezag belaste ouder de andere ouder op geen enkele wijze een opening biedt om betrokken te zijn bij het leven van het kind, het behoud van het gezamenlijk gezag één van de instrumenten die de rechter moet kunnen benutten om het recht op family life tussen het kind en de andere ouder toch te verwezenlijken. De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:251a lid 1 BW geeft de rechter de ruimte om, ook indien is voldaan aan een van de in dat artikellid genoemde gronden, het gezamenlijk gezag in stand te laten. Deze uitleg strookt met het uitgangspunt dat bij beslissingen als hier aan de orde, zoveel mogelijk recht moet worden gedaan aan het belang van het kind. Vaststaat dat sinds januari 2025 geen contact tussen de vader en [minderjarige] meer heeft plaatsgevonden. De ouders verschillen van mening over de reden van deze contactbreuk. De vader stelt dat [minderjarige] heeft aangegeven dat de moeder hem heeft verteld over de partner van de vader en dat dit een negatieve invloed op het contact tussen de vader en [minderjarige] heeft gehad. Volgens de moeder heeft zij jarenlang geprobeerd het contact tussen de vader en [minderjarige] te stimuleren, maar heeft de vader na 2024 geen initiatief tot contact genomen en heeft hij niet op berichten van [minderjarige] gereageerd. Omdat de vader de afspraken niet nakwam, is [minderjarige] teleurgesteld geraakt in zijn vader. Wat hier ook van zij, op basis van de stukken in het dossier en de zitting in hoger beroep kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat het uitsluitend, althans in overwegende mate, aan de opstelling en de gedragingen van de moeder is toe te schrijven dat momenteel geen omgang tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt. Nu niet is gebleken dat de moeder de vader op geen enkele wijze een opening biedt om betrokken te zijn bij het leven van [minderjarige] , ziet het hof geen aanleiding om, hoewel de in artikel 1:251a lid 1 BW genoemde gronden zich voordoen, niettemin het gezamenlijk gezag in stand te laten.




5.10
Al het voorgaande leidt ertoe dat het hof het verzoek van de vader zal afwijzen en de bestreden beschikking wat betreft het gezag zal bekrachtigen. Het hof overweegt hierbij, wellicht ten overvloede, dat dit niet wegneemt dat de moeder zich dient te (blijven) houden aan de op haar rustende informatie- en consultatieverplichting ten opzichte van de vader.



Kinderalimentatie





Overeenkomst?





5.11
De moeder voert aan dat de ouders mondeling hebben afgesproken dat de vader een kinderalimentatie van € 150,- per maand dient te voldoen en dat de rechtbank deze afspraak in de bestreden beschikking heeft vastgelegd.



5.12
Volgens de vader heeft hij tijdens de zitting bij de rechtbank alleen aangegeven dat hij een kinderalimentatie van € 150,- per maand heeft betaald. Hij begreep niet dat de rechtbank dit bedrag als kinderalimentatie in de beschikking zou vastleggen. De vader werd in de procedure bij de rechtbank niet door een advocaat en een tolk bijgestaan.



5.13
Het hof overweegt als volgt. Uit de door de moeder (als productie 8 bij het verzoekschrift in eerste aanleg) overgelegde bankafschriften blijkt dat de vader in de periode van 16 juli 2021 tot en met 3 februari 2025 kinderalimentatie heeft voldaan. Volgens het proces-verbaal van de op 25 september 2025 gehouden zitting bij de rechtbank heeft hij verklaard: “Ik betaal het bedrag van € 150,- per maand aan de moeder. De rechter heeft geen alimentatie opgelegd maar ik betaal het toch. Dat mag u wel opschrijven, het is mijn kind en dat is niet erg. Ik wil dat wel betalen.” Verder heeft hij verklaard: “Ik ontvang nu een bijstandsuitkering. Het bedrag dat de moeder vraagt van € 170,- elke maand is te veel voor mij. Die € 150,- is prima en dat wil ik betalen aan de moeder.” Het hof kan op basis van de door de vader verrichte betalingen van de kinderalimentatie in samenhang met zijn hiervoor vermelde verklaringen op de zitting bij de rechtbank niet anders concluderen dan dat partijen een (stilzwijgende) afspraak over de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 150,- per maand hebben gemaakt, welke afspraak de rechtbank vervolgens in de beschikking heeft vastgelegd nadat was gebleken dat de vader ermee instemde om dit bedrag te (blijven) voldoen. Dat de vader zich in de procedure bij de rechtbank niet door een advocaat en een tolk heeft laten bijstaan, waardoor hij niet zou hebben begrepen dat de rechtbank dit bedrag als kinderalimentatie in de beschikking zou vastleggen, maakt dit niet anders. Het had op zijn weg gelegen zich desgewenst van dergelijke bijstand te voorzien. Dat hij dit niet heeft gedaan komt voor zijn eigen rekening. Daarnaast komt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op geen enkele wijze naar voren dat de aanwezigen in de rechtszaal elkaar niet of slechts moeizaam hebben begrepen.



5.14
De vader stelt dat hij niet in staat is om een kinderalimentatie van € 150,- per maand te voldoen, omdat hij een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Ter zitting in hoger beroep heeft hij hieraan toegevoegd dat hij aan zijn echtgenote en kind in Marokko een bedrag van circa € 200,- per maand voldoet.



5.15
De moeder voert gemotiveerd verweer.



5.16
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens eerdere beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarvan partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan.



5.17
Uit de stukken in het dossier en de zitting in hoger beroep blijkt dat de vader ten tijde van het maken van de afspraak over de kinderalimentatie al een uitkering op grond van de Participatiewet ontving en dat hij deze uitkering ten tijde van de zitting bij de rechtbank nog steeds ontving. Ook was de vader ten tijde van de zitting bij de rechtbank al gehuwd met zijn partner, hadden zij samen een kind gekregen en had de vader geen vaste woon- of verblijfplaats. Op dat moment hadden de vader en [minderjarige] al geruime tijd geen contact met elkaar gehad. Omdat de ouders onder de hiervoor genoemde omstandigheden hebben afgesproken dat de vader de overeengekomen kinderalimentatie van € 150,- per maand zal (blijven) betalen, kan niet worden gezegd dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een herbeoordeling van de door hen overeengekomen kinderalimentatie rechtvaardigt.



5.18
De vader doet tot slot een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Hij stelt dat het vaststellen van de kinderalimentatie tot een onaanvaardbare situatie leidt, omdat de vader bij voldoening aan zijn onderhoudsverplichting feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.



5.19
De moeder voert gemotiveerd verweer.



5.20
Naar het oordeel van het hof slaagt dit beroep niet. Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Van een onaanvaardbare situatie is sprake als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. Naar het oordeel van het hof heeft de vader zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets onvoldoende onderbouwd, waarbij in aanmerking wordt genomen dat dat de vader op de zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat hij maandelijks – naar het hof begrijpt: naast zijn uitkering op grond van de Participatiewet – circa € 240,- netto aan inkomsten uit werkzaamheden als kapper ontvangt. Die inkomsten verhogen dus zijn draagkracht, zodat hij juist verder verwijderd raakt van de grens van onaanvaardbaarheid, in plaats van dat die grens op basis van zijn huidige financiële situatie in zicht zou komen. Het hof zal dit beroep dan ook verwerpen.



5.21
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de vader afgewezen en de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie bekrachtigd.



Proceskosten





5.22
Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de vader te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals de moeder heeft verzocht. Het hof zal de kosten, gelet op de aard van de procedure, compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



5.23
Dit alles leidt tot de volgende beslising.






6De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de bestreden beschikking;



verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;



wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.




Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. P.F.E. Geerlings en mr. M. Groenleer, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste rechter in hoger beroep.