Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:1988

2026-07-21 Civiel recht; Ondernemingsrecht 200.364.961/01 OK
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
200.364.961/01 OK
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ondernemingskamer; enquêterecht; niet-ontvankelijk.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.704 tekens)
beschikking
___________________________________________________________________




GERECHTSHOF AMSTERDAM


ONDERNEMINGSKAMER





zaaknummer: 200.364.961/01 OK



beschikking van de Ondernemingskamer van 21 juli 2026



inzake






[broer]
,
wonende te [....] ,

VERZOEKER,
advocaat: mr. L.S. Kerkman, kantoorhoudende te Amsterdam,




t e g e n




de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVESTPHARMA B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER,
advocaten: mr. R.M.T. van den Bosch, mr. B.J. van Egmond en mr. A.A.C. Ngo, kantoorhoudende te Rotterdam,




en tegen





1 [zus] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.M.T. van den Bosch, mr. B.J. van Egmond en mr. A.A.C. Ngo, kantoorhoudende te Rotterdam,



en tegen





2 [vader] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen



en tegen





3 [bewindvoerder] ,

kantoorhoudende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,
niet verschenen



Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:








verzoeker als:



[broer]





verweerster als:


Investpharma




belanghebbende 1 als:



[zus]





belanghebbende 2 als:


Vader







1




1Het verloop van het geding


1.1.


[broer] heeft bij verzoekschrift van 13 februari 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Investpharma over de periode vanaf 5 oktober 2022, althans in een door de Ondernemingskamer te bepalen tijdvak;
2. als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure
a. [zus] te schorsen als bestuurder van Investpharma;
b. een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon te benoemen tot bestuurder van Investpharma;
c. de door [zus] en Vader gehouden aandelen in Investpharma over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;
d. althans zodanige voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
3. Investpharma te veroordelen in de kosten van de procedure;
4. een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.




1.2.
Investpharma en [zus] hebben bij verweerschrift van 26 mei 2026 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [broer] af te wijzen en [broer] te veroordelen in de kosten van de procedure.



1.3.
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 16 juni 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. [broer] en Investpharma en [zus] hebben voor de zitting nadere producties toegestuurd. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.



1.4.

[broer] heeft per V4-formulier op 26 juni 2026 de Ondernemingskamer geïnformeerd dat hij het enquêteverzoek (inclusief de verzochte onmiddellijke voorzieningen) wilde intrekken.



1.5.
Investpharma en [zus] hebben per brief van 9 juli 2026 primair verzocht om de intrekking niet toe te staan. Subsidiair hebben zij verzocht om [broer] te veroordelen in de kosten van de procedure.






2De gronden van de beslissing


2.1.

[broer] heeft na de mondelinge behandeling laten weten dat hij zijn verzoek tot het gelasten van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Investpharma en het treffen van onmiddellijke voorzieningen in wilde trekken.



2.2.
Investpharma en [zus] hebben per brief bezwaar gemaakt tegen voormelde intrekking en primair verzocht om de intrekking niet toe te staan. Subsidiair hebben zij verzocht om [broer] te veroordelen in de kosten van de procedure. Zij hebben aan dit verzoek, kort gezegd, het volgende ten grondslag gelegd. De intrekking is te laat, immers nadat een verweerschrift is ingediend, de mondelinge behandeling is gesloten, de Ondernemingskamer haar voorlopig oordeel kenbaar heeft gemaakt en er een datum bepaald is voor het wijzen van de beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [broer] verklaard het verzoek niet in te trekken, waardoor hij afstand heeft gedaan van zijn rechten om het verzoek later alsnog in te trekken. Bovendien heeft de Ondernemingskamer tijdens de mondelinge behandeling aangekondigd dat zij voornemens was om het enquêteverzoek af te wijzen. Het toestaan van de intrekking zou [broer] in staat stellen zich te onttrekken aan een reeds aangekondigde afwijzende beslissing. Gelet op het voorgaande stellen Investpharma en [zus] zich op het standpunt dat de intrekking in strijd is met de goede procesorde.



2.3.
De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De Ondernemingskamer begrijpt de mededeling van [broer] dat hij zijn verzoek wil intrekken aldus dat hij niet langer verzoekt een enquête bij Investpharma te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen en dat hij zijn verzoek in zoverre wenst te verminderen. Nu de Ondernemingskamer nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is [broer] op de voet van artikel 283 Rv steeds bevoegd het verzoek te verminderen, ongeacht eventuele bezwaren van Investpharma en/of [zus] . Dat de Ondernemingskamer tijdens de mondelinge behandeling als voorlopig oordeel heeft uitgesproken dat het verzoek zal worden afgewezen, maakt dat niet anders. De vermindering van het verzoek betekent dat [broer] geen voldoende belang meer heeft bij een beoordeling van zijn verzoek en hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.



2.4.
De Ondernemingskamer zal [broer] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding aan de zijde van Investpharma en [zus] conform het gebruikelijke liquidatietarief (zijnde € 3.870, plus griffierecht van € 851).






3De beslissing


De Ondernemingskamer:



a. verklaart [broer] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;



b. veroordeelt [broer] in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van Investpharma B.V. en [zus] begroot op € 4.721;



c. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.J.R. Brons en mr. A. van Hees, raadsheren, en prof. dr. mr. S. ten Have en drs. D. Korf, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Paridon en mr. E.E.B. Matheij, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.